Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6305

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
K/4104/11766429
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:756 lid 2 BWArt. 6:271 BWArt. 6:272 lid 2 BWArt. 7:255 BWArt. 6:96 lid 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding aannemingsovereenkomst wegens niet-nakoming betalingsverplichting en betaling resterend factuurbedrag

Deze civiele zaak betreft een geschil tussen een aannemer en een opdrachtgever over de uitvoering en betaling van renovatiewerkzaamheden aan een woning. De aannemer vordert ontbinding van de aannemingsovereenkomst en betaling van een openstaand bedrag van €7.614,92, vermeerderd met rente en kosten.

De aannemer had een eerste factuur van €10.000,- ontvangen en betaald gekregen, maar de opdrachtgever betaalde slechts gedeeltelijk de tweede factuur en de eindfactuur. De aannemer heeft daarop de werkzaamheden opgeschort. De opdrachtgever betwistte de betalingsverplichting en de hoogte van de facturen, maar erkende uiteindelijk de betalingsvoorwaarden en de waarde van het uitgevoerde werk.

De kantonrechter oordeelt dat de opdrachtgever in verzuim is met zijn betalingsverplichting, dat de aannemer terecht de werkzaamheden heeft opgeschort en dat dit een rechtvaardiging vormt voor ontbinding van de overeenkomst. De opdrachtgever moet de waarde van het reeds uitgevoerde werk, inclusief meerwerk, aan de aannemer betalen. Daarnaast wordt de opdrachtgever veroordeeld tot betaling van wettelijke rente, beslagkosten en proceskosten.

Uitkomst: De aannemingsovereenkomst wordt ontbonden en de opdrachtgever wordt veroordeeld tot betaling van het openstaande factuurbedrag van €7.614,92 met rente, beslagkosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 12224359 \ CV EXPL 26-1523 (NE)
Vonnis van 21 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. B.R. Capaan,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: P.A. van der Mark.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over werkzaamheden aan een woning. De aannemer vordert ontbinding van de overeenkomst en betaling van een tussentijdse factuur en een eindfactuur. De kantonrechter oordeelt dat de opdrachtnemer niet heeft voldaan aan zijn betalingsverplichting en de aannemer bevoegd de werkzaamheden heeft opgeschort. Ook oordeelt de kantonrechter dat dit ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt en de opdrachtgever de waarde van de al verrichte prestaties aan de aannemer moet betalen.

1.De procedure

1.1.
[eiser] heeft bij dagvaarding van 6 juni 2025 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
In het tussenvonnis van 17 september 2025 is een mondelinge behandeling van de zitting is bepaald. In het tussenvonnis van 22 april 2026 is de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, verwezen van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar naar zittingsplaats Zaanstad.
1.3.
Op 23 april 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [eiser] heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd.
1.4.
Vervolgens is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft op 25 maart 2023 een offerte naar [gedaagde] verzonden voor de uitvoering van renovatiewerkzaamheden aan het achterhuis van de woning van [gedaagde] voor een aanneemsom van € 31.701,05 inclusief btw. Daarin is verder onder andere opgenomen dat de verwachte duur van het werk drie weken is en betaling als volgt geschiedt:
“1e factuur: € 10.000,-- als voorschot, tevens opdrachtbevestiging, dus bij betaling akkoord met bovenstaande offerte.Tussentijdse, 2e factuur, halverwege de werkzaamheden.
Eindfactuur, met meer- en minderwerk, na oplevering.Betaaltermijn is 5 werkdagen na datum factuur”
2.2.
Op 23 mei 2023 heeft [eiser] de eerste factuur van € 10.000,00 inclusief btw verstuurd naar [gedaagde] . [gedaagde] heeft deze factuur betaald.
2.3.
De werkzaamheden zijn aangevangen op 6 juni 2023.
2.4.
Op 18 juni heeft [eiser] een tweede factuur van € 10.000,00 inclusief btw verstuurd naar [gedaagde] .
2.5.
