ECLI:NL:RVS:2022:169
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Helder
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing handhavingsverzoek tegen aanleg uitweg zonder omgevingsvergunning
Het geschil betreft een verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen het zonder omgevingsvergunning aanleggen van een uitweg vanaf het perceel van belanghebbende naar een toegangspad nabij een begraafplaats in Drechterland. Het college van burgemeester en wethouders wees dit verzoek af, waarna appellant bezwaar maakte en beroep instelde bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard.
Appellant stelde in hoger beroep dat het toegangspad een openbare weg is en dat het college had moeten handhaven op grond van artikel 2:12 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Belanghebbende betoogde dat appellant geen belanghebbende is omdat het toegangspad te ver van haar perceel ligt en zij geen zicht heeft op de uitweg. De Afdeling oordeelde dat appellant wel belanghebbende is vanwege de korte afstand en het gebruik van de uitweg door zwaar verkeer, maar dat artikel 2:12 APV Pro niet strekt tot bescherming van haar woon- en leefklimaat.
De Afdeling bevestigde dat het toegangspad geen openbare weg is in de zin van de Wegenwet en dat de weigeringsgronden voor een vergunning op grond van artikel 2:12 APV Pro zich beperken tot verkeersveiligheid, parkeerplaatsen en openbaar groen, niet tot woon- en leefklimaat. Daarom kan appellant zich niet op schending van deze norm beroepen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek bevestigd.