ECLI:NL:RBNHO:2026:6543

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
HAA 25/3611
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Janse van Mantgem
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:72 AwbArt. 5.1 Ow
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Stichting Flora & Faunabescherming niet-ontvankelijk verklaard in bezwaar tegen omgevingsvergunningen woningbouw Bloemendalerpolder

De rechtbank Noord-Holland behandelde het beroep van Stichting Flora & Faunabescherming (SFF) tegen twee omgevingsvergunningen verleend aan de Alliantie en A.M. voor de bouw van respectievelijk 80 en 9 woningen in de Bloemendalerpolder te Weesp. SFF maakte bezwaar tegen deze vergunningen, stellende dat zij belanghebbende was vanwege haar doelstellingen en feitelijke werkzaamheden gericht op de bescherming van flora en fauna.

De rechtbank oordeelde dat SFF geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 Awb Pro, omdat haar belangen zich specifiek richten op flora en fauna en de verleende vergunningen geen gevolgen hebben voor deze belangen. De vergunningen betreffen bouwactiviteiten die al binnen de bestemmingsplannen zijn toegestaan, waarbij slechts wordt afgeweken van bepaalde planregels die geen directe impact op flora en fauna hebben.

Daarom heeft het college ten onrechte SFF ontvankelijk verklaard in haar bezwaren. De rechtbank vernietigde het besluit op bezwaar en voorzag zelf in de zaak door SFF niet-ontvankelijk te verklaren in haar bezwaren. Tevens werd het door SFF betaalde griffierecht aan haar vergoed.

Uitkomst: Stichting Flora & Faunabescherming is niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaren tegen de omgevingsvergunningen voor woningbouw in de Bloemendalerpolder.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3611

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen

de stichting
Stichting Flora & Faunabescherming, uit Weesp, eiseres (hierna: SFF)
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam

gemachtigden: mr. H. J. de Groot, mr. S. El Mahraoui.
Als derde-partijen nemen aan alle zaken deel:
1. de besloten vennootschap
De Alliantie ontwikkeling B.V., uit Hilversum (hierna: de Alliantie) en
2. de besloten vennootschap
A.M. B.V.uit Utrecht (hierna A.M.)
beide vergunninghouders, en
3. de commanditaire vennootschap
GEM Bloemendalerpolder C.V.uit Amsterdam hierna: de projectontwikkelaar
gemachtigden: mr. J.C. Ellerman en mr. S.J. de Haan, advocaten te Amsterdam.

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de aan de Alliantie verleende omgevingsvergunning van 12 november 2024 voor de bouw van 80 woningen (deelgebied 2B3-A) en de aan A.M. verleende omgevingsvergunning van 21 november 2024 voor de bouw van 9 woningen (deelgebied 2B3-AM) in de Bloemendalerpolder in Weesp. SFF is het met de verlening van deze omgevingsvergunningen niet eens.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college SFF in haar bezwaren tegen de verleende omgevingsvergunningen ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. De rechtbank is van oordeel dat SFF bij de verleende omgevingsvergunningen niet als belanghebbende is aan te merken. Dat betekent dat de beroepen van SFF gegrond zijn en de op de bezwaren van SFF genomen besluiten worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaken te voorzien door de bezwaren van SFF alsnog niet ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.
1.3.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen daaraan zijn verbonden.