Ook heeft [eiser] op 18 juni 2023 schriftelijk een bevestiging van het meerwerk aan [gedaagde] verstuurd. In de e-mail heeft [eiser] het meerwerk gespecificeerd en een verwachte meerprijs vermeld van € 3.620,00 inclusief btw. Ook heeft [eiser] aan [gedaagde] laten weten dat materiaal posten lager zullen uitvallen en de post onvoorzien kan worden verrekend met de meerkosten, zodat uiteindelijk de geschatte meerkosten € 2.054,04 inclusief btw zijn.
2.6.
[gedaagde] heeft op 4 juli 2023 een betaling gedaan van € 5.000,00 inclusief btw.
2.7.
[eiser] heeft op 5 juli 2023 een gespecificeerde nacalculatie inclusief meerwerk naar [gedaagde] gemaild.
2.8.
Op 6 juli 2023 is een discussie ontstaan en heeft [gedaagde] aan Woning laten weten dat hij het restant van de tweede factuur zal betalen nadat het aanvankelijk opgedragen werk is uitgevoerd en een aanvang is gemaakt met het meerwerk.
2.9.
[eiser] heeft op 7 juli 2023 een betalingsherinnering van de tweede factuur aan [gedaagde] gestuurd en op 8 juli 2023 aan [gedaagde] meegedeeld dat hij zal stoppen met het werk als er niet wordt betaald. In deze mail heeft [eiser] ook aangegeven dat tegen [gedaagde] voor aanvang is gezegd dat het werk ongeveer drie weken en mogelijk langer zou duren, dat hij snel na aanvang heeft laten weten dat het werk twee weken extra in beslag zal nemen en dat de extra werkzaamheden nog twee keer een halve week in beslag zullen nemen.
2.10.
Op 10 juli 2023 heeft [eiser] nog werkzaamheden aan de woning verricht. Daarna heeft [eiser] het werk opgeschort.
2.11.
[gedaagde] heeft op 11 juli 2023 aan [eiser] laten weten
“over de centen, ik moet kleinere stappen maken, mijn geld is verspreid, zoals ik al zei, moet t daar en daar vandaan halen”en
“ga ik jou vakantie gebruiken om meer budget te fixen”.
2.12.
Op 19 juli 2023 heeft [gedaagde] aan [eiser] geschreven dat is gezegd dat het werk drie weken zou duren en een uitloop van twee weken 60 % boven budget is en dat dat niet gaat lukken.
2.13.
[eiser] heeft op 20 juli 2023 geantwoord dat het werk tot op heden is uitgevoerd volgens de offerte en dat een groot deel van de offerte een vaste prijs is (onafhankelijk van het aantal uren) met uitzondering van de stelposten en het opgedragen meerwerk.
2.14.
Op 22 juli 2023 heeft [eiser] aan [gedaagde] een aanmaning voor het openstaande bedrag van de tweede factuur van € 5.000,00 inclusief btw en een eindfactuur van het tot en met 12 juli 2023 uitgevoerde werk van € 6.364,92 inclusief btw verstuurd.
2.15.
Op 29 juli 2023 heeft [eiser] [gedaagde] geïnformeerd over de vakantieperiode in augustus en dat hij in september twee weken in zijn agenda reserveert als [gedaagde] tot betaling overgaat.
2.16.
Op 16 augustus 2023 heeft [gedaagde] € 2.500 inclusief btw betaald aan [eiser] , waarna [eiser] aan [gedaagde] heeft laten weten dat de tweede factuur nog steeds niet helemaal is voldaan. Partijen hebben ook daarna verder gecorrespondeerd met een herhaling van standpunten.
2.17.
[eiser] heeft op 29 oktober 2023 aan [gedaagde] bericht dat hij de vordering ter incasso uit handen zal geven als [gedaagde] niet tot betaling overgaat binnen zeven dagen.
2.18.
