ECLI:NL:RBNHO:2026:7009

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
HAA 25/3488
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Postma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:18 WajongArt. 3:56 Wajong
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering Wajong-uitkering wegens niet gemelde pgb-inkomsten

Eiser ontving naast zijn Wajong-uitkering inkomsten uit een persoonsgebonden budget (pgb) over de periode van 1 september 2021 tot en met 31 oktober 2022, welke hij niet aan het Uwv heeft gemeld. Het Uwv herzag daarop de uitkering en vorderde het te veel betaalde bedrag van €16.370,20 terug.

Eiser voerde aan dat hij slechts als administratief tussenpersoon fungeerde en de pgb-gelden volledig doorgestort werden naar zorgverleners, waardoor deze niet als inkomen zouden moeten worden beschouwd. De rechtbank oordeelde echter dat het Uwv terecht de pgb-inkomsten als inkomen heeft aangemerkt, omdat eiser onvoldoende bewijs leverde dat de gelden niet voor eigen gebruik zijn aangewend.

De rechtbank verwierp ook het beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien, omdat geen sprake was van ernstige benadeling of uitzonderlijke omstandigheden. Tevens werd een betalingsregeling met eiser getroffen. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor het besluit tot terugvordering in stand blijft.

Uitkomst: Het beroep van eiser is ongegrond verklaard en het besluit tot terugvordering van €16.370,20 blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3488

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Purmerend, eiser

(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen)
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: R. Roos).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de herziening van eisers uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) over de periode van 1 september 2021 tot en met 31 oktober 2022 en over de terugvordering van het over die periode te veel betaalde bedrag. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv met juistheid heeft geoordeeld dat eiser een te hoge uitkering heeft ontvangen op grond waarvan het Uwv een bedrag van € 16.370,03 van eiser terugvordert. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 3 maart 2025 (primaire besluit) heeft het Uwv de Wajong-uitkering van eiser herzien en vastgesteld dat eiser over de periode van 1 september 2021 tot en met 31 oktober 2022 een te hoge uitkering heeft ontvangen waardoor een bedrag van € 16.370,20 (bruto) wordt teruggevorderd.
2.1
Met het bestreden besluit van 19 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij het primaire besluit gebleven.
2.2
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3
Het Uwv heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.4
De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door mr. M. Berkel die de zaak waarneemt voor de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van het Uwv.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank dient te beoordelen of het Uwv op juiste gronden de Wajong-uitkering van eiser heeft herzien en het te veel betaalde bedrag heeft teruggevorderd.
3.1
Het Uwv heeft geconstateerd dat eiser in de periode van 1 september 2021 tot en met 31 oktober 2022 naast zijn Wajong-uitkering inkomsten heeft ontvangen vanuit een persoonsgebonden budget (pgb). Eiser heeft dit niet gemeld bij het Uwv. Hierdoor heeft eiser in totaal € 16.370,20 (bruto) te veel aan uitkering ontvangen. Dit heeft geleid tot de besluitvorming zoals hiervoor onder ‘procesverloop’ is weergegeven.
3.2
Eiser stelt zich op het standpunt dat deze bedragen ten onrechte als inkomen zijn aangemerkt. Eiser fungeert namelijk slechts als administratief tussenpersoon om de feitelijke zorgverleners van zijn zoon te betalen. De gelden zijn aantoonbaar volledig doorgestort naar derden en nooit door eiser aangewend voor persoonlijk gebruik. Daarmee is er volgens eiser geen grond om de uitkering te herzien en het hiervoor genoemde bedrag terug te vorderen.
3.3
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv met juistheid heeft besloten dat de door eiser ontvangen pgb-gelden in de geding zijnde periode als inkomen moeten worden beschouwd. De betreffende inkomsten en de hoogte daarvan volgen uit de polisadministratie. Volgens vaste rechtspraak mag het Uwv in beginsel uitgaan van gegevens uit de polisadministratie, tenzij de betrokkene aantoont dat deze gegevens onjuist zijn. [1] Eiser is daarin niet geslaagd. Als eiser de door hem beschreven betalingsconstructie had willen aantonen, had hij vollediger moeten zijn in zijn onderbouwing. Met bankafschriften over een periode van drie maanden (en niet over de gehele in geding zijnde periode) is niet aangetoond dat alle pgb-inkomsten onmiddellijk zijn overgemaakt naar de feitelijke zorgverleners van de zoon en door eiser nooit (gedeeltelijk) zijn aangewend voor eigen gebruik. Verder heeft eiser ondanks herhaalde verzoeken daartoe van het Uwv geen zorgovereenkomsten en facturen overgelegd. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom eiser dit niet heeft gedaan. Eventuele privacygevoelige informatie had hij niet hoeven delen of kunnen weglakken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank ook van oordeel dat het Uwv aan eiser ruimschoots gelegenheid heeft geboden bewijsstukken van zijn stelling te overleggen. Dat, zoals eiser betoogt, meer van het Uwv verwacht mocht worden, valt niet te volgen. Evenmin is gebleken dat er met het Uwv telefonisch contact is geweest over de gehanteerde betalingsconstructie en dat hiermee zou zijn ingestemd.
3.4
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het Uwv de pgb-inkomsten op juiste gronden heeft betrokken bij de herziening van eisers Wajong-uitkering.
3.5
Als uitgangspunt bij de beoordeling van de terugvordering geldt dat op grond van artikel 3:56, eerste lid, van de Wajong de uitkering, die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 3:18 onverschuldigd Pro is vertrekt, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv wordt teruggevorderd. Op grond van het zesde lid kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
3.6
Eiser beroept zich op het bestaan van dergelijk dringende redenen. Eiser wijst erop dat de terugvordering buitenproportioneel hard bij hem aankomt en niet in verhouding staat tot het doel van de regelgeving. De rechtbank volgt dat betoog niet en is van oordeel dat het Uwv alle relevante feiten en omstandigheden bij de besluitvorming heeft betrokken en met het bestreden besluit afdoende heeft gemotiveerd waarom er in het geval van eiser niet van terugvordering wordt afgezien. Van ernstige benadeling of een uitzonderlijke situatie is namelijk niet gebleken. Verder overweegt de rechtbank dat het Uwv gemotiveerd heeft aangegeven dat slechts over een periode van maximaal drie jaar wordt (herzien en) teruggevorderd om uitdrukking te geven aan de mogelijkheden die het Uwv had de te hoge uitkering eerder te ontdekken. Het betoog van eiser dat het Uwv het terug te vorderen bedrag onnodig heeft laten oplopen slaagt niet, omdat eiser zelf heeft verzuimd zijn inkomsten aan het Uwv door te geven. Tot slot is het Uwv inmiddels een betalingsregeling met eiser overeengekomen. Eiser betaalt sinds 1 juni 2025 maandelijks 50,00 euro af. Dit bedrag wordt ingehouden op zijn uitkering. Naar het oordeel van de rechtbank wordt hiermee voldoende rekening gehouden met eisers belangen en (financiële) positie.
3.7
Van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel waar eiser zich op beroept, is de rechtbank niet gebleken. Eiser heeft die stelling ook niet nader onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het Uwv het bestreden besluit op juiste gronden heeft genomen.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot terugvordering in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Postma, rechter, in aanwezigheid van M.H. Boomsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:763.