ECLI:NL:RBNHO:2026:7495

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
HAA 24/1393
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.3a WaboArt. 125 GemeentewetArt. 5:32 AwbArt. 4.23 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke handhaving illegale paardenbakken in strijd met bestemmingsplan

Eisers hebben op hun perceel in Venhuizen twee paardenbakken aangelegd zonder de vereiste omgevingsvergunning. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drechterland legde hen een last onder dwangsom op om deze voorzieningen te verwijderen, omdat zij in strijd zijn met het bestemmingsplan. Eisers voerden aan dat de voorzieningen paddocks zijn en geen paardenbakken, dat zij onder het overgangsrecht vallen en dat het college onterecht handhavend optreedt.

De rechtbank oordeelt dat de voorzieningen als één constructie moeten worden gezien en kwalificeren als bouwwerken waarvoor een vergunning vereist is. De voorzieningen zijn paardenbakken in de zin van het bestemmingsplan, bedoeld voor paardensport, ook al worden de paarden momenteel niet bereden. Eisers hebben geen vergunning en kunnen zich niet beroepen op bestaand gebruik of overgangsrecht, omdat de paardenbakken zonder vergunning zijn gebouwd en niet legaal aanwezig waren bij inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

Het college heeft het handhavingsverzoek van de buren terecht opgevat als aanleiding tot handhaving. De rechtbank vindt het handhavend optreden proportioneel en evenwichtig, ondanks het feit dat andere paardenbakken in de omgeving niet worden gehandhaafd, omdat daar geen handhavingsverzoek is ingediend. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel faalt. De hoogte van de dwangsom van €12.000,- is niet onredelijk. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep wordt ongegrond verklaard, maar zij ontvangen een proceskostenvergoeding voor de verzetprocedure.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de paardenbakken zonder vergunning in strijd zijn met het bestemmingsplan, met handhaving en een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/1393

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit Venhuizen, eisers

gemachtigde: mr. J.R. Dobbelsteijn Bisschops,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drechterland

gemachtigde: mr. W. van Houten, ambtenaar in dienst van de gemeente.
Als derde-partij nemen aan de zaak deel:
[naam 1]en
[naam 2]uit Venhuizen.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eisers opgelegde last onder dwangsom, waarbij hen is gelast om twee paardenbakken op hun perceel [perceel] in Venhuizen te verwijderen. Eisers zijn het niet eens met deze last onder dwangsom.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last op toereikende gronden heeft opgelegd. Voor het realiseren en gebruiken van de voorzieningen voor hun paarden, die kwalificeren als paardenbakken, hebben eisers een vergunning nodig, die zij niet hebben. De paardenbakken zijn in strijd zijn met het bestemmingsplan. Hen komt geen beroep op overgangsrecht toe. Eisers zijn daarom in overtreding. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die het college hadden moeten nopen om van handhaving af te zien, zodat het college in redelijkheid tot handhaving kon overgaan. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Wel krijgen eisers een proceskostenvergoeding, omdat zij in de verzetprocedure gelijk hebben gekregen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Enige (wettelijke) regels die verkort worden aangehaald, heeft de rechtbank in de bijlage bij deze uitspraak opgenomen.

Procesverloop en feiten

4.1.
Eisers wonen aan [perceel] in Venhuizen (hierna: het perceel) en houden op hun perceel paarden. De derde-partij zijn hun directe buren op nummer [nummer 1] .
4.2.
Zij hebben in 2004 op hun perceel twee voorzieningen voor hun paarden laten aanleggen, die bestaan uit een – uit meer lagen bestaande – ondergrond (een laag met drainagevoorzieningen, daarop een laag puin, daarboven een mat en daarop een toplaag van zand) en om elke voorziening een omheining. De ene voorziening is circa 15 bij 15 meter met een totaal oppervlak van 228 m², de andere circa 20 bij 30 meter met een totaal oppervlak van circa 595 m². De voorzieningen liggen, sedert de verkoop van een strook grond van de derde-partij aan eisers enkele jaren geleden, circa een kwart meter van de erfgrens met de derde-partij.
4.3.
Voor het perceel gold tot 1 januari 2024 [1] het ‘Bestemmingsplan Drechterland Zuid’, vastgesteld op 24 juni 2013, zoals gewijzigd bij ‘Eerste herziening bestemmingsplan Drechterland Zuid’, hierna gezamenlijk aan te duiden als: het bestemmingsplan.
4.4.
Bij brief van 11 april 2023, in een procedure over een aanbouw aan de woning van eisers, heeft de derde-partij aan het college gevraagd of de voorzieningen, die zij aanduiden als paardenbakken, te dicht op de erfgrens zijn geplaatst. Zij zien de ‘paardenbakken’ graag verplaatst tot 5 meter van hun erfgrens, zoals in regels zou zijn voorgeschreven.
4.5.
Het college heeft deze brief na overleg met de derde-partij opgevat als handhavingsverzoek.
4.6.
Op 13 juni 2023 hebben toezichthouders van het college een controle uitgevoerd op het perceel van eisers. De bevindingen zijn opgenomen in het controlerapport van 14 juni 2023. In dat rapport zijn de hiervoor onder 4.2 weergegeven feiten gerelateerd.
4.7.
Bij brief van 28 juli 2023 heeft het college aan eisers het voornemen bekendgemaakt om een last onder dwangsom op te leggen ter verwijdering van de twee door het college als ‘paardenbakken’ aangeduide voorzieningen, dan wel ter aanpassing van de paardenbakken naar een toegestaan formaat, waarvoor dan een vergunning zou moeten worden aangevraagd. Volgens het college zijn de paardenbakken geplaatst zonder de benodigde omgevingsvergunning en is dat een overtreding. [2] Het college verwijst naar het controlerapport van 14 juni 2023. Bij brief van 11 augustus 2024 hebben eisers hun zienswijze uitgebracht.