Daarna heeft [gedaagde] gevraagd waarvoor hij moet betalen en heeft [eiser] nogmaals de tweede factuur en de eindfactuur aan [gedaagde] verstuurd en uitgelegd dat nog € 8.864,92 inclusief btw openstaat.
2.19.
[gedaagde] heeft op 11 januari 2024 aan [eiser] gemaild
“Die extra factuur, ik zie wel dat je eerlijk bent dus das fijn”en
“Je hebt goed werk geleverd hoor”.
2.20.
[gedaagde] heeft ook op 11 januari 2024 een betaling aan [eiser] gedaan van
€ 1.250,00 inclusief btw.
2.21.
De gemachtigde van [eiser] heeft [gedaagde] op 29 augustus 2024 aangemaand om binnen vijftien dagen na ontvangst van de brief het openstaande bedrag van € 7.614,92 inclusief btw te betalen. [gedaagde] heeft dat bedrag onbetaald gelaten.
2.22.
[eiser] heeft op 3 juni 2025 conservatoir beslag laten leggen op de woning van [gedaagde] .
2.23.
Op 3 juni 2025 heeft Top Expertise in opdracht van [gedaagde] onderzoek gedaan naar het door [eiser] uitgevoerde werk in zijn woning. Top Expertise heeft in het rapport van
10 augustus 2025 de waarde van het uitgevoerde werk geraamd op € 26.214,00 inclusief btw, waaronder een post meerwerk van € 4.571,46 inclusief btw.
3. Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – samengevat en na wijziging van eis tijdens de zitting – ontbinding van de aannemingsovereenkomst en veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 7.614,92, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichting uit de aannemingsovereenkomst tot tussentijdse betaling van de tweede factuur. Daarom was [eiser] gerechtigd het werk op te schorten. Uiteindelijk heeft [eiser] met een eindfactuur aan [gedaagde] de resterende prijs voor het reeds uitgevoerde werk en de geleverde materialen in rekening gebracht. [eiser] heeft zich daarbij steeds bereid verklaard het werk af te maken als [gedaagde] tot betaling overgaat. [gedaagde] heeft op de openstaande tweede factuur verschillende deelbetalingen gedaan. Van de tweede factuur is uiteindelijk € 1.250,00 onbetaald gebleven. Ook is de eindfactuur van € 6.364,92 niet betaald.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] voert het volgende aan. [gedaagde] betwist dat hij de betalingscondities heeft geaccepteerd. De offerte met de betalingscondities is niet door [gedaagde] ondertekend. [gedaagde] was vanwege de trage voortgang van het werk en de onduidelijkheid over wanneer oplevering zou plaatsvinden niet bereid de tweede factuur volledig te betalen. De factuur stond niet in verhouding tot het op dat moment geleverde werk. De hierover ontstane discussie leidde ertoe dat [eiser] zijn werkzaamheden op 10 juli 2023 heeft gestaakt. De factuur was echter niet opeisbaar, zodat [eiser] vanaf dat moment in verzuim verkeert en niet [gedaagde] . [gedaagde] betwist ook de opeisbaarheid van de eindfactuur. Het werk is immers niet opgeleverd en de overeenkomst is niet tussentijds beëindigd. Om de zaak toch weer in beweging te krijgen heeft [gedaagde] een deelbetaling gedaan. [gedaagde] heeft ook keer op keer aangegeven te willen betalen, maar wel pas als [eiser] het werk weer had hervat. [gedaagde] betwist verder had het meerwerk is overeengekomen. Daarbij is het werk niet opgeleverd en is de overeenkomst niet op een andere manier beëindigd, zodat ook daarom het meerwerk niet in rekening mag worden gebracht en niet opeisbaar is.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Vast staat dat partijen een aannemingsovereenkomst hebben gesloten, dat [eiser] op basis van die overeenkomst heeft gewerkt, dat [eiser] het werk heeft stilgelegd en dat het tot die tijd verrichte werk deugdelijk en vrij van gebreken was.
4.2.
