Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:7390

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
HAA 25/3126
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgevingArt. 8:69a AwbArt. 11.1 Omgevingsplan PurmerendBesluit activiteiten leefomgeving (Bal)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergunning voor 40 meter hoge vakwerkmast 5G in park Purmerend rechtmatig verleend

De zaak betreft een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Purmerend voor de bouw van een 40 meter hoge vakwerkmast voor mobiele telecommunicatie (5G) in het park Groengebied Purmerland nabij de wijk Weidevenne. Eisers, bewoners uit Purmerend, maakten bezwaar tegen de vergunning en stelden meerdere beroepsgronden aan, waaronder het ontbreken van een volwaardig participatietraject, belangenverstrengeling, onvoldoende onderbouwing van de noodzaak en locatiekeuze, visuele impact, en natuurbeschermingsaspecten.

De rechtbank oordeelt dat het college geen regels over participatie of inspraak heeft geschonden, aangezien geen participatieverordening van toepassing is en er wel degelijk enige participatie heeft plaatsgevonden. Het college mocht zich baseren op de door de vergunninghoudster aangeleverde onderbouwing, waaronder een dekkingskaart van KPN, zonder eigen onderzoek te verrichten. Eisers hebben onvoldoende bewijs geleverd om de juistheid van deze gegevens te betwisten.

Verder is het college niet verplicht alternatieve locaties te onderzoeken en heeft het voldoende gemotiveerd waarom uitbreiding van bestaande masten of lagere masten niet haalbaar zijn. De visuele impact van de mast is niet zodanig dat het woon- en leefklimaat van eisers wordt aangetast, mede gelet op de aanwezigheid van vergelijkbare hoogspanningsmasten in de omgeving. Ten aanzien van natuurbescherming geldt het relativiteitsvereiste, waardoor eisers zich niet kunnen beroepen op regels die niet specifiek hun belangen beschermen. Het college heeft ecologisch onderzoek verricht en passende voorschriften verbonden aan de vergunning om flora en fauna te beschermen.

De rechtbank concludeert dat het college de vergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen en verklaart het beroep ongegrond. Eisers krijgen geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de vakwerkmast wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3126

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026 in de zaak tussen

1. [eiser 1] ,

2. [eiser 2] ,

3. [eiser 3]

en
4. [eiser 4],
allen uit Purmerend, eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend, het college,
gemachtigde: mr. L.C. Dankbaar, ambtenaar ten stadhuize.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de besloten vennootschap
Althio I B.V.uit Utrecht,
vergunninghoudster,
gemachtigde: [naam 1] , in dienst van vergunninghoudster.

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het college heeft verleend voor een 40 meter hoge vakwerkmast voor mobiele telecommunicatie (5G) in het park Groengebied Purmerland nabij de wijk Weidevenne in Purmerend. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren een (groot) aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van (uitsluitend) deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de in bezwaar nog iets aangepaste vergunning de toetsing in rechte doorstaat.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de door eisers aangevoerde gronden niet in de weg staan aan de verlening van de omgevingsvergunning voor de vakwerkmast
.Zo heeft het college geen regels, voor zover al toepasselijk, geschonden over inspraak of participatie in de besluitvorming en is geen sprake van ontoelaatbare belangenverstrengeling ook al baseert het college zich op de onderbouwing die de vergunninghoudster heeft ingebracht. Verder is het college niet gehouden om nog andere, alternatieve locaties voor de vakwerkmast te onderzoeken. Het college heeft voorts kunnen oordelen dat de ruimtelijke uitstraling van de mast geen afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat van eisers en dus niet aan verlening van de vergunning in de weg staat. Daarnaast kunnen eisers zich vanwege het relativiteitsvereiste niet beroepen op regels over natuurbescherming, waardoor de daarover aangevoerde argumenten ook niet mee kunnen brengen dat de vergunning niet in stand kan blijven, nog daargelaten of die regels wel in de weg kunnen staan aan de verlening van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit omdat daarvoor een ander vergunningstelsel geldt. Kortom, de rechtbank komt tot het oordeel dat geldende regels of voorschriften niet zullen worden geschonden bij het vergunnen van de bouw van de mast op die plek en dat het college de vergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop en feiten

