ECLI:NL:RBNHO:2026:66

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
HAA 25/5774
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening huurwoning sluiting op basis van Opiumwet

Op 7 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekers, een moeder en haar zoon, hebben bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de burgemeester van Haarlem om hun huurwoning te sluiten voor de duur van 12 maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De burgemeester had deze maatregel genomen na het aantreffen van een grote hoeveelheid softdrugs en materialen die duiden op drugshandel in de woning. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, omdat het bezwaar van verzoekers bij de huidige stand van zaken geen redelijke kans van slagen leek te hebben. De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was om tot sluiting over te gaan en dat de sluiting een geschikt, noodzakelijk en evenwichtig middel was om de doelen van de Opiumwet te bereiken. De voorzieningenrechter benadrukte dat de sluiting van de woning een ernstige inbreuk op de grondrechten van de bewoners met zich meebrengt, maar dat in dit geval de belangen van de burgemeester zwaarder wogen dan die van verzoekers. De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die de sluiting onevenredig maakten en dat verzoekers niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij niet in staat waren om tijdelijk onderdak te regelen. De uitspraak is openbaar gemaakt op 7 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/5774

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] en [verzoeker] , uit [plaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. S. Meijer),
en

de burgemeester van de gemeente Haarlem, de burgemeester

(gemachtigden: B. Hoos en J. Lubbers),

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Ymere, uit Haarlem, (de verhuurder)

(gemachtigden: B. Vermeulen en J. Roffelsen).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de beslissing van de burgemeester om de huurwoning van verzoekers te sluiten voor de duur van 12 maanden. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij hebben bezwaar gemaakt en verzoeken om een voorlopige voorziening.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat het bezwaar bij de huidige stand van zaken geen redelijke kans van slagen lijkt te hebben. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2.1.
Bij besluit van 5 december 2025 heeft de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet besloten de huurwoning van verzoekers aan [adres] in [plaats] met ingang van 16 december 2025 voor de duur van 12 maanden te sluiten. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Op verzoek van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester op 11 december 2025 laten weten bereid te zijn de sluiting op te schorten tot de tweede werkdag na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
2.3.
Op 19 december 2025 heeft de burgemeester met een verweerschrift gereageerd op het verzoek om voorlopige voorziening.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster [verzoekster] , samen met haar dochter [naam] , de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigden van de burgemeester en de gemachtigden van de verhuurder.