Verder heeft [eiser] tijdens de zitting zijn vordering uitgebreid met een vordering tot ontbinding van de overeenkomst wegens een tekortkoming van [gedaagde] in zijn betalingsverplichting. [gedaagde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de gewijzigde vordering en heeft ook geen bezwaar gemaakt tegen de gevorderde ontbinding.
4.3.
[gedaagde] heeft bij antwoord betwist dat hij de betalingsvoorwaarden in de offerte heeft geaccepteerd, zodat de tweede factuur niet opeisbaar is. Tijdens de zitting is echter alsnog komen vast te staan dat partijen de betalingsvoorwaarden die in offerte staan daadwerkelijk zijn overeengekomen. [gedaagde] heeft daarover verklaard dat hij inderdaad voor aanvang en gedurende het werk in totaal € 20.000,00 inclusief btw zou betalen en hij was naar eigen zeggen ook in afwachting van de tweede factuur. De toezending van de tweede factuur was dan ook in overeenstemming met afgesproken betalingsvoorwaarden en dat betekent dat [gedaagde] in beginsel gehouden was die factuur tijdig en volledig te betalen.
4.4.
Ook het aanvankelijk bij antwoord gevoerde verweer dat de hoogte van de tweede factuur niet in verhouding stond tot het al verrichte werk is tijdens de zitting niet gehandhaafd, omdat de door [gedaagde] zelf ingeschakelde deskundige de waarde daarvan heeft geraamd op een bijna gelijk bedrag als het door [eiser] in totaal in rekening gebrachte bedrag (€ 26.214,00 versus € 26.364,92). Bovendien heeft [eiser] in zijn e-mails van onder andere 5 en 8 juli 2023 de tot dan toe verrichte werkzaamheden nauwkeurig en gedetailleerd toegelicht onder specificering van de kosten. Ook heeft [eiser] een toelichting gegeven op de duur van het werk van ongeveer vijf à zes weken in totaal. Dat het dus voor [gedaagde] niet duidelijk was of er voldoende voortgang in het werk zat, kan niet worden gevolgd. Daarbij is er geen opleverdatum overeengekomen en evenmin is door [gedaagde] een termijn gesteld waarbinnen het werk zou moeten worden afgerond. Op het moment waarop [eiser] de werkzaamheden staakte had hij nog hooguit een paar weken nodig om deze te kunnen voltooien.
4.5.
[gedaagde] had dan ook geen enkele reden om de tweede factuur niet te betalen. Dat betekent dat [gedaagde] in verzuim is komen te verkeren met zijn betalingsverplichting. [eiser] is dan ook per 11 juli 2023 bevoegd overgegaan tot opschorting van de op hem rustende verplichting tot het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden. Daarbij mocht een rol spelen dat [eiser] tot een waarde van het uitgevoerde werk van € 26.364,92 kwam en dus terecht concludeerde op dat moment al ruim € 11.000,00 zelf te hebben voorgeschoten. De gestelde voorwaarden om het werk te hervatten na betaling van het restant van de tweede factuur en een schriftelijke garantie voor de betaling van de eindfactuur was dan ook niet onredelijk. Dit geldt te meer omdat sprake leek te zijn van financiële moeilijkheden bij [gedaagde] , die aangaf pas eind augustus wat te kunnen betalen en eerdere betalingen vanaf zijn eigen rekening had gedaan in plaats van uit het bouwdepot. Ondanks de vele betalingsbeloften, heeft [gedaagde] geen betalingen gedaan. Pas (veel) later kwamen er nog betalingen van € 2.500,00 en € 1.250,00, terwijl [eiser] op zijn beurt zich steeds bereid heeft verklaard het werk af te maken en daarvoor tijd vrij te maken.
4.6.