2.1.
Novec B.V. heeft bewoners, waaronder ook (enkele van de) eisers, in de wijk Weidevenne geïnformeerd over haar voornemen om op een plaats waar een mast van 40 meter hoogte volgens het omgevingsplan was toegestaan, een vakwerkmast voor mobiele telecommunicatie (5G) te bouwen nabij de wijk Weidevenne in Purmerend ter vervanging van dergelijke apparatuur voor 4G-netwerken in hoogspanningsmasten in de omgeving. Enkele bewoners zijn op een voorlichtingsbijeenkomst nader geïnformeerd. Naar aanleiding van opmerkingen van die bewoners heeft Novec B.V. een andere plek voor de mast gekozen, verder weg van de dichtstbijzijnde bebouwing in Weidevenne.
2.2.
Op 12 november 2024 heeft Novec B.V. de aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van de vakwerkmast die 40 meter hoog moet worden op een fundament van 8 bij 6 meter. De mast is voorzien op gemeentegrond in het (recreatie)park Groengebied Purmerland. In het park staan (ook) om de plek waar de mast is voorzien, hoge bomen. De gemeente gaat de grond aan de vergunninghouder verhuren. De afstand tot de dichtstbijzijnde woning in de wijk Weidevenne bedraagt 195 meter. Het park grenst aan gebied behorend tot het Natuurnetwerk Nederland, maar maakt daar geen deel van uit. Het park is ook geen onderdeel van een Natura-2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske ligt vanuit Weidevenne gezien achter het recreatiepark en achter de voor de mast voorziene plaats op ten minste enkele kilometers afstand.
2.3.
Als (tijdelijk) onderdeel van het omgevingsplan is in Bestemmingsplan Weidevenne 2012 (hierna: het bestemmingsplan) geregeld welke bestemming ter plaatse is toegestaan. Die bestemming is: “Recreatie”. Een mast voor telecommunicatie (van 40 meter hoog) is volgens het bestemmingsplan daar niet toegestaan.
2.4.
In dat park staan ook 38,5 meter hoge hoogspanningsleidingsmasten en over het park loopt ook een hoogspanningsleiding. De vakwerkmast is vanuit de woonwijk Weidevenne gezien voorzien achter de hoogspanningsleidingmasten en de hoogspanningsleidingen.
2.5.
Op 6 januari 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend aan Novec B.V. voor de realisatie van een vakwerkmast op de zuidwestelijke hoek van het perceel Weidevenne in Purmerend. Met de vergunning is een buitenplanse omgevingsplanactiviteit vergund die bouwen op en gebruiken van de grond voor de mast in afwijking van het bestemmingsplan mogelijk maakt.
2.6.
De activiteiten van Novec B.V. zijn overgenomen door Althio I B.V. De vergunning is op die vennootschap overgegaan.
2.7.
Eisers hebben tegen de vergunning bezwaar gemaakt.
2.8.
Met het bestreden besluit van 19 juni 2025 op het bezwaar van – onder anderen – eisers is het college bij de verlening van de omgevingsvergunning gebleven, zij het dat een aantal voorschriften over bescherming van flora en fauna – tijdens de bouw – zijn aangepast en de maximale hoogte van de mast alsnog in een voorschrift is opgenomen. In bezwaar heeft het college het primaire besluit uitgebreid nader toegelicht. De stadsecoloog heeft in een memo toegelicht welke (beschermde) dieren ter plaatse al dan niet voorkomen en welke gevolgen hij verwacht voor ter plaatse (mogelijk) levende (beschermde) dieren.
2.9.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.10.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.11.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers, de gemachtigde van het college, vergezeld door ma. [naam 2] , eveneens ambtenaar in dienst van de gemeente, en de gemachtigde van vergunninghoudster deelgenomen.
2.12.
Zoals ter zitting afgesproken, heeft de gemachtigde van vergunninghoudster na de zitting een toereikende machtiging en een toelichting op de overgang van de activiteiten op de vergunninghoudster ingezonden.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Het college wijst er in het bestreden besluit op dat de vakwerkmast niet past in de geldende bestemming “Recreatie”. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet met toepassing van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op grond van dit laatste artikel kan de omgevingsvergunning alleen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (hierna: “etfal”). Naar de mening van het college wordt hieraan in het onderhavige geval voldaan waardoor de omgevingsvergunning kan worden verleend. Het college overweegt dat naar aanleiding van het participatietraject is besloten de vakwerkmast te vergunnen op een locatie die minder dichtbij de omliggende woningen is gelegen en waarbij de mast deels verscholen gaat achter de bomen in het park met recreatieterreinen. Naar aanleiding van de bezwaren van, onder andere, eisers heeft het college voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die inhouden dat vergunninghoudster de bouwwerkzaamheden uitvoert buiten het broedseizoen, dat de leefomgeving van de waterspitsmuis beschermd wordt, dat er zo min mogelijk planten worden beschadigd bij de bouwwerkzaamheden en dat de totale hoogte van de vakwerkmast niet hoger wordt dat 40 meter.
