Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit Venhuizen, eisers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drechterland
[naam 1]en
[naam 2]uit Venhuizen.
Samenvatting
Procesverloop en feiten
“Besluit
Beoordeling door de rechtbank
bestaandepaardrijdbak. Voor beide bestemmingen geldt immers (ook) de volgende regel: er mogen geen paardrijdbakken worden gebouwd, met uitzondering van
bestaande paardrijdbakken. Onder bestaand wordt op grond van artikel 1.19 van het bestemmingsplan verstaan legaal gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is, dan wel waarvoor toen een vergunning was verleend. Eisers voeren in dit kader aan dat de paardenbakken bij de inwerkingtreding van het bestemmingsplan legaal aanwezig waren, en daarom bestaande paardenbakken zijn zoals bedoeld in artikel 3.2.3, 3.4, 38.2.3 en 38.4 van het bestemmingsplan. De paardrijdbakken zijn gebouwd in 2004 en volgens eisers altijd vergunningsvrij geweest, en dus ook voor 2013 (de inwerkingtreding van het bestemmingsplan). Eisers verwijzen in dit verband ook naar een raadsbrief van 26 november 2024 waarin het college heeft toegelicht wat onder “bestaand” zou moeten worden verstaan.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het college tot een proceskostenvergoeding aan eisers van € 233,50.
mr.I.A. Bakker, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026.