Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen
Stichting Flora & Faunabescherming, uit Weesp, de Stichting
het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, het college
de Staat der Nederlanden, de minister van Veiligheid en Justitie.
Samenvatting
Procesverloop
2 september 2019 afgewezen. Uit de passende beoordeling van 27 maart 2015 blijkt namelijk dat de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden daalt als gevolg van het opheffen van de agrarische functies van die percelen in het plangebied voor woningbouw (ook wel genoemd: intern salderen). Er is daarom geen vergunning op grond van de Wnb nodig, zodat geen sprake is van een overtreding.
Op grond van artikel 2.9a van de Wnb geldt ook een bouwvrijstelling, zo volgt uit het bestreden besluit. Deze nieuwe ontwikkelingen leiden er niet toe dat op dit moment (lees: ten tijde van het bestreden besluit) een ander handhavingsbesluit genomen moet worden.
Ook meent de Stichting dat het college ten onrechte de bouwwerkzaamheden op grond van de bouwvrijstelling niet heeft meegewogen. Het college heeft dus ten onrechte geconcludeerd dat door het project vanwege intern salderen geen sprake is significante effecten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Een vergunning op grond van de Wnb was dus wel nodig, terwijl die niet aanwezig was. Dit is een overtreding waartegen handhavend moet worden opgetreden.
Ten aanzien van de door de Afdeling in deze jurisprudentie genoemde overgangsperiode tot 1 januari 2030 voor activiteiten die fysiek zijn gestart tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2025 stelt de Stichting dat in dit geval van een overgangsperiode geen sprake kan zijn. Aan de bouw van de Bloemendalerpolder is immers begonnen voor 2020. Subsidiair stelt de Stichting, voor zover in de periode 2020-2025 wel specifieke activiteiten zijn gestart, dat het college nog steeds moet optreden tegen de voortzetting van activiteiten als de beperking nodig is als passende maatregel om verdere verslechtering te voorkomen. Het college had dit moeten beoordelen. Tot slot stelt de Stichting ten aanzien van nieuwe activiteiten, waaraan na 1 januari 2025 is begonnen, dat van een overgangsperiode ook geen sprake kan zijn.
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Overschrijding redelijke termijn
€ 5.000,- schadevergoeding (oftewel tien keer € 500,- per half jaar). De rechtbank heeft vervolgens onderzocht aan wie deze overschrijding is te wijten voor welk deel, en verdeelt het schadebedrag als volgt.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke uitspraaktermijn toe ten bedrage van € 5.000,-;
- veroordeelt het college tot betaling van een deel van het schadebedrag ter hoogte van € 2.719,30;
- veroordeelt de Staat tot betaling van een deel van het schadebedrag ter hoogte van