4.8.
Bij primair besluit van 25 oktober 2023 heeft het college de last onder dwangsom aan eisers opgelegd. De last luidt als volgt:

“Besluit

Burgemeester en wethouders van de gemeente Drechterland gelasten u, de heer [eiser 1] en de heer [eiser 2] , wegens overtreding van artikel 2.1 lid 1 sub a en c en artikel 2.3a lid 1 van de Wabo, op grond van artikel 125 lid 1 van Pro de Gemeentewet en artikel 5:32 lid 1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht tot:
Het verwijderen en verwijderd houden van de paardenbakken op het perceel met nummeraanduiding [perceel] , kadastraal bekend als gemeente Drechterland, sectie R, nummer [nummer 2];
De begunstigingstermijn wordt gesteld op acht weken na dagtekening van dit besluit, eindigend op 21 december 2023.
Hoogte van de dwangsom
De hoogte van de voorgenomen dwangsom die u na het verstrijken van de begunstigingstermijn verbeurt, bedraagt € 12.000,- (zegge: twaalfduizend euro) ineens. Het maximum, waarboven u geen dwangsom meer verbeurt, stellen wij op € 12.000,- (zegge: twaalfduizend euro). Na verbeurte van de dwangsom zijn wij bevoegd, indien de overtreding nog niet is beëindigd, opnieuw handhavingsmiddelen in te zetten. […].”
4.9.
Eisers hebben bij bezwaarschrift van 5 december 2023 bezwaar gemaakt tegen de last en bij de rechtbank een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
4.10.
Bij besluit van 13 december 2023 heeft het college de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom verlengd tot acht weken na de beslissing op bezwaar.
4.11.
Met het bestreden besluit van 28 februari 2024 op het bezwaar van eisers heeft het college de last onder dwangsom in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering. Hiertegen hebben eisers op 9 april 2024 beroep ingesteld bij de rechtbank.
4.12.
Het college heeft de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom verlengd tot zes weken na deze uitspraak in beroep.
4.13.
Bij uitspraak van 16 augustus 2024 heeft de rechtbank het beroep van eisers niet-ontvankelijk verklaard omdat eisers, zo constateerde de rechtbank, het griffierecht niet op tijd zouden hebben voldaan en het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk was. Hier hebben eisers verzet tegen ingesteld. Bij uitspraak van de verzetrechter van 9 september 2024 is het verzet gegrond verklaard.
4.14.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eisers hebben hierop op 12 november 2025 een nadere reactie ingediend.
4.15.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college vergezeld door [naam 3] , ook gemeenteambtenaar, en de derde-partij. Op de zitting hebben eisers een raadsbrief, een foto/kaart met paardenbakken in de omgeving en een proceskostenformulier overgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. De last onder dwangsom is voor die datum opgelegd, zodat op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarbij horende uitvoeringsregelingen en het bestemmingsplan, zoals die golden voor 1 januari 2024, op onderhavige beoordeling van toepassing blijven.
Leeswijzer
6. Het bestreden besluit heeft het college gebaseerd op overtreding van drie wettelijke bepalingen: de omgevingsvergunningsplicht voor het bouwen van een bouwwerk, de omgevingsvergunningsplicht voor gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan en het in stand houden van een bouwwerk zonder de vereiste omgevingsvergunning. Dat laatste verbod is niet afzonderlijk meer in geschil. Gelet op de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of sprake is van een overtreding. Omdat de paardenvoorzieningen zijn aangelegd voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan en voor de inwerkingtreding van de Wabo, komt ook overgangsrecht in beeld. Daarna, als sprake blijkt van een overtreding, komt aan de orde of het college op goede gronden gebruik maakt van zijn handhavingsbevoegdheid. Daarna zal blijken of hetgeen eisers overigens nog aanvoeren nog bespreking behoeft.
Is sprake van een overtreding?
7. Het college stelt in het bestreden besluit dat sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, en artikel 2.3a, eerste lid, Wabo: eisers hebben volgens het college zonder de vereiste omgevingsvergunning twee paardenbakken op hun achtererf gebouwd en die als zodanig gebruikt in strijd met het bestemmingsplan en in stand gelaten. Daarbij zijn de paardenbakken, zo stelt het college, niet vergunningsvrij (geweest) en komt hen geen beroep toe op het overgangsrecht uit het bestemmingsplan.
8. Eisers stellen dat geen sprake is van een overtreding. Hierom was het college niet bevoegd om handhavend op te treden.
Bouwen zonder omgevingsvergunning: is sprake van een bouwwerk en zo ja, kan dat vergunningsvrij gebouwd worden?
9.1.
Eisers voeren aan dat geen sprake is van een bouwwerk zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, Wabo. De ‘paardenbakken’ zijn volgens hen ‘paddocks’. De paddocks bestaan volgens eisers slechts uit een drainagevoorziening met vloerbedekking en een zandlaag. Hiervoor geldt volgens eisers geen aanlegvergunningplicht. Om de ‘paddocks’ staan afscheidingen die weliswaar op zichzelf bouwwerken zijn, maar deze hekken vormen niet met de rest een geheel en ook geen constructie van enige omvang. De omheining vormt een erfafscheiding, die volgens eisers op grond van artikel 2, aanhef en onder 12, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) vergunningsvrij kan worden gerealiseerd.
9.2.
Het begrip bouwwerk is in de Wabo als zodanig niet gedefinieerd. Voor de uitleg van het begrip bouwwerk wordt na inwerkingtreding van de Wabo ook aansluiting gezocht bij de omschrijving van dit begrip in het toenmalige model voor een bouwverordening. Deze luidt:
“Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.” [3]
9.3.