Totstandkoming van het besluit

3.1.
Verzoekers ( [verzoekster] , moeder en [verzoeker] , zoon) wonen in een huurwoning op [adres] in [plaats] .
3.2.
Naar aanleiding van een melding op 9 mei 2025 via Meld Misdaad Anoniem is de politie op 5 juni 2025 de woning van verzoekers binnengetreden. Van de bevindingen van het onderzoek is door de politie op 20 juni 2025 een rapportage opgemaakt. Deze is aan de burgemeester gestuurd.
3.3.
In deze rapportage is – onder meer – te lezen dat op zich op de zolder twee aan elkaar geschakelde ruimtes bevonden die duidelijk waren ingericht om voorgedraaide joints te produceren dan wel te vervaardigen. De politie zag in deze ruimtes benodigde materialen, verdovende middelen en een actieve productie van deze joints. Tevens zag de politie een vervuilde vloer met hasjresten en administratie over deze productie.
In de overige opslagruimte op de eerste verdieping heeft de politie verpakkingsmateriaal gevonden, waar restanten hennep in zaten. Ook zijn er sorteerbakken aangetroffen, waarop prijzen en soort stonden vermeld. Tevens zijn er twee digitale weegschalen aangetroffen. Alle verdovende middelen en relevante producten zijn in beslaggenomen.
Door de gehele woning zijn goederen aangetroffen die kunnen worden gekoppeld aan de productie van joints, bijvoorbeeld lege tabaksemmers en verpakkingen met hennepresten. Uit de aangetroffen administratie is gebleken dat verzoeker [verzoeker] al sinds 2019 hasj/hennep verkoopt en bezorgt.
De middelen zijn middels een voorlopige indicatieve test onderzocht. Hieruit kwam het volgende naar voren:
- Hennepgruis met een totaalgewicht van circa 2400 gram;
- Hasj (in blokken) met een totaal gewicht van circa 3750 gram;
- 1578 stuks voorgedraaide joints;
- Henneptoppen met een totaalgewicht van circa 64 gram;
- 24.500 stuks lege joints filters (cones);
- 122 stuks gripzakjes met een totaalgewicht van 550 gram hasj/wiet (mengsel);
- 65 stuks gripzakjes met totaalgewicht van circa 400 gram hasj;
- circa 200/300 lege tabaksemmers van 1 kg / € 482,- per stuk (niet in beslaggenomen).
Verzoeker [verzoeker] heeft verklaard dat de zolderruimte door hem gebruikt wordt.
De politie concludeert dat op 5 juni 2025 in de woning een (grote) handelshoeveelheid softdrugs aanwezig was en daarin (zeer) waarschijnlijk werd gehandeld. Op 18 juni 2025 is onderzoek gedaan naar bezit en handel in verdovende middelen. Hieruit is gebleken dat er mogelijk een druggerelateerde concurrentiepositie is en dat dit mogelijk veiligheidsrisico’s met zich mee kan brengen.
3.4.
Naar aanleiding van een verkeersovertreding/politiecontrole is op 25 september 2025 onderzoek gedaan door de politie naar verzoeker [verzoeker] . Hierbij zijn 40 voorgedraaide joints bij hem aangetroffen. Gelet op de bevindingen op 5 juni 2025 heeft de politie de woning van verzoekers op grond van artikel 9 van de Opiumwet op 25 september 2025 opnieuw betreden. Van het onderzoek is op 6 oktober 2025 een bestuurlijke rapportage opgemaakt. Deze is aan de burgemeester gestuurd.
3.5.
In deze rapportage is – onder meer – te lezen dat na overleg met de officier van justitie een rechter-commissaris de doorzoeking van de woning heeft geopend. Daarbij is met een speurhond gezocht naar verdovende middelen en het volgende aangetroffen:
Op de entree van de zolderverdieping trof de politie 4 emmers aan die gevuld waren met voorgedraaide joints. In de kamers van de zolderverdieping zijn diverse losse joints aangetroffen en een mengsel van hennep en tabak. Ook zag de politie diverse lege cones en conefillers/vulmachines. Deze worden gebruikt voor grootschalige productie. Ook zijn er op de zoldervloer veel restanten gevonden van tabak, hennep en/of hasj. Ook is op zolder een digitale weegschaal aangetroffen.