Overzicht beroepsgronden en boordelingskader, waaronder de evenwichtige toedeling van functies aan locaties
4.1.
Eisers voeren in beroep verschillende argumenten aan waarom de omgevingsvergunning volgens hen niet verleend had mogen worden. Deze argumenten zien met name op de noodzaak tot het in deze omgeving plaatsen en de locatie van de vakwerkmast, (gestelde) belangverstrengeling omdat het college zich in de besluitvorming baseert op de informatie aangedragen door de vergunninghoudster, de visuele impact van de mast op de woonwijk, nadelige effecten van de mast op natuurgebieden en de verstoring van mogelijk aanwezige beschermde diersoorten in het plangebied.
4.2.
Een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet) om daarmee af te mogen wijken van het geldende omgevingsplan/bestemmingsplan, kan, zoals reeds overwogen, volgens artikel 8.0a, tweede lid, Bkl alleen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit geval heeft de vergunninghouder een vergunning nodig voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit omdat de vakwerkmast niet past binnen de bestemming ‘Recreatie’ die ter plaatse geldt op grond van het bestemmingsplan ‘Weidevenne 2012’, als tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Purmerend, (hierna kortweg: het bestemmingsplan). [1] Als het college de afwijking wil vergunnen, dan geldt in het algemeen dat het college een zekere beoordelingsvrijheid heeft bij het beantwoorden van de vraag welke feiten en omstandigheden zich voordoen met betrekking tot de gewenste activiteit op deze plaats, voor zover dat geen harde feiten of omstandigheden zijn, en of de activiteit daar past met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Als dit het geval is, heeft het college beleidsvrijheid om de verzochte omgevingsvergunning al dan niet te verlenen. Daartoe moet het college de aan de orde zijnde belangen in kaart brengen en afwegen. Voor zover het college zich in deze beoordelingen op (harde) feiten beroept en eisers die betwisten, toetst de rechtbank die vaststelling integraal. Als het vervolgens aankomt op de vraag welke feiten en omstandigheden relevant zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient de rechtbank enige beoordelingsruimte aan het college te laten. Voor zover het daarna aankomt op de beleidsvrijheid van het college om al dan aan de gevraagde afwijking mee te werken, kan de rechtbank de afweging van het college niet anders dan terughoudend toetsen, wat wil zeggen dat alleen bij een niet draagkrachtige motivering het besluit op dit punt niet in stand kan blijven. Bij de laatste afweging door het college is een integrale afweging aan de orde.
4.3.
De rechtbank zal hieronder afzonderlijk ingaan op de door eisers aangevoerde gronden. Daarbij zal worden bezien of de door het college vastgestelde relevante en thans betwiste feiten juist zijn, er terecht is aangevoerd dat er strijd is met enige regel, of het college heeft kunnen oordelen dat er – voor zover van toepassing en betwist – sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en of de belangenafweging, voor zover bestreden, de toets in rechte kan doorstaan.
4.4.
Op het voorgaande geldt wel een belangrijke uitzondering. Op grond van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mag de rechtbank het besluit niet vernietigen op de grond dat sprake zou zijn van strijd met een regel, als die regel niet strekt ter bescherming van degene die zich daar op beroept. Dat betekent dat, als eisers zich beroepen op een rechtsregel die niet geldt ter bescherming van hun belangen, de beroepsgrond moet worden gepasseerd. Dat wordt het relativiteitsvereiste genoemd.
Is er voldoende aan participatie gedaan?