De rechtbank volgt het standpunt van het college dat de onderdelen van de paardenvoorziening tezamen een constructie vormen die als geheel beoordeeld dient te worden. Reden daarvoor is dat de constructie van de bodem en de omheining als geheel een voorziening vormen om daar de paarden in te laten verblijven, althans bewegingsruimte buiten te geven. Het is niet juist om bodem en omheining los van elkaar te beschouwen. Bij de controle van 13 juni 2023 is geconstateerd dat op het perceel twee omheiningen zijn geplaatst. Het zuiddeel beslaat volgens de toezichthouder 228 m² en het noorddeel 594,75 m². Hierin is een drainagesysteem aangebracht met daarboven een doek en zandlaag. Eisers hebben in hun beroepschrift met een visualisatie ook toegelicht dat de ‘paddocks’ zijn opgebouwd uit een speciale bodem met meerdere grondlagen, met onder meer drainage, een mat en een grondlaag. Dit volgt ook uit de opdrachtbevestiging van eisers aan Swanenberg Bodem van 27 februari 2004. De voorzieningen zijn door dat bedrijf in 2004 gebouwd. Het hekwerk is, zo stellen eisers ter zitting, 1,70 meter hoog.
Nu de bodemconstructie en de omheining als één geheel moeten worden beschouwd, is aldus sprake van een constructie met een plaatsgebonden karakter en een zekere omvang, en daarmee van een bouwwerk zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, Wabo. [4] Een dergelijk bouwwerk is niet vergunningsvrij. Het betreft ook geen erfafscheiding omdat het bouwwerk als geheel moet worden bezien. Maar als de omheining afzonderlijk zou moeten worden beschouwd, dan vormt dat als geheel ook geen erfafscheiding omdat niet het (gehele) erf van eisers wordt afgescheiden van buurerven, maar alleen op hun eigen erf een deel wordt afgebakend ten behoeve van de paarden. Dat is geen erfafscheiding.
9.4.
Het voorgaande betekent dat eisers – in beginsel – voor de bouw van de paardenvoorzieningen dienen te beschikken over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef een onder a, Wabo.
Is het bouwwerk een paardenbak in de zin van het bestemmingsplan en behoeven eisers daarvoor een omgevingsvergunning voor gebruik in afwijking van het bestemmingsplan?
10.1.
Ter plaatse gelden de regels uit het bestemmingsplan. Op het achtererf van eisers heeft het eerste deel van hun erf achter de woning de bestemming Wonen – Lint 1 en het deel van hun erf verder naar het noorden de bestemming Agrarisch. Volgens de hoofdregels voor beide bestemmingen in het bestemmingsplan mogen er geen paardrijdbakken [5] op die gronden worden gebouwd en mogen de gronden niet worden gebruikt voor paardrijdbakken.
10.2.
Eisers voeren aan dat de voorzieningen die zij hebben aangelegd en die in geschil zijn, geen paardenbakken zijn als bedoeld in het bestemmingsplan, maar paddocks zijn. Een paddock is volgens eisers een andere voorziening dan een paardenbak, namelijk een (kleine) vrije uitloopruimte, ook met een speciale bodem, voor paarden om te voorkomen dat ze de hele dag op stal hoeven te staan. Door in een paddock te verblijven, lopen de paarden een wei niet kapot. Eisers verwijzen voor het onderscheid tussen paddocks en paardenbakken onder meer naar de VNG handleiding ‘De Paardenhouderij in het Omgevingsrecht’. Verder voeren zij aan dat de paddocks niet zijn voorzien van letters of hoefslag, nu de paddocks niet gebruikt worden voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony’s en/of anderszins het beoefenen van de paardensport. Ook daarom zouden de voorzieningen geen paardenbakken zijn. De twee aanwezige paarden kunnen overigens, zo voeren zij verder aan, door ouderdom en kwalen, anders dan voorheen, ook niet meer bereden worden. Ze worden hobbymatig gehouden. Omdat van paardensport geen sprake (meer) is, kwalificeren de voorzieningen ook niet (meer) als paardenbak. Het gebruikte drainagesysteem maakt volgens eisers de paddocks bovendien niet geschikt voor de paardensport.
10.3.
In het bestemmingsplan is een paardenbak in artikel 1.88 gedefinieerd als:
“een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein met een andere ondergrond dan gras, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony’s en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen;”
10.4.
Het college heeft de bakken in het bestreden besluit aangemerkt als paardenbakken volgens de definitie uit het bestemmingsplan. De rechtbank volgt dit standpunt en stelt daarbij voorop dat de definitie uit het bestemmingsplan leidend is voor de vraag of de voorzieningen paardenbakken zijn in de zin van dat plan. Die regel is ook duidelijk. De door eisers aangehaalde VNG handleiding is voor de uitleg van het bestemmingsplan niet doorslaggevend, omdat dat geen bindende geldende regelgeving bevat voor de uitleg van onderhavig bestemmingsplan.
10.5.