Verder zijn er op de zolderverdieping materialen aangetroffen die ter voorbereiding dienen van een hennepkwekerij.
Op de slaapkamer van verzoekster [verzoekster] zijn ook voorgedraaide joints gevonden. In de opslagkamer zijn door de speurhond enkele joints en stukjes hasj aangetroffen. Op de begane verdieping zag de politie een digitale weegschaal op tafel staan. De politie zag verzoekster [verzoekster] lopen met een emmer onder haar arm. Hier bleken voorgedraaide joints in te zitten. Hierover verklaarde zij dat dat haar eigen rokertjes waren.
Door de gehele woning werden goederen aangetroffen die kunnen worden gekoppeld aan de productie van joints. De politie kan concluderen dat er in de gehele woning diverse verdovende middelen zijn aangetroffen in verschillende hoeveelheden. Veel hiervan lagen in het zicht en waren vrij toegankelijk. Mede door de eerdere inbeslagname op 5 juni 2025 is het vrij aannemelijk dat alle ingeschreven personen kennis hadden van de verdovende middelen en strafbare zaken. Er zijn verder ook vier wapens (machete, kruisboog, survival mes en vilmes) aangetroffen, waarvan van één het bezit strafbaar is op grond van de Wet wapens en munitie.
De middelen zijn in beslag genomen gewogen en onderzocht. Hieruit is het volgende naar voren gekomen:
- mengsel tabak/hennep/hasj van circa 2100 gram;
- 3536 stuks voorgedraaide joints circa 3610 gram;
- hasj circa 60 gram, verdeeld in gripzakjes;
- circa 200/300 lege tabaksemmers à 1 kg/€482,- per stuk. Deze emmers geven een indicatie weer hoeveel tabak er is verbruikt bij het produceren van die joints;
- diverse ongebruikte sluitzakken naast de bank in de woonkamer. Enkele van deze sluitzakken zijn in de woning aangetroffen met verdovende middelen erin.
Verzoeker [verzoeker] heeft verklaard dat de zolderverdieping door hem gebruikt wordt, dat hij de joints produceert voor coffeeshops en dat hij zich verder beroept op zijn zwijgrecht.
De politie concludeert dat op 5 juni 2025 en 25 september 2025 in de woning een (grote) handelshoeveelheid softdrugs aanwezig was en daarin (zeer) waarschijnlijk werd gehandeld.
Verder wijst de rapporteur op verschillende meldingen van drugsgerelateerde overlast vanaf 1 januari 2023 tot 10 mei 2025 in de directe omgeving van de woning, op van de wijkagent verkregen informatie met betrekking tot de buurt en de ambtshalve bekende informatie over het noordelijke gedeelte van de Indische wijk.
3.6.
Op 15 oktober 2025 heeft de burgemeester verzoekers gewezen op de bevindingen uit voornoemde rapportages en het voornemen geuit om hun woning te gaan sluiten voor de duur van 12 maanden.
3.7.
Verzoekers hebben op 28 oktober 2025 hierop hun zienswijze gegeven. Zij stellen – samengevat – dat de sluiting in hun geval niet proportioneel is en onevenredig.
3.8.
De politie heeft op 13 november 2025 desgevraagd aanvullend gerapporteerd. Toegelicht is dat op 5 juni 2025 de woning met toestemming van de bewoner is binnengetreden, nadat door de politie het doel van het binnentreden mondeling is medegedeeld. Op 25 september 2025 is de woning betreden op grond van artikel 9 van de Opiumwet, met een schriftelijke machtiging van een hulpofficier van justitie.
3.9.