5. Eisers voeren aan dat het college en vergunninghoudster geen volwaardig participatietraject hebben georganiseerd. Eisers wijzen erop dat de vergunninghoudster wel een bijeenkomst met enige buurtbewoners heeft georganiseerd, maar zij hebben het gevoel dat het besluit toen al genomen was waardoor zij geen invloed meer hebben gehad op de besluitvorming. De participatie die heeft plaatsgevonden kan daarom, aldus eisers, ook niet worden gezien als instemming van de wijk met de plaatsing van de mast. De zorgen van eisers zijn niet weggenomen door het bijwonen van de bijeenkomst of het verbinden van de voorschriften aan de omgevingsvergunning naar aanleiding van hun bezwaar.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het uitgangspunt onder de Omgevingswet is dat het doorlopen van een participatietraject vrijwillig en vormvrij is. Dit is pas anders indien in de desbetreffende gemeente een participatieverordening geldt waarin is vastgelegd hoe en wanneer belanghebbenden kunnen of moeten worden betrokken bij besluitvorming van bijvoorbeeld het college. Tussen partijen is niet in geschil dat in dit geval geen participatieverordening van toepassing is. Dit betekent dat in het onderhavige geval geen regels zijn vastgesteld waaruit volgt dat of hoe een participatietraject moet worden doorlopen. Zodoende kunnen er ook geen regels over participatie of inspraak zijn overtreden waardoor er op dit punt geen aanleiding bestaat om het bestreden besluit te vernietigen. Overigens heeft er – zo is ter zitting ook vastgesteld – weldegelijk enige vorm van participatie plaatsgevonden. Zo heeft vergunninghoudster op verzoek van het college brieven gestuurd aan omwonenden waarin het project is aangekondigd en is – zo bleek ter zitting – naar aanleiding van de reacties op deze brieven een bijeenkomst georganiseerd. Naar aanleiding van deze bijeenkomst is de locatie van de vakwerkmast gewijzigd, zodat niet kan worden gezegd dat bewoners geen invloed hebben gehad op het project. Dat hiermee niet volledig aan de thans nog levende bezwaren van eisers is tegemoet gekomen en dat de omgevingsvergunning desalniettemin is verleend, maakt niet dat er – in strijd met de wet – geen participatie heeft plaatsgevonden en de vergunning in strijd met de wet zou zijn verleend.
Is er sprake van belangenverstrengeling omdat het besluit van het college berust op onderbouwing die is aangeleverd door de vergunninghoudster?
6. Het college baseert de noodzaak van de vakwerkmast op een dekkingskaart van KPN. Volgens het college volgt daaruit dat de 5G-dekking in de omgeving van de mast van onvoldoende gewenst niveau is. Eisers hebben erop gewezen dat KPN het moederbedrijf is van vergunninghoudster waardoor zij twijfelen aan de juistheid van de gegevens in die kaart. Eisers stellen zich op het standpunt dat het college, gelet op het bovenstaande, niet onafhankelijk en kritisch genoeg heeft gekeken naar de onderbouwing van de aanvraag en daarmee aan de noodzaak om de bouw van de mast op die plaats mogelijk te maken.
6.1.
De rechtbank wijst erop dat het niet ongebruikelijk is dat een aanvrager van een omgevingsvergunning zelf de onderbouwing daarvoor aanlevert. Sterker, de hoofdregel van bewijsrecht in het bestuursrecht is dat een aanvrager van een vergunning de voor vergunningverlening noodzakelijke feiten en omstandigheden moet stellen en zonodig bewijzen. Het is vervolgens aan het college om deze onderbouwing op aannemelijkheid te toetsen. Deze gang van zaken is niet in strijd met de wet. Dit betekent ook niet dat het college, als het geen aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van de aangeleverde gegevens, verplicht is eigenhandig onderzoek te doen naar de vraag of de huidige 4G- of 5G-dekking noopt tot de plaatsing van een nieuwe vakwerkmast, zoals eisers stellen. Het college heeft in dit geval geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de dekkingskaart. Als eisers toch van mening zijn dat de door vergunninghoudster of KPN aangedragen onderbouwing niet deugt, is het vervolgens aan hen om hun stellingen met bewijs te onderbouwen. In het concrete geval hebben eisers met hun niet nader overtuigend onderbouwde stellingen geen aanknopingspunten geboden om te twijfelen aan de juistheid van de door het college aangehaalde dekkingskaart van KPN. Dat eisers aanvoeren, dat bewoners in de wijk stellen dat hun telefoons en internet wel werken, is onvoldoende om te twijfelen aan de gegevens in de dekkingskaart van KPN, omdat mag worden aangenomen dat die kaart met bij KPN aanwezige deskundigheid is opgesteld. Dat KPN ook belang heeft bij gebruik van het netwerk, zoals eisers aanvoeren, is onvoldoende reden om aan de juistheid van de gegevens in de dekkingskaart te twijfelen, al was het maar omdat niet valt in te zien, dat KPN grote investeringen zou willen plegen, als daar geen enkele aanleiding voor zou zijn.