Anders dan eisers aanvoeren, zijn de beide voorzieningen paardenbakken in de zin van het bestemmingsplan. Er is immers sprake van (twee) met een afscheiding afgezonderde stuk(ken) terrein, met een andere ondergrond dan gras, namelijk meerdere grondlagen, c.q. constructielagen, met bovenop een afdeklaag (van zand). Daarbij volgt de rechtbank ook de uitleg van het college dat de bakken kennelijk zijn ingericht voor het beoefenen van de paardensport in de zin van de bestemmingsplanbepaling. Eiser [eiser 2] heeft op de zitting bevestigd dat hij (ooit) in de bakken op zijn paarden heeft gereden. Dat het berijden van de paarden door gezondheidskwalen en ouderdom van de paarden nu niet meer kan, maakt voor de beoordeling of de voorzieningen voor paardensport zijn ingericht, geen verschil. Dat de bakken volgens eisers vanwege de omvang, het oppervlak, en het drainagesysteem niet geschikt zouden zijn voor paardensport in de vorm van springen of dressuur, dan wel in enige wedstrijdvorm, maakt hiervoor ook geen verschil. Uit de definitiebepaling volgt dat ook het (enkel) berijden van paarden tot paardensport in de zin van die definitie moet worden gerekend. De paardensport kan, om te kwalificeren onder de bestemmingsplanbepaling, ook hobbymatig (‘anderszins’) uitgeoefend worden in de zin van enkel het berijden van paarden in de voorziening, zoals eisers in het verleden ook hebben gedaan. Er is gelet op de inrichting en constructie dan ook geen sprake van slechts een uitloopweide of “paddock”, als een dergelijke voorziening al niet zou kwalificeren als paardenbak in de zin van het bestemmingsplan.
10.6.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo is een vergunning vereist voor het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan. De zuidelijke paardenbak ligt op gronden met de bestemming Wonen – Lint 1 en de noordelijke paardenbak ligt gedeeltelijk op gronden met de bestemming Wonen – Lint 1 en deels de bestemming Agrarisch. In de artikelen 3.2.3 en 38.2.3 van het bestemmingsplan is bepaald dat er op beide bestemmingen geen paardrijdbakken mogen worden gebouwd, met uitzondering van bestaande paardrijdbakken. Volgens de artikelen 3.4 en 38.4 mogen de gronden ook niet worden gebruikt voor een paardrijdbak. Dat betekent dat eisers naar de hoofdregel voor de paardenbakken – in beginsel – moeten beschikken over een omgevingsvergunning voor bouw en gebruik in afwijking van het bestemmingsplan. Een dergelijke vergunning hebben zij niet.
Is sprake van bestaande paardrijdbakken in de zin van het bestemmingsplan, zodat alsnog geen vergunning is vereist?
11.1.
Vervolgens komt de vraag op of eisers toch niet in strijd met het bestemmingsplan handelen omdat sprake zou zijn, zoals zij aanvoeren, van een
bestaandepaardrijdbak. Voor beide bestemmingen geldt immers (ook) de volgende regel: er mogen geen paardrijdbakken worden gebouwd, met uitzondering van
bestaande paardrijdbakken. Onder bestaand wordt op grond van artikel 1.19 van het bestemmingsplan verstaan legaal gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is, dan wel waarvoor toen een vergunning was verleend. Eisers voeren in dit kader aan dat de paardenbakken bij de inwerkingtreding van het bestemmingsplan legaal aanwezig waren, en daarom bestaande paardenbakken zijn zoals bedoeld in artikel 3.2.3, 3.4, 38.2.3 en 38.4 van het bestemmingsplan. De paardrijdbakken zijn gebouwd in 2004 en volgens eisers altijd vergunningsvrij geweest, en dus ook voor 2013 (de inwerkingtreding van het bestemmingsplan). Eisers verwijzen in dit verband ook naar een raadsbrief van 26 november 2024 waarin het college heeft toegelicht wat onder “bestaand” zou moeten worden verstaan.
11.2.
De rechtbank volgt eisers niet in deze beroepsgrond. Zoals het college terecht in verweer aanvoert, was ook voor 2013, toen het nieuwe bestemmingsplan van kracht werd, en ook in 2004 onder de voorganger van de Wabo [6] , de Woningwet, de hoofdregel dat voor het bouwen van een bouwwerk een (bouw)vergunning was vereist. Nu hiervoor is geconstateerd dat de paardenbakken bouwwerken zijn en dat begrip ook in 2004 onder de Woningwet gelijkluidend werd uitgelegd, was toen voor de bouw ook een bouwvergunning – en vanaf 2010 een omgevingsvergunning – vereist. Van enige vrijstelling van die vergunningplicht voor paardenbakken of paardrijdbakken was toen geen sprake. Eisers beschikken niet over een dergelijke toestemming. Eisers hebben dus niet aannemelijk gemaakt dat de paardenbakken voor 2013, dus ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, zonder enige (omgevings)vergunning legaal aanwezig waren.
11.3.
Het beroep op de door het college nog recent gegeven uitleg van het begrip “bestaand” in de bestemmingsplanbepaling kan hen ook niet baten. In de Raadsbrief van 26 november 2024 heeft het college niet een ander standpunt ingenomen over het begrip bestaand dan hiervoor overwogen. Dat een aanvankelijk gegeven globaler standpunt van het college tijdens een vragenuur, een ruimere uitleg leek te impliceren, kan hier niet aan af doen. Overigens is de rechtbank niet gebonden aan een door het college na vaststelling van een bestemmingsplan gegeven uitleg van een bestemmingsplanbepaling.
11.4.
Van een bestaande paardrijdbak als bedoeld in van het bestemmingsplan is dus geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
Overgangsrecht in het bestemmingsplan
12.1.
In artikel 54.1 en 54.2 van het bestemmingsplan is het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik neergelegd.
12.2.
De rechtbank stelt vast dat eisers, anders dan zij aanvoeren, geen beroep toekomt op het overgangsrecht uit het bestemmingsplan voor bouwwerken en gebruik omdat – zoals de rechtbank hiervoor al heeft vastgesteld – de bouwwerken zijn gebouwd zonder de vereiste bouwvergunning. Hierbij is ook van belang dat het college onweersproken heeft gesteld dat de paardenbakken in ieder geval ook in strijd zijn met de toen, onder het voorgaande bestemmingsplan, geldende bestemming Wonen en Erven en Agrarische Doeleinden 1.