Dit rechtvaardigt ook een ontbinding van de overeenkomst. De gevorderde ontbinding zal daarom worden toegewezen. [1] Ontbinding van een overeenkomst bevrijdt partijen van de daardoor getroffen verbintenissen. [2] De ontbinding brengt in dit geval met zich dat op [eiser] niet langer de verplichting rust het resterende werk uit te voeren en het werk op te leveren en [gedaagde] geen betalingsverplichting meer heeft voor het resterende werk. Wat betreft de al uitgevoerde werkzaamheden door [eiser] geldt dat ongedaanmaking van deze prestaties naar haar aard onmogelijk is. Daarom ontstaat voor [gedaagde] de verbintenis tot vergoeding van de werkelijke waarde van die prestaties. [3] Tussen partijen is niet meer in geschil dat de waarde van het door [eiser] verrichte werk € 26.364,92 inclusief btw is.
4.7.
Een deel van dat bedrag betreft meerwerk. [gedaagde] betwist dat meerwerk is overeengekomen. [eiser] heeft daarover gesteld dat [gedaagde] opdracht heeft gegeven voor diverse extra werkzaamheden en dat hij deze werkzaamheden heeft omschreven en bevestigd in de e-mail van 18 juni 2023, waarin hij ook inzichtelijk heeft gemaakt tot welke extra kosten dat naar verwachting zal leiden. Ook heeft [eiser] erop gewezen dat [gedaagde] daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. Integendeel, volgens [eiser] heeft [gedaagde] aan de extra werkzaamheden meegewerkt door onder andere de kantplanken die behoren tot het meerwerk groen te schilderen zodat [eiser] daarmee na het weekend verder kon. [gedaagde] heeft daartegenover volstaan met een enkele ontkenning dat hij opdracht voor het meerwerk heeft gegeven. Dat is niet genoeg. Daarbij heeft [gedaagde] ook gezegd dat [eiser] veelal werkte op eigen houtje. De kantonrechter merkt daarover op dat dit niet strookt met het beeld dat naar voren komt uit alle beschikbare stukken. Daaruit blijkt juist dat [eiser] zeer regelmatig en op nauwkeurige wijze verantwoording heeft afgelegd en inzicht heeft gegeven in de al verrichte en nog te verrichten werkzaamheden en de daarmee gemoeide kosten. Dit betekent dat [eiser] heeft voldaan aan de wettelijke eisen die de wet aan meerwerk stelt [4] en dat [gedaagde] ook de waarde van het meerwerk aan [eiser] moet vergoeden.
4.8.
De conclusie is dat [gedaagde] aan [eiser] € 26.364,94 inclusief btw is verschuldigd. [gedaagde] heeft in totaal € 18.750,00 betaald. [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van het restant van € 7.614,92.
4.9.
De wettelijke rente over € 1.250,00 zal zoals gevorderd worden toegewezen vanaf 13 september 2024. Dat bedrag was toen opeisbaar en [gedaagde] verkeerde op dat moment in verzuim met betaling van dat bedrag. De wettelijke rente over € 6.364,92 is toewijsbaar vanaf veertien dagen na dit vonnis. Dat bedrag is immers opeisbaar als gevolg van de ontbinding van de overeenkomst.
4.10.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft niet gesteld op welke datum de aanmaning door [gedaagde] op zijn laatst is ontvangen of op welke datum de aanmaning is verstuurd, zodat niet is voldaan aan de stelplicht. [5] De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
4.11.
[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is toewijsbaar. [6] De beslagkosten worden vastgesteld op € 260,36 voor kosten deurwaardersexploten, € 331,00 voor griffierecht en € 360,00 voor salaris gemachtigde
(1 punt), totaal € 951,36.
4.12.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.009,45
5. De beslissing
De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen gesloten overeenkomst,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 7.614,92 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente [7] over € 1.250,00 met ingang van 13 september 2024, tot de dag van volledige betaling, en over € 6.364,92 met ingang van
4 juni 2026 tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 951,36,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.009,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:756 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 6:271 BW Pro en zie de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.
3.Artikel 6:272 lid 2 BW Pro.
4.Artikel 7:255 BW Pro.
5.Artikel 6:96 lid 6 BW Pro en
6.Artikel 706 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
7.Artikel 6:119 BW Pro.