ECLI:NL:RBNHO:2026:748

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
C/15/373987 / KG RK 26-45
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wraking van rechters in strafzaak wegens ontnemingsmaatregel

In deze zaak heeft verzoeker op 22 januari 2026 een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechters die betrokken zijn bij zijn strafzaak, waarin hij is veroordeeld tot betaling van een geldbedrag aan de staat wegens ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Verzoeker was het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek om een nieuwe mondelinge behandeling te gelasten. De wrakingskamer overweegt dat procedurele beslissingen, zoals de afwijzing van een verzoek om een nieuwe zitting, geen grond kunnen vormen voor wraking. De rechters hebben op 28 november 2025 al besloten dat zij na ontvangst van de reactie van de officier van justitie uitspraak zullen doen in de hoofdzaak. De wrakingskamer concludeert dat de gronden van verzoeker niet kunnen leiden tot wraking van de rechters en wijst het verzoek af. De beslissing is openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]
Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/15/373987 / KG RK 26-45
Beslissing van 27 januari 2026
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker],
wonende te Lutjebroek,
verzoeker.
advocaat: mr. C.J. Nierop.
Het verzoek is gericht tegen:
mr. M.C.J. Lommen, mr. D.J. Straathof en mr. E.L. Hoogstraate,
hierna te noemen: de rechters.

1.Procesverloop

1.1
Verzoeker heeft op 22 januari 2026 schriftelijk de wraking verzocht van de rechters in de bij deze rechtbank, team Straf Alkmaar aanhangige zaak met als rekestennummer 25/022087, hierna te noemen: de hoofdzaak.
1.2
De wrakingskamer heeft vervolgens op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van het verzoek en bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

2.De uitgangspunten

2.1
Aan verzoeker is - na te zijn veroordeeld wegens een strafbaar feit - ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel bij afzonderlijke rechterlijke beslissing de verplichting opgelegd om een geldbedrag aan de staat te betalen (de ontnemingsmaatregel).
2.2
Verzoeker heeft vervolgens bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend waarin hij verzoekt tot kwijtschelding, althans matiging van de ontnemingsmaatregel.
De officier van justitie heeft verweer gevoerd tegen het verzoek. Deze verzoekschriftprocedure is de hoofdzaak bij dit wrakingverzoek.
2.3
Op 14 november 2025 heeft ten overstaan van de rechters in de hoofdzaak een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Na afloop van de mondelinge behandeling is aan verzoeker tot 28 november 2025 de gelegenheid geboden om schriftelijk te reageren op verschillende door de officier van justitie ingediende stukken.
2.4
Op 27 november 2025 heeft de raadsman van verzoeker - kort gezegd - aan de rechtbank een aantal vragen gesteld over de omvang van het dossier en verzocht om verlenging van de termijn om zijn schriftelijke reactie in te dienen.
2.5
Op 28 november 2025 heeft de griffier namens de rechters aan de raadsman van verzoeker en aan de officier van justitie een bericht gestuurd waarin zij, kort gezegd:
(i) een opsomming geeft van de stukken die zich in het procesdossier bevinden;
(ii) de officier van justitie opdraagt om ervoor zorg te dragen dat de raadsman van verzoeker over deze stukken beschikt;
(iii) aan de raadsman van verzoeker een nadere termijn geeft om inhoudelijk te reageren;
(iv) bepaalt dat de officier van justitie binnen twee weken na ontvangst daarvan, kan reageren op de reactie van de raadsman van verzoeker.
Het bericht van 28 november 2025 sluit af met de volgende zinsnede:
“Na ontvangst van de reactie van het OM zal de rechtbank schriftelijk, buiten zitting zoals afgesproken ter terichtzitting op 14 november jl., een beslissing nemen.”
2.6
Op 2 december 2025 heeft de raadsman van verzoeker aan de rechtbank een bericht gestuurd waarin hij, kort samengevat, schrijft dat hij inmiddels over de stukken beschikt. Het bericht sluit af met de volgende zinsnede:
“Ik wijs u er verder op dat een eerlijk proces met zich meebrengt dat er geen stukken aan de
beslissing ten grondslag gelegd kunnen worden die in het kader van hoor- en wederhoor niet aan verzoeker zijn voorgehouden. In het licht hiervan heb ik moeite met het feit dat er geen zitting meer voorzien is, dat de zitting die heeft plaatsgevonden nauwelijks inhoud had omdat de verdediging niet over de stukken beschikte en dat na de zitting ook nog een bijzonder groot aantal stukken aan het dossier zijn toegevoegd.”
2.7
Op 17 december 2025 heeft de raadsman van verzoeker de in 2.5. onder (iii) bedoelde inhoudelijke reactie ingediend.
2.8
Op 9 januari 2026 heeft de officier van justitie, na verkregen uitstel, de in 2.5. onder (iv) bedoelde reactie ingediend.
2.9
Op 9 januari 2026 heeft de raadsman van verzoeker de rechters verzocht om een nieuwe mondelinge behandeling te gelasten.
2.1
Op 15 januari 2026 heeft de raadsman van verzoeker aan de rechters het volgende bericht gestuurd:
“Geachte voorzitter, ik verzoek u vriendelijk op onderstaande te reageren. Ik verwijs verder naar het arrest van de HR van 6 januari 2026 met nummer ECLI:NL:HR:2026:16 (…). Hieruit volgt dat van de raadkamerbehandeling een proces-verbaal moet worden opgemaakt.”
2.11
Bij bericht van 22 januari 2026 hebben de rechters het verzoek om een nieuwe mondelinge behandeling afgewezen en bepaald dat zij in de hoofdzaak zullen beslissen op basis van het dossier en van hetgeen op de mondelinge behandeling van 14 november 2025 is besproken.