Tussenconclusie
13. Het college heeft terecht geconcludeerd dat de paardenbakken zonder de op grond van de artikelen 2.1, eerste lid, onder a en c, Wabo vereiste omgevingsvergunningen zijn gebouwd, althans dat eisers de paardenbakken als zodanig in strijd met artikel 2.3a Wabo in stand hebben gelaten omdat de paardenbakken indertijd zonder de vereiste vergunning zijn gebouwd. Daarom is sprake van overtredingen en kon het college daartegen in beginsel handhavend optreden.
Zijn er bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien?
14. Bij de vraag of het college van zijn bevoegdheid tot handhavend optreden gebruik mag maken of daarvan moet afzien, moet worden beoordeeld of het college de belangen voor het al dan niet gebruik maken van zijn bevoegdheid correct heeft afgewogen. In beginsel mag het college een zeer groot gewicht toekennen aan het beëindigen van een illegale situatie, te meer indien derden om handhaving vragen. Het college zal wel moeten bezien of handhavend optreden in het concrete geval evenredig is en opweegt tegen het belang dat is gemoeid met het laten voortbestaan van de illegale situatie. Daarbij kan zicht op legalisatie een rol spelen, maar ook het evenredigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, waaronder eventueel gehanteerd handhavingsbeleid.
Concreet zicht op legalisatie?
15. Het college mag niet tot handhaving overgaan, en handhaving is onevenredig, als er concreet zicht is op legalisatie. Die situatie doet zich niet voor. Een aanvraag daarvoor hadden eisers wel ingediend, maar hebben zij ingetrokken. De aanwezige paardenbakken kunnen ook niet worden gelegaliseerd, gelet op de huidige bestemmingsplanbepalingen: de paardenbakken staan te dicht bij de erfgrens met de derde-partij. Dat er in 2004 – tot aan 2013 – in het toen geldende bestemmingsplan niet een paardenbakregeling stond als in het huidige bestemmingsplan, brengt nog niet mee dat alsnog met terugwerkende kracht een bouwvergunning kan worden verleend. Daaraan staat de nieuwe bestemmingsplanbepaling in de weg. Overigens heeft verweerder nog – onbestreden – aangevoerd, dat het bouwen op en gebruiken van het perceel voor een paardrijdbak onder het voorgaande bestemmingsplan ook niet in overeenstemming was met de toen geldende bestemmingen, zodat ook daarom legalisering achteraf niet in beeld kan komen.
Evenredigheidsbeginsel
16. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt als maatstaf dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is voor het daarmee beoogde doel en of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig en evenredig is [7] . Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Dat het opleggen van een last in dit geval geschikt is, is niet in geschil.
Bij handhavingsbesluiten ter opheffing van illegale situaties geldt voorts als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving, zeker als daar om is verzocht, en dat om die reden in de regel aan het belang op te treden tegen een overtreding een groot gewicht toe komt. In die zin is in dit geval handhavend optreden ook noodzakelijk.
Handhavend optreden is onevenredig, in de zin van onevenwichtig, als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie van de overtreding, zoals hiervoor reeds besproken, en schending van het gelijkheidsbeginsel, waaronder een beroep op door het college gevoerd beleid over al dan niet handhaven, en het vertrouwensbeginsel. [8]
Is het opleggen van de last in strijd met het handhavingsbeleid van het college?
17.1.
In paragraaf 6.2 van het Vergunningen, Toezicht & Handhaving VTH-Beleidsplan 2022-2026 (VTH-Beleidsplan), zoals ter zitting vastgesteld, wordt aan overtredingen als de onderhavige geen grote prioriteit toegekend. Het college stelt in het beleid in verband met capaciteitsbeperkingen aan zichzelf alleen een beginselplicht tot handhaving te hebben opgelegd voor door haar als prioritair noodzakelijk aangemerkte te handhaven regels. Daartoe behoort niet onderhavig type overtreding. Een verzoek tot handhaving doorkruist, aldus het college, echter volgens het beleid de prioriteiten in het beleid. Een formeel verzoek om handhaving wordt altijd opgepakt, zo volgt uit het VTH-Beleidsplan. Een dergelijke prioritering acht de rechtbank niet in strijd met het recht.
17.2.
Eisers voeren aan dat het college handhavend is opgetreden in strijd met zijn eigen handhavingsbeleid. In het beleid heeft dit type overtreding immers niet een ‘hoge prioriteit’. Als om handhaving is verzocht is er volgens het beleid wel sprake van een hoge prioriteit. Eisers voeren aan dat de derde-partij alleen niet heeft bedoeld om een handhavingsverzoek in te dienen, zodat het college daar ook geen handhavingsprioriteit aan kon ontlenen. De last had daarom, aldus eisers, achterwege moeten blijven.
17.3.
De rechtbank volgt eisers niet in dat standpunt. Het college heeft de brief van de derde-partij, die als derde-belanghebbenden kunnen worden aangemerkt, van 11 april 2023 terecht aangemerkt als handhavingsverzoek. De bewoordingen van de brief, zoals hiervoor weergegeven, waarin de derde-partij stelt dat sprake is van een overtreding, omdat de paardenbakken in strijd met de regels niet vijf meter van de erfgrens zijn gesitueerd en dat eisers de bakken graag zien verplaatst, heeft het college als handhavingsverzoek kunnen begrijpen. Dat die brief is gestuurd hangende een bezwaarprocedure over een andere kwestie, maakt dat niet anders. De derde-partij heeft bovendien telefonisch aan het college bevestigd dat die brief als handhavingsverzoek bedoeld was en de derde-partij is daar in de verdere procedure ook niet op terug gekomen. Hoewel handhavend optreden tegen illegale paardenbakken volgens het handhavingsbeleid in beginsel geen hoge prioriteit heeft vanwege beperkte veiligheidsrisico’s, diende het college door het handhavingsverzoek wel prioriteit te geven aan deze overtreding.
