Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] uit Haarlem, eiser
Samenvatting
.Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Totstandkoming van de besluiten
€ 824,05 en voor de kosten van woninginrichting à € 6000,-. Eiser heeft bij zijn aanvraag een huurovereenkomst overgelegd waaruit blijkt dat hij met ingang van 28 januari 2025 een woning heeft gehuurd in Haarlem.
€ 4.663,- aan bijzondere bijstand voor woninginrichting verstrekt. Van dit bedrag wordt
€ 581,28 verstrekt in de vorm van een verwijtbare lening. Verder wordt € 2.421,72 verstrekt als niet verwijtbare, renteloze lening. Het restant van € 1.660,- wordt om niet verstrekt.
Beoordeling door de rechtbank
Daarbij geldt dat, anders dan eiser stelt, het college terecht twee besluiten heeft genomen, omdat die gebaseerd zijn op verschillende wetsartikelen. De aanvraag voor de huurkosten is beoordeeld op grond van artikel 48, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW. De kosten voor woninginrichting betreft bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW en artikel 51 van Pro de PW.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op genoemde omstandigheden, het college terecht heeft geoordeeld dat eiser in staat was om te reserveren. De stelling dat een dakloze nimmer in staat zou zijn om te reserveren, kan niet worden gevolgd.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart de beroepen ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.