Is de plaatsing van de vakwerkmast op deze plek noodzakelijk?
7. In het verlengde van de vorige beroepsgrond voeren eisers aan dat de noodzaak van de plaatsing van de vakwerkmast op deze locatie onvoldoende onderbouwd is met de dekkingskaart van KPN. Eisers wijzen erop dat zij en andere omwonenden geen problemen ervaren met hun 4G- of 5G-verbinding. Verder voeren eisers aan dat het college niet kritisch heeft gekeken naar alternatieve locaties. Ook heeft het college volgens eisers niet onderbouwd dat er geen uitbreiding mogelijk is van de reeds bestaande zend- of elektriciteitsmasten in de omgeving of waarom het geen optie zou zijn om een vakwerkmast van 20-25 meter hoogte te plaatsen in plaats van een mast van 40 meter hoog.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De noodzaak om een gewenste wijziging van het omgevingsplan mogelijk te maken, kan relevant zijn bij de ruimtelijke beoordeling, namelijk in de belangenafweging die college maakt alvorens tot al niet verlenen van medewerking aan de afwijking van het omgevingsplan. Bij de beoordeling of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan het college betrekken of er noodzaak bestaat tot afwijking van het omgevingsplan. Het college heeft vergunninghoudster daarom gevraagd om de noodzaak te onderbouwen en de daartoe ingebrachte dekkingskaart van KPN voldoende geacht. Zoals gezegd hebben eisers de juistheid van de kaart en dus de noodzaak om een nieuwe zendlocatie te creëren wel betwist maar dit niet toereikend onderbouwd. De enkele stelling dat er geen noodzaak zou zijn, is zodoende geen grond om het bestreden besluit te vernietigen. Daarnaast mag het college wel in overleg treden met een aanvrager over de wenselijkheid van een bepaald project op een bepaalde plaats, maar is het college niet verplicht om alternatieve mogelijkheden aan te dragen en te beoordelen. Dit volgt immers niet uit de wet. Het college is in beginsel gehouden om te beslissen op de aanvraag en het bouwplan zoals dat is ingediend en kan zijn beoordeling daar dan ook toe beperken. Verder geldt dat, als een project op een bepaalde plek op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot het onthouden van medewerking dwingt, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van één of meerdere alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. [2] Eisers hebben hun stelling dat er een dergelijk alternatief is, echter niet aannemelijk gemaakt. Daarbij weegt mee dat het college met de door vergunninghoudster aangedragen gegevens en in het besluit op bezwaar uitgebreid toegelichte omstandigheden genoegzaam heeft onderbouwd waarom het niet mogelijk of voldoende is om reeds bestaande zend- of elektriciteitsmasten in de nabijheid uit te breiden of waarom het geen optie zou zijn om een vakwerkmast van 20-25 meter hoogte te plaatsen. Zo is met name gebleken dat geen van de particuliere eigenaren in Weidevenne – ook eisers niet – mee wil werken aan het plaatsen van een hoge zendmast op zijn gebouw in Weidevenne.
De ruimtelijke uitstraling van de vakwerkmast
8. Eisers voeren verder aan dat de vakwerkmast grote visuele impact heeft op hun woonwijk. Volgens eisers zal de mast zichtbaar zijn bij het binnenrijden van de wijk en zullen zij vanuit de wijk permanent uitzicht hebben op de mast.
8.1.
Het feit dat er vanaf de woonwijk van eisers zicht is op de vakwerkmast hoeft voor het college niet zonder meer reden te vormen om de omgevingsvergunning niet te verlenen. Dit betreft een afweging die het college moet maken in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij heeft het college enige beoordelingsruimte. De rechtbank kan wel toetsen of het college bij deze afweging is uitgegaan van het juiste feitencomplex. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat de door het college betrokken feiten onjuist zijn. De rechtbank wijst erop dat de voorstelling van het uitzicht op de vakwerkmast zoals afgebeeld in het beroepschrift van eisers in ieder geval niet klopt. Het college heeft er voorts terecht op gewezen dat de reeds aanwezige hoogspanningsmasten in de omgeving zelf al 38,5 meter hoog zijn, waardoor de verder weg gelegen vakwerkmast vanaf de Suezweg in ieder geval niet prominenter zichtbaar zal zijn dan de hoogspanningsmast. Ook is niet aannemelijk dat er vanaf de Port Saidweg direct zicht is op de wijze als eisers in hun beroepschrift suggereren, omdat de vakwerkmast – zo bleek ter zitting – niet in het verlengde van deze weg moet komen te staan. Gelet op het feit dat ook de hoogspanningsmasten in de nabijheid in hetzelfde recreatiegebied door de omliggende beplanting niet zeer zichtbaar zijn vanaf de Port Saidweg (zo blijkt uit de door eisers overgelegde foto’s) en het feit dat de vakwerkmast slechts anderhalve meter hoger zal worden, is niet aannemelijk dat de mast een dusdanige afbreuk doet aan hun woon- en leefklimaat dat het college daarom van vergunningverlening had moeten afzien. Overigens heeft het college daarbij ook enige beoordelings- en beleidsvrijheid. Niet valt in te zien dat de – enkele – mogelijke visuele impact het college van vergunningverlening had moeten weerhouden. Ten aanzien van het door eisers nog aangehaalde zicht op de vakwerkmast vanaf het ten zuiden gelegen agrarische en/of groengebied, dat wil zeggen vanuit Wijdewormer of Purmerland, overweegt dat rechtbank dat eisers vanwege het relativiteitsvereiste hierop geen beroep kunnen doen. Als een dergelijk argument al een verplichte rol zou moeten spelen in de afweging van het college, zou dat geen regel zijn die strekt tot bescherming van belangen van eisers, die immers niet aan die zijde van de voorgenomen plaatsing van de mast woonachtig zijn.
Natuurtoestemmingen en het relativiteitsvereiste
9. Eisers voeren verder aan dat er geen aantoonbare omgevingswaarde-toets is gedaan conform de Omgevingswet. Volgens eisers heeft de plaatsing van een 40 meter hoge mast onevenredige gevolgen voor de natuur, waaronder het nabij gelegen Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Eisers wijzen hierbij op de mogelijke effecten van EMV-straling op flora en fauna en het feit dat het college zich ten aanzien van deze impact baseert op onderzoeken van meerdere jaren geleden. Verder is de omgevingsvergunning verleend in strijd met de Nota Ecologie 2025 – 2030 die door de gemeente is vastgesteld. Volgens eisers staat het plaatsen van de vakwerkmast haaks op verschillende voornemens uit de Nota die juist zijn gericht op het creëren van natuurvriendelijke oevers en het omvormen van onnodige verharding naar groen. Eisers kunnen zich ook niet vinden in het in bezwaar ingebrachte advies van de ecoloog van de gemeente. Volgens dit advies is de aanwezigheid van de Noordse woelmuis in het plangebied niet vastgesteld terwijl uit de FloraFaunaCheck van de gemeente blijkt dat de vergunde locatie weldegelijk deel uit maakt van functioneel leefgebied van deze soort. Hetzelfde geldt voor andere beschermde diersoorten zoals de waterspitsmuis, de meervleermuis en de watervleermuis. Op grond hiervan had het college ook een melding moeten maken van een flora- en fauna-activiteit. De rechtbank begrijpt het standpunt van eisers aldus, dat om deze redenen de vergunning niet mag worden verleend.
9.1.
Deze beroepsgronden kunnen niet slagen, omdat de bestuursrechter een besluit niet mag vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die zich daar op beroept (het relativiteitsvereiste). Met hun beroepsgrond over de onevenredige gevolgen voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden, beroepen eisers zich op bepalingen in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) over natuurbescherming. Deze bepalingen over de beoordeling van projecten en andere handelingen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, zijn in de wet opgenomen ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Het behoud van die natuurwaarden betreft een algemeen belang, waarvoor niet elke individuele burger kan opkomen, omdat dan sprake zou zijn van een actio popularis en de wetgever niet heeft bedoeld het opkomen voor dergelijke algemene belangen door middel van een rechtsgang voor elke persoon in Nederland open te stellen. Desondanks kunnen (soms) individuele belangen van natuurlijke personen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven zijn met het algemene belang dat de Omgevingswet voor wat betreft natuur beoogt te beschermen, dat de betrokken normen van de Omgevingswet en het Bal kennelijk mede strekken tot bescherming van hun belangen. [3] In het onderhavige geval is dat niet het geval omdat eisers op aanzienlijke afstand wonen van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, te weten: Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske, dat wil zeggen in