Gelijkheidsbeginsel
18.1.
Eisers voeren aan dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Bij hen wordt wel handhavend opgetreden terwijl het college dit ten aanzien van andere paardenbakken in de directe omgeving van het perceel van eisers niet doet. Sinds lange tijd worden in deze omgeving op grote schaal hobbymatig paarden gehouden. Eisers verwijzen naar een lijst met aanwezige paardenbakken gekoppeld aan adressen. Ook hebben zij op de zitting een A3-luchtfoto overlegd van de omgeving van hun perceel, met daarop aangeduid andere paardenbakken. De onderbouwing van het bestreden besluit volgend, zou het college daar ook handhavend moeten optreden, aldus eisers.
18.2.
Uit vaste rechtspraak volgt dat het op de weg ligt van degene die zich op het gelijkheidsbeginsel beroept om concrete gevallen te noemen waar het bestuursorgaan volgens hem op een andere wijze van een aan het bestuursorgaan toekomende bevoegdheid heeft gebruikgemaakt dan in zijn eigen geval. Hierbij moet diegene tot op zekere hoogte onderbouwen waarom die gevallen op relevante punten zodanig overeenkomen dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.
18.3.
In dit geval is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. Zoals hiervoor over het beroep op het handhavingsbeleid is overwogen, geeft het college (alleen) prioriteit aan handhavend optreden tegen paardenbakken als om handhaving is verzocht. Dat betekent dat de enkele constatering dat er in de omgeving (illegale) paardrijdbakken zijn, zoals door eisers aangevoerd, waar niet tegen wordt opgetreden nog geen schending van het gelijkheidsbeginsel kan meebrengen. Eisers hebben ook niet gesteld dat, laat staan tot op zekere hoogte onderbouwd, er onder de gevallen op de door hen overgelegde lijst en/of de luchtfoto gevallen zijn waar wel om handhaving is gevraagd, maar het college ondanks constatering van een illegale, niet te legaliseren situatie toch niet tot handhaving is overgegaan, zodat niet is gesteld dat het college in zoverre in strijd met het beginsel van gelijke behandeling heeft gehandeld. Dat het college ondanks handhavingsverzoeken [9] toch niet tot optreden tegen illegale paardenbakken is overgegaan, blijkt ook niet uit de luchtfoto of die lijst met aanwezige paardenbakken. Het t beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt dus niet.
Vertrouwensbeginsel
19.1.
Eisers hebben nog aangevoerd dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel handelt door zijn handhavend optreden. Zij stellen dat de toezichthouder van het college bij de controle op 3 juli 2024 mondeling zou hebben toegezegd dat het college juist niet handhavend zou optreden.
19.2.
Dit beroep op het vertrouwensbeginsel faalt reeds omdat eisers niet – met bewijsstukken of anderszins – hebben onderbouwd dat een toezichthouder een dergelijke uitlating jegens hen heeft gedaan.
Evenredigheidsbeginsel: evenwichtig?
20.1.
Eisers voeren voorts aan dat handhavend optreden niet evenwichtig is. De paardenbakken veroorzaken, aldus eisers, al twintig jaar geen overlast. En al die tijd is er niet tegen opgetreden. Het weg moeten halen gaat hen veel geld kosten. Het algemeen belang van handhavend optreden mag in dit geval niet zwaarder wegen, zeker omdat het college ook niet handhavend optreedt tegen de andere paardenbakken in de omgeving.
20.2.
Het college voert in het bestreden besluit aan dat handhavend optreden in dit geval evenwichtig is. De rechtbank kan de motivering van het college volgen. In beginsel staat het zwaarwegende algemene belang van handhaving van bouwregels en regels van een goede ruimtelijke ordening in bindende bestemmingsplannen voorop. Daar kon het college in redelijkheid ook het belang van ongewenste precedentwerking bij geen gevolg geven aan het handhavingsverzoek bij betrekken. Deze belangen kon het college vervolgens zwaarder laten wegen dan het belang van eisers bij behoud van de paardenbakken of de financiële belasting die met het moeten verwijderen van de paardenbakken gepaard kan gaan. Het argument dat de paardenbakken al twintig jaar niet tot overlast leiden of tot 2023 niet eerder is geklaagd, kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid. [10] Het ongedaan maken van een overtreding van de geldende regels komt in zoverre in beginsel voor eigen risico en rekening van de overtreder. In vaste rechtspraak is daarbij reeds uitgemaakt, dat het enkele tijdsverloop tussen het plegen van een overtreding en het besluit tot handhaving op zichzelf geen bijzondere omstandigheid is, die zou moeten nopen tot het achterwege laten van handhaving. [11] Bijzondere omstandigheden die dat in dit geval anders zouden moeten maken, zijn niet gebleken. Met name is geen sprake geweest van bijvoorbeeld concrete toezeggingen van het college aan eisers, dat handhaving achterwege blijft. Het college heeft de keuze over te gaan tot handhavend optreden in redelijkheid als evenwichtig beoordeeld.
Kleven er andere gebreken aan de last?
Hoogte van de dwangsom
21.1.
Eisers voeren voorts aan dat het college de hoogte van de dwangsom onvoldoende heeft gemotiveerd. Het college heeft niet genoemd welke kwalificatie uit de Leidraad voor handhavingssancties en begunstigingstermijnen ten grondslag ligt aan het dwangsombedrag dat aan eisers is opgelegd. Zij vinden de dwangsom onnodig hoog.