Op 5 december 2025 heeft de burgemeester het primaire besluit genomen. De burgemeester heeft bestuursdwang toegepast in de vorm van tijdelijke sluiting van de woning van verzoekers per 16 december 2025 voor de duur van 12 maanden. Hiertoe heeft de burgemeester – samengevat – als volgt overwogen.
- Volgens de burgemeester mogen de bevindingen van de politie aan de besluitvorming ten grondslag worden gelegd. Het bewijs is, mede gelet op de wijze van binnentreden, niet verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit niet mag worden gebruikt.
- De burgemeester acht zich gelet op de bevindingen van de politie zowel gelet op artikel 13b, eerste lid onder a als onder b, van de Opiumwet bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan. Er is (tot twee keer toe) ruimschoots meer dan 5 gram softdrugs aangetroffen en voorwerpen die zijn bestemd voor het telen van hennep als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet.
- Volgens de burgemeester heeft hij ook redelijkerwijs over mogen gaan tot sluiting van de woning. De sluiting is volgens de burgemeester evenredig.
Het is een geschikte maatregel om de doelen te bereiken. Met het sluiten van de woning wordt een onveilige situatie opgeheven. Ook wordt een zichtbaar signaal afgegeven. Met het enkele tijdsverloop worden deze doelen niet, dan wel onvoldoende behaald.
De sluiting is ook noodzakelijk. Volgens de burgemeester kon niet met een minder ingrijpend middel worden volstaan. Reden hiervoor is – samengevat – de ernst en de omvang van de overtreding, alsmede de recidive en de ligging van de woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk.
De sluiting acht de burgemeester ook evenwichtig. Hierbij heeft de burgemeester betrokken dat verzoekers een verwijt kan worden gemaakt. Dat de woning moet worden verlaten is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. Ook de omstandigheid dat de huurovereenkomst kan worden ontbonden waarna het lastiger zal zijn om een nieuwe (sociale) huurwoning te vinden, leidt de burgemeester niet tot een ander oordeel. Het verlies van de woning is het gevolg van eigen keuzes. De gevolgen hiervan konden worden voorzien. Verzoekers kunnen opkomen tegen de (buitengerechtelijke) ontbinding in de gerechtelijke procedure tot ontruiming. Van een bijzondere binding met de woning is niet gebleken. Verzoekster heeft geen nadere informatie verstrekt over haar gezondheid of financiële situatie die maken dat sprake is van een onevenredig besluit. De burgemeester licht toe dat verzoekers binnen hun eigen netwerk naar vervangende woonruimte kunnen zoeken, of kunnen zoeken naar tijdelijke woonruimte op een vakantiepark, via air bnb of booking.com. Tot slot kan contact opgenomen worden met de Brede Centrale Toegang, om de mogelijkheden voor tijdelijke huisvesting via de gemeente te onderzoeken. Verzoekers hebben (nog) niet aannemelijk gemaakt dat het onmogelijk is om zelf een tijdelijk onderkomen te organiseren.
- De burgemeester concludeert dan ook dat gelet op de ernst en de omvang van de overtreding het belang van een tijdelijke sluiting in dit geval groter is dan het belang van verzoekers bij het ongestoord uitoefenen van hun recht op het gebruik van de woning. Er zijn geen omstandigheden die moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die maken dat handelen overeenkomstig de beleidsregel onevenredige gevolgen heeft. Er is daarnaast sprake van recidive en feiten en omstandigheden die duiden op (langdurige) feitelijke (drugs)handel in of vanuit de woning, zodat een sluiting van 12 maanden ook niet onevenredig is. Er is geen aanleiding om af te zien van sluiting van het pand voor 12 maanden.

