ECLI:NL:RBNHO:2026:7004

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
HAA 25/4863
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PwArt. 48 PwArt. 51 Pw
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verlening bijzondere bijstand als lening voor woninginrichting en eerste verhuurnota

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de verlening van bijzondere bijstand aan eiser voor de kosten van woninginrichting en de eerste verhuurnota, waarbij het college de bijstand deels als geldlening heeft verstrekt. Eiser, die langdurig dakloos was en een uitkering ontvangt, betwist dat de bijstand als lening moest worden toegekend en stelt dat deze om niet had moeten worden verstrekt vanwege zijn bijzondere omstandigheden.

De rechtbank beoordeelt dat het college terecht twee afzonderlijke besluiten heeft genomen, gebaseerd op verschillende wetsartikelen van de Participatiewet. Voor de eerste verhuurnota is bijzondere bijstand toegekend als lening omdat huurkosten tot de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan behoren en uit het inkomen moeten worden voldaan. Voor de woninginrichting is eveneens een lening verstrekt, mede omdat eiser volgens het college in staat was te reserveren, ondanks zijn dakloosheid.

De rechtbank weegt mee dat eiser tijdens de aanvraagperiode een reis naar Marokko maakte en een bedrag opnam, wat de stelling dat hij niet kon reserveren onvoldoende onderbouwt. Ook is het standpunt van eiser dat de menselijke maat ontbreekt niet gevolgd. De rechtbank concludeert dat het college de bijzondere bijstand op juiste gronden als lening heeft toegekend. De beroepen worden ongegrond verklaard, maar het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat de bijzondere bijstand terecht als lening is verstrekt.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 25/4861 en HAA 25/4863

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] uit Haarlem, eiser

(gemachtigde: mr. J. Sprakel),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, het college
(gemachtigde: mr. S. Liefting).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening voor de kosten van woninginrichting en de kosten voor de betaling van de eerste verhuurnota. Eiser is het niet eens met deze besluiten voor zover de bijzondere bijstand is verstrekt in de vorm van een lening. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de besluiten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de bijzondere bijstand op de juiste gronden heeft toegekend in de vorm van een geldlening
.Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

HAA 25/4861
2. Bij besluit van 30 januari 2025 (besluit 1) heeft het college aan eiser bijzonder bijstand toegekend voor de kosten van de eerste verhuurnota in de vorm van een geldlening.
2.1.
Met het bestreden besluit van 23 september 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij besluit 1 gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
HAA 25/4863
3. Bij besluit van 30 januari 2025 (besluit 2) heeft het college aan eiser bijzondere bijstand toegekend voor de kosten van woninginrichting voor € 4.663,-. Daarvan is € 581,28 verstrekt in de vorm van een geldlening op grond van artikel 48, tweede lid, van de Participatiewet (PW) en € 2.421,72 verstrekt als geldlening op grond van artikel 51 van Pro de PW. Het resterende bedrag van € 1.660,- is om niet verstrekt.
3.1.
Met het bestreden besluit van 25 september 2025 op het bezwaar van eiser heeft het college besluit 2 herroepen. Het college heeft het juridische kader aangevuld en de grondslag verbeterd. Ook is de reserveringscapaciteit herberekend waardoor € 1.687,72 om niet wordt verstrekt.
3.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.3.
Het college heeft op 9 maart 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een gewijzigd besluit op bezwaar genomen waarbij het bestreden besluit van 23 september 2025 is ingetrokken. De aflossingscapaciteit is aangepast. Door de gewijzigde vaststelling wordt het bedrag voor bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting dat om niet wordt verstrekt verhoogd van € 1.687,72 naar € 1.944,76.
4. De rechtbank heeft de beroepen op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van de besluiten