Procesverloop

2.1.1.
De aan Alliantie bij besluit van 12 november 2024 verleende omgevingsvergunning ziet op de realisatie van 80 woningen in deelplan 2B3-A. De omgevingsvergunning is verleend voor de bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow) en een technische bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, Ow.
Daarnaast is de omgevingsvergunning op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow verleend voor de omgevingsplanactiviteiten:
  • afwijken van de regel in het bestemmingsplan dat het maximaal aantal woningen 1550 mag bedragen (artikel 14.2.1. onder a, van de planregels van het bestemmingsplan “Bloemendalerpolder Weesp”, onderdeel van het “Omgevingsplan Amsterdam”);
  • afwijken van de planregel in het bestemmingsplan “Bloemendalerpolder Weesp” waaruit volgt dat op gronden bestemd voor “Waarde-archeologie 7” geen gebouwen mogen worden gebouwd (met uitzondering van bouwwerken met een oppervlakte van maximaal 1000m² en waarbij de grondwerkzaamheden niet dieper reiken dan 4 meter ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld);
  • afwijken van planregel 14.2.5 van het bestemmingsplan “Bloemendalerpolder Weesp” die inhoudt dat tussen de perceelsgrenzen ter plaatse van de “specifieke bouwaanduiding laan” een laan dient te worden gerealiseerd van tenminste 60 meter tussen de perceelsgrenzen van de woningen.
2.1.2.
De aan A.M. bij besluit van 21 november 2024 verleende omgevingsvergunning ziet op de realisatie van 9 woningen in deelplan 2B3-AM. De omgevingsvergunning is verleend voor de bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Ow en een technische bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, Ow.
Daarnaast is de omgevingsvergunning op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow verleend voor de omgevingsplanactiviteit:
- afwijken van de planregel in het bestemmingsplan “Bloemendalerpolder, voormalig grondgebied Muiden” waaruit volgt dat op gronden bestemd voor “Waarde-archeologie 7” geen gebouwen mogen worden gebouwd (met uitzondering van bouwwerken met een oppervlakte van maximaal 1000m² en waarbij de grondwerkzaamheden niet dieper reiken dan 4 meter ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld).
2.1.3.
SFF heeft tegen deze beide primaire besluiten bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 mei 2025 (het bestreden besluit) op dat bezwaar is verweerder bij de primaire besluiten gebleven.
2.2.
SFF heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Derde-partijen hebben gezamenlijk schriftelijk gereageerd en daarnaast de rechtbank gevraagd tijdens de zitting een door GEM vervaardigde video te tonen. De link naar de video is bij het verzoek gevoegd.
2.3.
SFF heeft op 12 januari 2026 naar aanleiding van de reactie van derde-partijen en het verzoek de video te mogen vertonen haar beroepschrift aangevuld met een opsomming van diverse feitelijke werkzaamheden verricht in de jaren 2024 en 2025. Op 18 januari 2026 heeft SFF een nadere memorie gestuurd in reactie op het verweerschrift van het college.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben namens SFF deelgenomen haar bestuurders [naam 1] (voorzitter) en [naam 2] (secretaris/penningmeester). Het college is vertegenwoordigd door haar gemachtigden. Derde-partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. De Alliantie is ter zitting verder vertegenwoordigd door [naam 3] , [naam 4] . [naam 5] en [naam 6] . A.M. is ter zitting verder vertegenwoordigd door [naam 7] en [naam 8] .