3.Het standpunt van verzoeker

3.1.
Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek - kort gezegd - het volgende aangevoerd. Door het verzoek om een nieuwe mondelinge behandeling te gelasten af te wijzen, te weigeren om proces-verbaal op te maken van de mondelinge behandeling van
14 november 2025 en niet te bevestigen dat zij hun beslissing in de hoofdzaak niet zullen baseren op stukken of opmerkingen van de officier van justitie waar verzoeker niet op heeft kunnen reageren, wekt de rechtbank de schijn van vooringenomenheid.
Uit deze beslissingen en daarop ziende motiveringen blijkt dat de rechters niet geïnteresseerd zijn in de reactie van verzoeker op de door de officier van justitie op 9 januari 2026 schriftelijk gemaakte opmerkingen en geformuleerde vragen over de door verzoeker eerder ingebrachte bankafschriften. Door geen gelegenheid te geven hierop te reageren wekt de rechtbank de indruk uit te gaan van de lezing van het openbaar ministerie.
Door dit alles is bij verzoeker de gerechtvaardigde vrees ontstaan dat de rechters vooringenomen zijn. Bij verzoeker ontbreekt het vertrouwen dat de rechters onbevooroordeeld in de hoofdzaak zullen oordelen.

4.De beoordeling

4.1
Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan een partij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Beslissend daarvoor is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is.
4.2
In de kern komt de wrakingsgrond erop neer dat verzoeker het niet eens is met de afwijzende beslissing op het door verzoeker gedane verzoek om een nieuwe mondelinge behandeling te gelasten. Verzoeker is van mening dat hij daardoor ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op de door de officier van jusititie in de inhoudelijke reactie van 9 januari 2026 geformuleerde vragen en opmerkingen over diverse mutaties op de bankrekening(en) van verzoeker. Hij heeft de indruk dat de rechtbank uitgaat van de lezing van de officier van justitie.
4.3
De wrakingskamer stelt vast dat de rechters al op 28 november 2025 hebben besloten dat zij na ontvangst van de reactie van de officier van jusititie uitspraak in de hoofdzaak zullen doen. Op deze beslissing zijn zij na de ontvangst van de reactie van de officier van justitie op 9 januari 2026, niet teruggekomen.
4.4
De wrakingskamer overweegt dat dergelijke procedurele beslissingen geen grond kunnen vormen voor wraking. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat daaraan in de weg. Wraking is namelijk geen verkapt rechtsmiddel tegen - de verzoeker onwelgevallige - (procedurele) beslissingen van de rechters. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de procedurele beslissing. Ook de motivering van een procedurele beslissing kan geen grond vormen voor wraking, ook niet als de wrakingskamer zou vinden dat het gaat om een onjuiste, onbegrijpelijke, gebrekkige of te summiere motivering of het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter.
Daarvan is in dit geval geen sprake.
4.5
Het voorgaande geldt ook voor het gegeven dat de rechters nog geen aanleiding hebben gezien om een proces-verbaal op te maken van de mondelinge behandeling van
14 november 2025.
4.6
Anders dan verzoeker meent, waren de rechters niet gehouden om na ontvangst van de reactie van de officier van justitie op 9 januari 2026, aan verzoeker kenbaar te maken of zij acht zullen slaan op de in die reactie voorkomende vragen en opmerkingen over mutaties op de bankrekening(en) van verzoeker. Het is aan de rechters in de hoofdzaak om deze vragen en opmerkingen al dan niet te betrekken in hun beoordeling op het verzoek tot kwijtschelding dan wel matiging van de ontnemingsmaatregel, en voor zover nodig in het kader van hoor- en wederhoor, verzoeker alsnog op deze vragen en opmerkingen te laten reageren.
Dit brengt echter niet mee dat de rechters hierover al op voorhand een beslissing dienen te nemen. Uit het feit dat de rechters op voorhand niet hebben bevestigd of acht zal worden geslagen op die onderdelen van de reactie van de officier van justitie, kan ook niet worden afgeleid dat de rechters zullen uitgaan van de lezing van de officier van justitie. Hetgeen verzoeker hierover heeft aangevoerd, kan daarom niet leiden tot wraking van de rechters.
4.7
De conclusie is dat de door verzoeker aangedragen gronden niet kunnen leiden tot wraking van de rechters. De wrakingskamer zal het verzoek afwijzen.

5.Beslissing

De rechtbank
5.1
wijst het verzoek af,
5.2
beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechters en de officier van justitie een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,
5.3
beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. N. Boots, voorzitter, mr. J.H. Gisolf en
mr. D.D.M Hazeu, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.[concipiënt_initialen]
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.