5. Eiser was dakloos en ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en de Toeslagenwet. Op 21 januari 2025 heeft hij een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van de eerste verhuurnota à
€ 824,05 en voor de kosten van woninginrichting à € 6000,-. Eiser heeft bij zijn aanvraag een huurovereenkomst overgelegd waaruit blijkt dat hij met ingang van 28 januari 2025 een woning heeft gehuurd in Haarlem.
5.1.
Bij besluit 1 heeft het college de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van de eerste huur toegekend, omdat eiser extra kosten heeft door bijzondere omstandigheden. Het bedrag van € 824,05 wordt toegekend in de vorm van een geldlening.
5.2.
Bij besluit 2 heeft het college een bedrag van
€ 4.663,- aan bijzondere bijstand voor woninginrichting verstrekt. Van dit bedrag wordt
€ 581,28 verstrekt in de vorm van een verwijtbare lening. Verder wordt € 2.421,72 verstrekt als niet verwijtbare, renteloze lening. Het restant van € 1.660,- wordt om niet verstrekt.
5.3.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Bij beslissing op bezwaar van 23 september 2025 blijft het college bij het standpunt dat de bijzondere bijstand voor de kosten van de eerste verhuurnota als geldlening wordt verstrekt. Het college volgt daarin het advies van de Adviescommissie voor bezwaarschriften (de commissie), waarin is geoordeeld dat de eerste verhuurnota bestaat uit maandelijkse huurlasten die dienen te worden voldaan uit het maandelijks inkomen. Het zijn algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. In deze uitzonderlijke individuele situatie kunnen deze kosten op dit moment niet uit de aanwezige middelen worden voldaan. Indien eiser niet het volledige bedrag voor de eerste verhuurnota ontvangt, kan hij de eerste verhuurnota niet voldoen en verliest eiser de woning. Ter voorkoming van financiële problemen bij het betrekken van de woning is eiser ondersteund bij de betaling van de eerste verhuurnota. Het gaat om kosten die hij onder alle omstandigheden ook zou hebben moeten betalen. Daarbij kan het verstrekte bedrag in termijnen worden terugbetaald. De beoordeling van het verzoek om bijzondere bijstand voor de kosten van de eerste verhuurnota staat op zich en dus geheel los van de beoordeling van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting. Immers beide aanvragen zien op een verschillend feitenkader en een ander juridisch kader. In het bestreden besluit is op grond van artikel 48, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW een geldlening verstrekt voor de eerste verhuurnota.
5.4.
Bij beslissing op bezwaar van 25 september 2025 heeft het college besluit 2 herroepen. Het college heeft het besluit gebaseerd op het advies van de commissie. Aan de hand van de omstandigheden, middelen en mogelijkheden van eiser moet worden beoordeeld of er aanleiding bestaat om de bijstand voor de kosten van woninginrichting geheel of gedeeltelijk om niet te verlenen. Hiervoor moet worden beoordeeld of er bij eiser sprake is van reserveringscapaciteit en aflossingscapaciteit. In het inkomen, ook dat op bijstandsniveau is ruimte aanwezig voor reservering voor de kosten van woninginrichting en de aflossing op een lening om in de kosten te voorzien. Eiser had ook reserveringscapaciteit op zijn inkomen. De stelling dat dak- en thuislozen hogere uitgaven hebben en daarom minder zouden kunnen reserveren gaat niet op, omdat niet het bestedingspatroon ten grondslag ligt aan de berekening van de reserveringscapaciteit. Eiser had aldus kunnen reserveren voor de kosten van woninginrichting. De commissie constateert dat de reserveringscapaciteit onjuist is berekend. De daadwerkelijke reserveringscapaciteit is
€ 553,56 in plaats van € 581,28. Het bedrag dat om niet wordt verstrekt wordt daardoor verhoogd naar € 1.687,72.
Tijdens de beroepsprocedure heeft het college een gewijzigde beslissing op bezwaar van 9 maart 2025 genomen, omdat het college uit is gegaan van een onjuist inkomen waardoor de aflossingscapaciteit onjuist is vastgesteld. Door de gewijzigde vaststelling wordt het bedrag voor bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting dat om niet wordt verstrekt verhoogd van € 1.687,72 naar € 1.944,76.