Bezwaar en verzoek om voorlopige voorziening

5.1.
Verzoekers stellen zich in bezwaar – samengevat – op het standpunt dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. De burgemeester is volgens verzoekers niet bevoegd om tot sluiting over te gaan. De woning is zonder machtiging tot binnentreden betreden. Daarmee is sprake van onrechtmatig verkregen bewijs en vervalt de grondslag voor de overtreding en daarmee de bevoegdheid van de burgemeester. Er is verder onvoldoende aannemelijk dat sprake is van drugs zoals bedoeld in artikel 13b, van de Opiumwet. Daarnaast is sluiting gelet op de inbeslagname van de goederen en het tijdsverloop geen geschikt middel (meer). Het doel van een herstelsanctie is al bereikt.
De sluiting is ook niet noodzakelijk. Er waren minder ingrijpende alternatieven beschikbaar, zoals een waarschuwing of een last onder dwangsom. Er is geen toeloop of handel vastgesteld, er zijn geen overlastmeldingen, de situatie is feitelijk beëindigd en verzoekers zijn bereid om mee te werken aan toezicht en voorwaarden. De sluiting is ook niet evenwichtig. Er is sprake van onevenredige gevolgen. Verzoekers wijzen op de in de zienswijze genoemde omstandigheden en op jurisprudentie waarin de persoonlijke omstandigheden zwaarder wogen dan de belangen tot sluiting [1] .
Desondanks tot woningsluiting overgaan maakt volgens verzoekers dat sprake is van misbruik van bevoegdheden.
5.2.
Verzoekers vragen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe leidt dat zij hun woning kunnen blijven gebruiken totdat op het bezwaar is beslist. Verzoekster dreigt dakloos te raken, woont al meer dan 30 jaar in de woning, heeft geen alternatieve woonruimte, de huurovereenkomst zal worden ontbonden en zij zal op een zwarte lijst geplaatst worden. Volgens verzoekers heeft hun bezwaar verder een redelijke kans van slagen. Ter zitting heeft verzoekster in aanvulling hierop verklaard dat zij verzoeker [verzoeker] direct na de politie-inval op 5 juni 2025 het huis uit heeft gezet. Zij heeft daarmee haar verantwoordelijkheden als huurder genomen. Als er al sprake van gevaar of kans op herhaling zou zijn is dat gelet hierop geweken. Te meer reden voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Standpunt van de burgemeester
6. De burgemeester blijft bij zijn standpunt dat hij bevoegd is om tot sluiting van de woning over te gaan en dat hij van deze bevoegdheid gebruik heeft mogen maken. De sluiting is geschikt, noodzakelijk en evenwichtig. In aanvulling op de overwegingen in het primaire besluit licht de burgemeester – onder verwijzing naar een (aanvullende) bestuurlijke rapportage van de politie van 17 december 2025 – toe dat inmiddels vast is komen te staan dat sprake was van softdrugs. Anders dan verzoekers stellen waren er verder wel degelijk indicaties die duiden op feitelijke handel in drugs in of vanuit de woning. Er kon, gelet op ernst en de omvang van de overtreding, niet worden volstaan met een minder ingrijpend middel zoals een waarschuwing of het opleggen van een last onder dwangsom. Er is nog steeds een actuele dreiging/kans op herhaling. Er is sprake van langdurige professionele handel. Daarbij komt dat in september 2025, nadat alles in juni 2025 in beslag is genomen, opnieuw grote hoeveelheden drugs zijn aangetroffen. Dat verzoekster [verzoekster] te goeder trouw was volgt de burgemeester niet. Het is vrij aannemelijk dat verzoekers kennis hadden van de aanwezigheid van de middelen en de strafbare zaken. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van het beleid moet worden afgeweken is volgens de burgemeester geen sprake. Sluiting prevaleert boven het belang van behoud van de woning.