21.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is een dwangsombedrag van € 12.000,- niet onevenredig hoog is of anderszins in strijd met het recht. Een specifiek beleid over de hoogte van de dwangsom in gevallen als de onderhavige voert het college niet. Het dwangsombedrag fungeert als financiële prikkel voor de overtreder om de overtreding ongedaan te maken. Eisers hebben gesteld dat het verwijderen van de paardenbak volgens hun aannemer zo’n € 40.000,- zal kosten. Het college kan de hoogte van de dwangsom relateren aan de kosten die een overtreder in verband met de overtreding moet maken. Vanuit die gedachte is het dwangsombedrag op zichzelf gezien niet zodanig hoog dat dit voorbij gaat aan een effectieve prikkel om de overtreding ongedaan te maken. Gelet op de kosten voor bouwen en afbreken van de paardenbak is een financiële prikkel van € 12.000,- niet te hoog.
Rechtszekerheidsbeginsel
22.1.
Eisers voeren tot slot nog aan dat de last onder dwangsom in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat uit de bewoordingen in de last niet duidelijk zou volgen wat zij precies moeten doen om het verbeuren van de dwangsom te voorkomen. Het standpunt van het college uit een toelichtende e-mail van 20 maart 2024 dat eisers alles (zandlaag, onderdoek, drainagesysteem, hekken) moeten weghalen, volgt volgens eisers niet uit de last zelf. Deze toevoeging achteraf maakt de strekking van de last ook disproportioneel.
22.2.
De rechtbank volgt eisers daar in niet. Uit de last onder dwangsom zelf blijkt voldoende wat van eisers wordt verwacht om de overtreding te beëindigen, zodat zij de dwangsom niet verbeuren. Gelet op de uitleg van het begrip ‘paardenbak’ (de constructie als geheel), die de rechtbank hiervoor juist heeft bevonden, dienen eisers de paardenbakken geheel te verwijderen. Die opdracht gaat gelet op de hiervoor besproken reikwijdte van de overtreding niet te ver. De omschrijving ‘verwijderen en verwijderd houden van de paardenbakken’ in de last is daarmee voldoende duidelijk. Eisers konden en mochten over eventuele onduidelijkheid het college om verduidelijking vragen, waar het college ook op geantwoord heeft. Het antwoord daarop in de e-mail van 20 maart 2024 is niet onjuist en kan ook niet meebrengen dat de last disproportioneel is, nu die uitleg ook al uit de last zelf volgt.
Conclusie en gevolgen
23. Het college heeft de last onder dwangsom aan eisers kunnen opleggen. Voor zover eisers menen nog andere gronden te hebben aangevoerd, stuiten die af op hetgeen hiervoor is overwogen. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eisers ongelijk krijgen en de last onder dwangsom in stand blijft. Eisers moeten alsnog binnen de laatstgestelde termijn aan de last voldoen: dus binnen zes weken na deze uitspraak. Eisers krijgen voor de inhoudelijke beoordeling van hun beroep daarom geen proceskostenvergoeding of teruggave van het griffierecht.
24. Eisers hebben wel recht op een proceskostenvergoeding voor bijstand door een professionele gemachtigde tijdens de verzetprocedure, aangezien het verzet bij uitspraak van 9 september 2024 gegrond is verklaard. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding vast op € 233,50 (0,5 punt voor het verzetschrift, ter waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 0,5). Het college moet deze proceskostenvergoeding betalen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt het college tot een proceskostenvergoeding aan eisers van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M Bruin, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.A. Bakker, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(…)
het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…)
Besluit omgevingsrecht, Bijlage II
Artikel 2, aanhef en tweede lid:
Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:
(…)
2. een erf- of perceelafscheiding, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
niet hoger dan 1 m, of
niet hoger dan 2 m, en
1°. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat,
2°. achter de voorgevelrooilijn, en
3°. op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
(…)
Passages uit Bestemmingsplan Drechterland-Zuid zoals gewijzigd bij de Eerste herziening
1.19
bestaand
het legale gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig is of in uitvoering is dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning (vóór 1 oktober 2010)/omgevingsvergunning (ná 1 oktober 2010);
1.88
paardenbakeen door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein met een andere ondergrond dan gras, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony’s en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen;
Agrarisch
3.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
a. er mogen geen paardrijdbakken, tennisbanen en zwembaden worden gebouwd, met uitzondering van de bestaande paardrijdbakken, tennisbanen en zwembaden;
3.3.4
Paardrijdbakken, tennisbanen en zwembaden
Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2.3. sub a in die zin dat paardrijdbakken, tennisbanen en/of zwembaden worden toegestaan, met dien verstande dat:
tevens de in lid 3.5.8. bedoelde omgevingsvergunning is verleend.
3.4
Specifieke gebruiksregels
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:
(…)
n. het gebruik van gronden voor de bouw en/of de aanleg van een paardrijdbak, tennisbaan of een zwembad met de daarbij behorende bouwwerken, met uitzondering van de bestaande paardrijdbakken, tennisbanen en zwembaden;
3.5.8
Paardrijdbakken, tennisbanen en zwembaden
Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.4. sub n in die zin dat gronden, voor zover gelegen binnen het bouwvlak of aansluitend aan een bestemmingsvlak 'Wonen - 1', 'Wonen - 2', 'Wonen - Lint 1', 'Wonen - Lint 2' en 'Wonen – Stolp’, worden gebruikt voor de aanleg en/of bouw van een paardrijdbak, een tennisbaan en/of een zwembad, mits:
a. tevens de in lid 3.3.4. bedoelde omgevingsvergunning wordt verleend;
c. de voorzieningen alleen worden gerealiseerd en gebruikt ten behoeve van het eigen hobbymatig gebruik van de bewoners van de (bedrijfs)woning;
e. de afstand van de voorzieningen tot de perceelgrens niet minder bedraagt dan 5,00 m;
f. de voorzieningen, vanaf de weg gezien, achter de achtergevelrooilijn en als regel achter de bestaande eigen bebouwing zullen worden aangelegd en/of worden gebouwd;
g. er een beplantingsplan wordt ingediend voor een strook met beplanting van ten minste 3,5 m breed tussen de voorzieningen en de perceelgrens. Het bevoegd gezag kan in een specifieke situatie in het belang van het behoud van het open landschap besluiten dat geen of slechts enkele beplanting moet worden aangelegd. De beplanting zal uit streekeigen soorten bestaan en overeenkomstig het goedgekeurde beplantingsplan worden aangelegd en in stand gehouden;
h. de bouwhoogte van de lichtmasten niet meer bedraagt dan 10 meter;
i. het aantal lichtmasten niet meer bedraagt dan 6;
j. er sprake is van objectgerichte verlichting;
k. de verlichting van de lichtmasten niet buiten de perceelgrens schijnt;
l. de verlichting van de lichtmasten vanaf 21.00 uur tot zonsopgang niet brandt en van een verzegelde tijdschakelaar is voorzien;
m. de afstand van de lichtmasten tot de nabij gelegen woningen niet minder bedraagt dan 30 meter;
n. op basis van een verlichtingsrapport van een ter zake deskundige is aangetoond dat aan de voorwaarden in sub j, k, l en m wordt voldaan.