Beoordeling door de rechtbank

6. De beroepen zijn gericht tegen de verlening door het college van bijzondere bijstand voor de eerste verhuurnota en de woninginrichting voor zover deze is verstrekt in de vorm van een lening.
6.1.
Voor het wettelijk kader verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak welke integraal onderdeel daarvan uitmaakt.
6.2.
Tussen partijen is in geschil de vraag of het college terecht de verleende bijzondere bijstand voor zowel de eerste huurbetaling als de wooninrichtingskosten heeft verstrekt in de vorm van een lening.
Daarbij geldt dat, anders dan eiser stelt, het college terecht twee besluiten heeft genomen, omdat die gebaseerd zijn op verschillende wetsartikelen. De aanvraag voor de huurkosten is beoordeeld op grond van artikel 48, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW. De kosten voor woninginrichting betreft bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW en artikel 51 van Pro de PW.
6.3.
Eiser heeft aangevoerd dat de bijzondere bijstand geheel als gift had moeten worden verstrekt en niet (deels) als lening. Hij heeft geen mogelijkheid gehad te reserveren voor deze kosten, omdat eiser langdurig dakloos was. Door de dakloosheid had eiser hogere kosten van bestaan waardoor hij niet heeft kunnen reserveren. De menselijke maat ontbreekt. Als iemand niet heeft kunnen reserveren, dan dient de bijzondere bijstand voor de eerste huurnota en de inrichtingskosten om niet te worden verstrekt. De langdurige dakloosheid en het niet kunnen reserveren is voldoende om van het beleid af te wijken, aldus eiser.
HAA 25/4861 (bijzondere bijstand voor eerste verhuurnota)
7. Niet in geschil dat de kosten waarvoor eiser bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich voordoen, noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. In geschil is de vraag of de bijzondere bijstand door het college mocht worden verstrekt in de vorm van een lening die moet worden terugbetaald dan wel of het college het bedrag om niet had moeten verstrekken (artikel 48, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW).
7.1.
Voorop staat dat huurkosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan en uit het inkomen moeten kunnen worden voldaan. Eiser ontving vóór en ten tijde van de aanvraag een WIA-uitkering met een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Ter zitting is verklaard dat eiser inmiddels huurtoeslag ontvangt. Huurkosten zijn maandelijks terugkerende kosten en gelet op zijn inkomen, kan eiser deze algemeen noodzakelijke bestaanskosten uit het eigen inkomen betalen. Eiser is geruime tijd dakloos geweest en stond lange tijd op de wachtlijst voor een huurwoning. In de situatie van eiser is vastgesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om bijzondere bijstand voor de eerste verhuurnota. Indien eiser niet het volledige bedrag van de eerste verhuurnota ontvangt, kan hij de verhuurnota niet betalen en verliest hij de woning. Er is dus sprake van een noodzakelijke verhuizing en van bijzondere omstandigheden.
De rechtbank kan volgen dat het college heeft geoordeeld dat het college eenmalig bijzondere bijstand voor de eerste verhuurnota verstrekt, maar wel in de vorm van een lening. Het college heeft daarmee voldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser.
HAA 25/4863 (bijzondere bijstand voor woninginrichting)
8. De rechtbank stelt vast dat het college tijdens de beroepsprocedure een gewijzigde beslissing op bezwaar van 9 maart 2025 heeft genomen, omdat het college uit is gegaan van een onjuist inkomen waardoor de aflossingscapaciteit onjuist is vastgesteld. Door de gewijzigde vaststelling wordt het bedrag voor bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting dat om niet wordt verstrekt verhoogd van € 1.687,72 naar € 1.944,76. Het college heeft bij het gewijzigde besluit op bezwaar het bestreden besluit van 23 september 2025 ingetrokken. De rechtbank stelt verder vast dat duidelijk in het besluit van 9 maart 2025 sprake is van een evidente verschrijving, waaraan in beroep geen consequenties hoeven te worden verbonden. Duidelijk is dat hier in plaats van 23 september 2025 moet worden gelezen 25 september 2025.
8.1.
Vervolgens geldt dat het beroep van rechtswege ook is gericht tegen het gewijzigde besluit op bezwaar van 9 maart 2025, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Eiser heeft aangegeven het niet eens te zijn met het gewijzigde besluit op bezwaar, omdat hij van mening is dat de bijzondere bijstand om niet verstrekt moet worden.