Beoordeling door de rechtbank

Heeft het college SFF terecht aangemerkt als belanghebbende bij de primaire besluiten?
Belanghebbendheid algemeen
3.1.
De rechtbank is ambtshalve gehouden om vast te stellen of SFF belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 Awb Pro bij de op 12 en 21 november 2024 verleende vergunningen, omdat daartegen voor SFF op grond van de artikelen 7:1 en 8:1 Awb alleen dan bezwaar en beroep openstaat.
3.2.
Artikel 1:2 Awb Pro luidt – voor zover van belang – als volgt:
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. (…)
3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
3.3.
De wetgever heeft met een beperking van het belanghebbende-begrip willen voorkomen dat eenieder (in bezwaar en beroep) tegen elk besluit kan opkomen. Dat beroepsrecht staat alleen open voor personen die een objectief, persoonlijk, eigen, rechtstreeks en actueel bij het besluit betrokken belang hebben.
3.4.
Uit vaste rechtspraak over artikel 1:2, eerste lid, Awb volgt dat in het omgevingsrecht als belanghebbende natuurlijke personen bij een ruimtelijk besluit, zoals een vergunning om te bouwen, kunnen worden aangemerkt degenen die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervinden van een activiteit die het besluit toestaat. Daarbij geldt het criterium “gevolgen van enige betekenis” als correctie: als de gevolgen voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat van een in rechte te respecteren persoonlijk belang geen sprake is, is men toch geen belanghebbende. Factoren die hierbij een rol spelen zijn – voor zover het om een bouwactiviteit gaat - onder andere de afstand tot, het zicht op en de planologische uitstraling van de activiteit. [1] Bij een rechtspersoon is bij de toepassing van het eerste lid van artikel 1:2 Awb Pro ook van belang of het besluit dergelijke “persoonlijke belangen” van de rechtspersoon raakt.
3.5.
Uit artikel 1:2, derde lid, Awb volgt verder dat bij de beoordeling van de belanghebbendheid van een rechtspersoon (zoals een stichting) ook de doelstellingen en de feitelijke werkzaamheden samen in onderling verband gezien kunnen meebrengen dat de rechtspersoon belanghebbende is bij een besluit. [2]
Belanghebbendheid SFF
4.1.
SFF is geen belanghebbende bij de verleende vergunningen. Hieronder zet de rechtbank uiteen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
4.2.
In de (op 4 juli 2016 gewijzigde) statuten van SFF is in artikel 2 het Pro doel van SFF opgenomen. SFF stelt zich ten doel
“het behouden en verbeteren van de natuur, de leefomgeving, het milieu en de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in onder meer en met name Amsterdam Amstelland, gemeente Wijdemeren, gemeente Gooimeren, gemeente Weesp [3] en omstreken in het algemeen en de bescherming van de flora en fauna in vermelde gebieden en haar omgeving in het bijzonder en het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.”
In artikel 2, vierde lid, van de statuten is verder onder meer bepaald dat de stichting haar doel onder meer tracht te bereiken door:
de bescherming van in het wild levende dieren en beschermde flora en fauna.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank zien de feitelijke werkzaamheden van SFF slechts op de bescherming van flora en fauna, door onder meer informatie te verstrekken over flora en fauna, door daarover voorlichting te geven en door hulp en bescherming te bieden aan flora en fauna. Dit beeld wordt bevestigd door de activiteiten als genoemd op de website van SFF en door de – voor deze beoordeling relevante – door SFF overgelegde onderbouwing van haar feitelijke werkzaamheden in 2024. De feitelijke werkzaamheden die SFF in de voor de beoordeling relevante periode heeft verricht, bestaan dus uit het bevorderen van dat specifieke deel van de statutaire doelstelling van de SFF: de bescherming van de flora en fauna.
4.4.
Van een persoonlijk belang van SFF bij de vergunningen als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, Awb, zo is ook niet in geschil, is geen sprake. De rechtbank leidt uit de combinatie van de doelstellingen en de feitelijke werkzaamheden van SFF af dat zij alleen dan in het bijzonder in haar belangen wordt geraakt als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, Awb als de besluitvorming waartegen zij opkomt gevolgen kan hebben voor flora en fauna.
4.5.
Met de verleende omgevingsvergunningen is toestemming verleend om in afwijking van de ter plaatse geldende van het Omgevingsplan deel uitmakende bestemmingsplannen te bouwen op gronden die bestemd zijn voor de bouw van woningen, maar waarbij wordt afgeweken van de planregels voor wat betreft het maximaal aantal (in een van beide bestemmingsplangebieden) te bouwen woningen, de planregel die inhoudt dat op gronden bestemd voor “Waarde-archeologie 7” in beginsel geen gebouwen mogen worden gebouwd en de planregel die inhoudt dat op gronden met de bestemming woongebied ter plaatse van de “specifieke bouwaanduiding laan” een laan dient te worden gerealiseerd van tenminste 60 meter tussen de perceelsgrenzen van de woningen.
4.6.
De verleende vergunningen hebben aldus geen gevolgen voor SFF als bedoeld in overweging 4.3, omdat in beide ter plaatse geldende bestemmingsplannen woningbouw al is toegestaan. De gevolgen van het afwijken van het omgevingsplan voor de woningbouw voor de ter plaatse eventueel aanwezige flora en fauna vloeien dus niet zozeer voort uit de nu verleende vergunningen, maar uit de van toepassing zijnde (onherroepelijke) bestemmingsplannen. Bij de beoordeling of een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet komt een toetsing aan gevolgen voor flora en fauna ook niet aan de orde.
Dat hiervan met de ter beoordeling voorliggende omgevingsvergunningen wordt afgeweken maakt dit niet anders, omdat niet aannemelijk is geworden dat deze afwijkingen gevolgen hebben voor de flora en fauna op de gronden onder de gelding van de bestemmingsplannen “Bloemendalerpolder Weesp’ en “Bloemendalerpolder, voormalig grondgebied Muiden”.
4.7.
De rechtbank is daarom van oordeel dat SFF niet wordt geraakt in de belangen die zij in het bijzonder behartigt. Zij is daarom geen belanghebbende bij de bij primaire besluiten van 12 en 21 november 2024 verleende vergunningen. Het college heeft dit niet onderkend en heeft de bezwaren van SFF ten onrechte ontvankelijk geacht.

Conclusie en gevolgen

5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep gegrond. De rechtbank zal het besluit van 2 mei 2025 genomen op de bezwaren van SFF daarom vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, sub b, Awb zelf in de zaak te voorzien en zal de bezwaren van SFF tegen de op 12 en 21 november 2024 verleende vergunningen alsnog niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank bepaalt daarbij dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 2 mei 2025.
6. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten, reeds omdat niet is gesteld of gebleken dat SFF dergelijke kosten heeft gemaakt. Het in deze zaak door SFF betaalde griffierecht van € 385,- moet verweerder wel aan SFF vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 2 mei 2025 op de bezwaren van SFF;
  • voorziet zelf in de zaak en verklaart SFF niet-ontvankelijk in haar bezwaren gericht tegen de besluiten van 12 november 2024 en 21 november 2024;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 2 mei 2025;
  • bepaalt dat het college het door SFF betaalde griffierecht van € 385,- aan SFF vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Raad van State) van 19 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:169).
2.Zie onder meer de uitspraak van de Raad van State van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS: 2022:1907).
3.De gemeente Weesp is in 2022 opgegaan in de gemeente Amsterdam.