Wonen
38.2.3
Overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde
Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:
er mogen geen paardrijdbakken, tennisbanen en zwembaden worden gebouwd, met uitzondering van de bestaande paardrijdbakken, tennisbanen en zwembaden;
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,00 m met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 2,00 m;
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5,00 m.
38.3.5
Paardrijdbakken, tennisbanen en zwembaden
Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 38.2.3. sub a in die zin dat paardrijdbakken, tennisbanen en/of zwembaden worden toegestaan, mits:
tevens de in lid 38.5.4. bedoelde omgevingsvergunning is verleend.
38.4
Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:
(..)
i. het gebruik van gronden voor de bouw en/of de aanleg van een paardrijdbak, tennisbaan of een zwembad met de daarbij behorende bouwwerken, met uitzondering van de bestaande paardrijdbakken, tennisbanen en zwembaden.
38.5.4
Paardrijdbakken, tennisbanen en zwembaden
Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 38.4. sub g in die zin dat gronden, voor zover gelegen binnen het bestemmingsvlak, worden gebruikt voor de aanleg en/of bouw van een paardrijdbak, een tennisbaan en/of een zwembad, mits:
tevens de in lid 38.3.5. bedoelde omgevingsvergunning wordt verleend;
de voorzieningen worden gerealiseerd op een afstand van ten hoogste 120,00 m gerekend vanaf de voorgevel van het woonhuis;
de voorzieningen alleen worden gerealiseerd en gebruikt ten behoeve van het eigen hobbymatig gebruik van de bewoners van het woonhuis;
e gezamenlijke oppervlakte van de voorzieningen per woonhuis niet meer bedraagt dan 2.400 m² bedraagt;
de afstand van de voorzieningen tot de perceelgrens niet minder bedraagt dan 5,00 m;
de voorzieningen, vanaf de weg gezien, achter de achtergevelrooilijn en als regel achter de bestaande eigen bebouwing worden aangelegd en/of worden gebouwd;
er een beplantingsplan wordt ingediend voor een strook met beplanting van ten minste 3,50 m breed tussen de voorzieningen en de perceelgrens. Het bevoegd gezag kan in een specifieke situatie in het belang van het behoud van het open landschap besluiten dat geen of slechts enkele beplanting moet worden aangelegd. De beplanting zal uit streekeigen soorten bestaan en overeenkomstig het goedgekeurde beplantingsplan worden aangelegd en in stand gehouden;
de bouwhoogte van de lichtmasten niet meer bedraagt dan 10,00 meter;
het aantal lichtmasten niet meer bedraagt dan 6 mag;
er sprake is van objectgerichte verlichting;
de verlichting van de lichtmasten niet buiten de perceelgrens schijnt;
de verlichting van de lichtmasten vanaf 21.00 uur tot zonsopgang niet brandt en van een verzegelde tijdschakelaar is voorzien;
de afstand van de lichtmasten tot de nabij gelegen woningen ten minste 30,00 meter bedraagt;
op basis van een verlichtingsrapport van een ter zake deskundige is aangetoond dat aan de voorwaarden in sub j, k, l en m wordt voldaan.
Overgangsrecht
54.1
Overgangsrecht bouwwerken
a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
- gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
- na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
Het bepaalde in sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
54.2
Overgangsrecht gebruik
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet, behoudens voor zover uit de Richtlijn 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaand gebruik.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Het bepaalde in sub a is niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

Voetnoten

1.Sedertdien bevat het omgevingsplan (mede) vergelijkbare regels.
2.Van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, en artikel 2.3a, eerste lid, Wabo en de artikelen 38.2.3, sub a, en 38.4, sub i, van het bestemmingsplan.
3.In de Bijlage bij de Omgevingswet is thans een vergelijkbare definitie opgenomen.
4.Vergelijk bijvoorbeeld rechtsoverweging 6.3 van ECLI:NL:RVS:2020:2750.
5.In de begripsbepalingen in het bestemmingsplan is “paardenbak” gedefinieerd. In de bestemmingsbepalingen is sprake van “paardrijdbakken”. De rechtbank ziet aanleiding die begrippen als synoniemen te gebruiken en de begrippen in deze uitspraak ook naast elkaar als synoniemen te gebruiken.
6.De Wabo trad op 1 oktober 2010 in werking.
7.Vergelijk de zogenaamde Harderwijk uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
8.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2025:678.
9.Ter zitting hebben eisers bevestigd dat zij zelf niet om handhavend optreden tegen anderen hebben gevraagd.
10.Zie bijvoorbeeld rechtsoverwegingen 3.4 en 3.6. in ECLI:NL:RVS:2026:1947.
11.Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 5.3 in ECLI:NL:RVS:2024:1829.