9. De aanvraag van eiser voor bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting is gebaseerd op artikel 35, eerste lid, van de Pw. Uit dit artikel volgt dat de aanvrager alleen recht heeft op bijzondere bijstand voor zover diegene niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm. Verhuis- en inrichtingskosten zijn incidentele algemene kosten van het bestaan, die in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau dienen te worden voldaan. Ook als voor het maken van deze kosten een objectieve noodzaak bestaat, kan daarvoor alleen bijzondere bijstand worden verleend als sprake is van bijzondere omstandigheden en de kosten niet uit het inkomen en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Of iemand voor de kosten heeft kunnen reserveren of de kosten via gespreide betaling achteraf kan voldoen, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. [1]
9.1.
In de situatie van eiser is vastgesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om bijzondere bijstand voor de woninginrichting toe te kennen, omdat eiser dakloos was en een nieuwe woning heeft verkregen. Hij beschikte niet over een woninginrichting. Gelet hierop is door het college vastgesteld dat sprake is van een noodzakelijke verhuizing en is sprake van een bijzondere omstandigheid. Dat is verder geen onderwerp van geschil.
9.2.
Het college heeft de inrichtingskosten toegekend in de vorm van een lening. Het college hanteert het beleid dat voor een woninginrichting de belanghebbende wordt geacht te reserveren voor de kosten. [2] Eiser heeft zijn stelling dat hij niet in staat was te reserveren omdat zijn bestaan als dakloze tot hoge kosten leidde, niet onderbouwd met feiten. De enkele stelling dat het leven als dakloze duur is, is daartoe onvoldoende. Daar komt bij dat het college heeft overwogen, dat eiser in de periode vlak voorafgaand aan de aanvraag (25 oktober 2024 tot en met 21 december 2024), wel in staat was naar Marokko te reizen en aldaar een bedrag van € 3205,16 heeft opgenomen. Eiser heeft dit onweersproken gelaten. Het college heeft er ook op gewezen dat eiser al lange tijd op de wachtlijst voor een woning stond.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op genoemde omstandigheden, het college terecht heeft geoordeeld dat eiser in staat was om te reserveren. De stelling dat een dakloze nimmer in staat zou zijn om te reserveren, kan niet worden gevolgd.
9.3.
Eiser heeft nog aangevoerd dat hij, doordat er twee besluiten zijn genomen, nu langere tijd zou moeten aflossen. De rechtbank is met het college van oordeel dat een dergelijk mogelijke situatie geen reden is om te oordelen dat de verleende bijzondere bijstand geheel om niet moet worden verstrekt. Het college heeft er ook op gewezen dat, indien komt vast te staan dat rekening houdend met de beslagvrije voet eiser niet meer in staat is om af te lossen, hij om kwijtschelding kan vragen. Los van het feit dat een dergelijk verzoek thans niet voorligt, ziet de rechtbank niet in waarom een mogelijke situatie op voorhand al moet worden beoordeeld. De enkele stelling van eiser ter zitting dat hij niet uitkomt met zijn inkomen is daartoe ook onvoldoende.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het college de bijzondere bijstand op de juiste gronden heeft toegekend in de vorm van een geldlening. Het college moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Dit omdat het college de beslissing op bezwaar in beroep heeft herroepen. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Boerrigter, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Artikel 35 eerste Pro lid, eerste volzin, van de Pw luidt: Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.
In artikel 48, eerste lid, van de PW is het uitgangspunt neergelegd dat de bijstand wordt verleend om niet. Het tweede lid bevat een opsomming van gevallen waarin de bijstand in de vorm van een geldlening kan worden verleend. Ingevolge artikel 48, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW kan bijstand worden verstrekt in de vorm van een geldlening of borgtocht indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn ten aanzien van de periode waarover hij bijstand vraagt alsnog voldoende middelen tot zijn beschikking krijgt.
Ingevolge artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW kan bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening indien de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
Artikel 51, eerste lid, van de Pw luidt:
1. Bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet.
2. Indien een geldlening als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, stemt het college de aflossingsbedragen en de duur van de aflossing mede af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

Voetnoten

1.ECLI:NL: CRVB:2019:3157.
2.Artikel 4 Beleidsregel Pro draagkracht bijzondere bijstand en minimabeleid 2020.