Beoordeling van de voorzieningenrechter

7.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen aanleiding is om een voorlopige voorziening te treffen. Zij overweegt daartoe het volgende.
7.2.
Bij de vraag of er een voorlopige voorziening moet worden getroffen is allereerst van belang dat sprake is van een spoedeisend belang. Verder speelt bij de beoordeling de kans van slagen van het bezwaar van verzoekers een rol en dienen de belangen van de betrokken partijen hierbij te worden betrokken.
7.3.
Gelet op de omstandigheid dat de woning van verzoekers zonder het treffen van een voorlopige voorziening zal worden gesloten is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een voldoende spoedeisend belang.
7.4.
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar van verzoekers echter bij de huidige stand van zaken geen redelijke kans van slagen. Het besluit van de burgemeester om tot sluiting van de woning van verzoekers over te gaan lijkt vooralsnog stand te kunnen houden. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Bevoegdheid
8. Allereerst is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester de informatie die is verkregen van de politie aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Voor twijfel aan de juistheid van die bevindingen is vooralsnog geen aanleiding. Uit deze informatie volgt dat in de woning van verzoekers grote handelshoeveelheden softdrugs zijn aangetroffen. Deze drugs worden in beginsel mede bestemd geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Dat daar in dit geval een uitzondering op moet worden gemaakt hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt. Daarbij komt dat er, anders dan verzoekers stellen, ook attributen zijn aangetroffen die duiden op handel in drugs, zoals cones/conevullers, (lege)tabaksemmers, weegschalen, verpakkingsmaterialen en administratie. De burgemeester is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan.
Gebruikmaking van de bevoegdheid
9. De bestuursrechter toetst aan de hand van de beroepsgronden of de burgemeester tot zijn besluit heeft mogen komen. Gelet op de forse inbreuk die een woningsluiting kan maken op grondrechten van de bewoners, zal de evenredigheidstoetsing bij woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet doorgaans indringend zijn.
De evenredigheidsbeoordeling bestaat uit een beoordeling van geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid van het besluit.
Geschiktheid
10. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat de burgemeester navolgbaar heeft gemotiveerd dat de sluiting gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is. Voldoende gemotiveerd is dat de burgemeester de na te streven doelen met de sluiting (nog) kan bereiken.
Noodzaak
11. De burgemeester heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter verder op het standpunt mogen stellen dat sluiting van de woning noodzakelijk is en dat hij gelet op de beoogde doelen niet met een minder ingrijpend middel dan sluiting van de woning had kunnen volstaan. Daarbij heeft hij mogen betrekken dat het om een ruime hoeveelheid softdrugs gaat, dat in het geval van verzoeker sprake is van een langere periode van handel en recidive en dat het pand in een kwetsbare wijk ligt.
De ter zitting door verzoekster afgelegde verklaring dat verzoeker [verzoeker] door haar (direct op 5 juni 2025) uit de woning is gezet leidt vooralsnog, wat hier verder ook van zij, niet tot een ander oordeel. Verzoekster blijft ook in het geval van vertrek van haar zoon verantwoordelijk voor wat zich in haar woning afspeelt. Vast staat vervolgens dat op 25 september 2025 (opnieuw) grote hoeveelheden softdrugs en attributen die verband houden met handel zijn aangetroffen. Dit duidt op het wederom starten van, dan wel voortzetten van de eerder op 5 juni 2025 geconstateerde situatie. Dat, zoals verzoekster [verzoekster] stelt, de politie op 5 juni 2025 een en ander aan goederen, waaronder de aangetroffen voorgedraaide joints, ter plaatse zou hebben achtergelaten acht de voorzieningenrechter volstrekt onaannemelijk. Hierbij heeft gemachtigde van de burgemeester er ter zitting terecht op gewezen dat tijdens de tweede huiszoeking meer voorgedraaide joints zijn aangetroffen dan tijdens de eerste.
Evenwichtigheid
12.1.
Bij de vraag of de sluiting evenwichtig is kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn. De burgemeester moet bijvoorbeeld – onder meer – de mate van verwijtbaarheid van degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen en beoordelen in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Verder is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Bij dat laatste dient de burgemeester zich er rekenschap van te geven dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden.
12.2.
In wat verzoekers hebben aangevoerd ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat de sluiting in dit geval niet evenwichtig zou zijn. De burgemeester kan bij de huidige stand van zaken worden gevolgd in de ten aanzien hiervan verrichte belangenafweging. Dat verzoekster geen verwijt kan worden gemaakt volgt de voorzieningenrechter niet. Uit de bevindingen blijkt namelijk genoegzaam dat zij van de situatie op de hoogte was of in ieder geval had kunnen en moeten zijn. Van een bijzondere binding met de woning is vooralsnog niet gebleken. Verder is ter zitting verklaard dat verzoeker [verzoeker] inmiddels elders verblijft. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet terecht kan op een plek binnen haar eigen netwerk, zoals bij een van haar kinderen. De burgemeester heeft daarbij gewezen op de mogelijkheid van hulp via de BCT. Dat verzoekster desondanks niet in staat is om onderdak te regelen/te verkrijgen is niet voldoende aannemelijk gemaakt. Tot slot is door de verhuurder ter zitting verklaard dat van een zogenoemde zwarte lijst geen gebruik meer wordt gemaakt en dat verzoekster zich weer kan inschrijven bij woningnet.

Conclusie en gevolgen

13. Gelet op het voorgaande heeft het bezwaar vooralsnog geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Dat betekent dat de burgemeester bij ongewijzigde omstandigheden tot sluiting van de woning over mag gaan. Voor teruggave van het betaalde griffierecht of vergoeding van de door verzoekers gemaakte proceskosten is bij deze uitkomst geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922