ieder geval meer dan 400 meter daar vandaan en er tussen hun woningen en die gebieden gronden met andere (agrarische) bestemmingen – waaronder het recreatiepark – zijn gelegen. Bij zo’n grote afstand kan geen verwevenheid worden aangenomen tussen de individuele belangen van eisers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving en het algemene belang bij natuurbescherming dat de bepalingen in de Omgevingswet en het Bal beogen te beschermen. Het relativiteitsvereiste staat, zelfs als er van een ontoelaatbare inbreuk op die natuurbelangen sprake zou zijn, dus in de weg aan vernietiging van de omgevingsvergunning op deze grond. Ook voor (provinciale) regels die mogelijk zien op bescherming van Natuurnetwerk Nederland geldt, nog daargelaten dat eisers er niet op hebben gewezen welke van die regels aan vergunningverlening in de weg zouden staan, terwijl de mast niet is voorzien in daarvoor aangewezen gebieden, dat eisers daarop vanwege het relativiteitsvereiste geen beroep toekomt.
9.2.
Hetzelfde geldt ten aanzien van de gronden die eisers aanvoeren ten aanzien van beschermde diersoorten zoals de Noordse woelmuis, de waterspitsmuis, de meervleermuis en de watervleermuis. De regelgeving hierover ziet op het beschermen van beschermde diersoorten en dient dus niet ter bescherming van de belangen van eisers. Daarbij is niet gebleken dat aantasting van leefgebied rond de voorziene plaats van de mast aantasting van de directe leefomgeving van eisers zou meebrengen, nu zij meer dan 200 meter van de voor de mast voorziene plaats en daar mogelijk in de buurt voorkomende beschermde dieren wonen. Ten aanzien van het beroep van eisers op de Nota Ecologie 2025 – 2030 overweegt dat rechtbank dat deze nota geen verplichtingen bevat, waardoor niet valt in te zien dat het college in strijd met deze nota heeft gehandeld door de onderhavige omgevingsvergunning te verlenen. Uit de nota volgt immers niet dat er helemaal geen ruimtelijke ontwikkelingen kunnen plaatsvinden die mogelijke effecten hebben op de ecologie. Het college heeft in het onderhavige geval uitvoering gegeven aan de Nota door ecologisch onderzoek te verrichten alvorens de omgevingsvergunning te verlenen. Het college heeft in zijn belangenafweging dus kunnen constateren dat de gevolgen voor de natuur dusdanig beperkt zijn dat deze zich niet verzetten tegen de vergunningverlening.
De feitelijke plaatsing van de vakwerkmast
10. Eisers stellen tot slot dat zij vrezen dat het voor vergunninghoudster onmogelijk is om de voorschriften die aan de omgevingsvergunning zijn verbonden na te leven. Eisers stellen dat het leefgebied van de waterspitsmuis hoe dan ook zal worden verstoord, ongeacht het voorschrift om dit te voorkomen. Ook stellen eisers dat het onmogelijk is om te voorkomen dat planten beschadigd zullen worden bij het plaatsen van de mast aangezien het plangebied niet te bereiken is met zwaar materieel en er geen toegangsweg is. Ook dit zal volgens eisers het leefgebied van beschermde soorten aantasten en verstoren.
10.1.
Het college heeft voorschriften verbonden aan de omgevingsvergunning om tegemoet te komen aan de bezwaren van eisers. Daarnaast gelden er algemene regels voor het bouwen van de mast. Deze zijn te vinden in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Voorts gelden de natuurbeschermingsregel uit het Bal. Vergunninghoudster is verplicht zich aan deze regels te houden. De stelling dat deze regels tijdens de bouwfase mogelijke worden overtreden, maakt niet dat het toestaan van de mast op de voorgenomen plaats niet in overeenstemming zou zijn met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ook deze stellingen vormen dus geen grond voor de conclusie dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren.

Conclusie en gevolgen

11. Hetgeen eisers hebben aangevoerd, leidt dus niet tot de conclusie dat het college de omgevingsvergunningsvergunning voor de buitenplanse-omgevingsplanactiviteit niet heeft mogen verlenen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat de omgevingsvergunning voor de vakwerkmast in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 11.1 van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente Purmerend “Weidevenne 2012”.
2.Zie bijvoorbeeld – onder oud recht – rechtsoverweging 6.2 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 mei 2023, ECLI:NlL:RVS:2023:2058.
3.Zie onder oud recht rechtsoverweging 3.4 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2592.