ECLI:NL:RBNHO:2026:7512

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
HAA 22/6155
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 WnbArt. 1.11 WnbArt. 2.9a WnbArt. 2.9 Aanvullingswet natuur OmgevingswetArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek tegen aanleg woonwijk Bloemendalerpolder zonder natuurvergunning

De Stichting Flora & Faunabescherming verzocht het college om handhavend op te treden tegen de aanleg van een nieuwe woonwijk in de Bloemendalerpolder zonder natuurvergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb). Het college wees dit verzoek af, waarna de Stichting beroep instelde bij de rechtbank Noord-Holland.

De rechtbank beoordeelde het beroep mede aan de hand van nieuwe jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van december 2024 en mei 2025, waarin is bepaald dat een overgangsperiode geldt voor activiteiten gestart tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2025, waarin het bevoegd gezag niet handhavend kan optreden. Hoewel de werkzaamheden in de Bloemendalerpolder vóór 2020 zijn gestart, oordeelde de rechtbank dat materieel sprake is van een vergelijkbare situatie en dat het college daarom niet bevoegd is om handhavend op te treden tot 1 januari 2030.

De rechtbank concludeerde dat het college terecht afzag van handhaving en verklaarde het beroep van de Stichting ongegrond. Daarnaast kende de rechtbank de Stichting een schadevergoeding toe van €5.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan een deel door het college en een deel door de Staat wordt betaald.

Uitkomst: Het beroep van de Stichting wordt ongegrond verklaard en het college mocht afzien van handhaving tot 1 januari 2030.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/6155

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen

Stichting Flora & Faunabescherming, uit Weesp, de Stichting

(gemachtigde: mr. J.E. Dijk),
en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, het college

(gemachtigde: mr. F. Sassen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
GEM Bloemendalerpolder Beheer B.V. uit Amsterdam, GEM
(gemachtigde: mr. J.C. Ellerman)
en

de Staat der Nederlanden, de minister van Veiligheid en Justitie.

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van de Stichting aan het college om handhavend op te treden tegen het zonder natuurvergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) aanleggen van een nieuwe woonwijk in de Bloemendalerpolder door GEM. De Stichting is het niet eens met de afwijzing van haar handhavingsverzoek. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of het college kon besluiten om af te zien van handhaving.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college kon afzien van handhaving en dat het beroep daarom ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.3
De rechtbank geeft eerst het procesverloop en de standpunten van partijen weer. Daarna gaat de rechtbank onder 3 in op het overgangsrecht. Onder 4 bespreekt de rechtbank vervolgens waarom de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 december 2024 [1] en 28 mei 2025 [2] in de beoordeling van het beroep worden betrokken. Onder 5 beoordeelt de rechtbank of sprake is van een overtreding. Onder 6 beoordeelt de rechtbank of het college ook handhavend op moet treden. Onder 7 staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Ten slotte gaat de rechtbank onder 8 in op het verzoek van de Stichting tot toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Procesverloop

2.1
GEM realiseert het project ‘Bloemendalerpolder’, te weten de bouw van 2.750 woningen met bijbehorende voorzieningen in de Bloemendalerpolder. Dit gebied ligt ten zuidoosten van Amsterdam, tussen Weesp en Muiden. Het totale oppervlak van de Bloemendalerpolder bedraagt circa 300 hectare. Het project is onderverdeeld in een aantal gebiedsdelen en fasen, waarin de werkzaamheden plaatsvinden.
2.2
Voor het realiseren van dit project zijn twee bestemmingsplannen opgesteld, namelijk ‘Bloemendalerpolder Weesp’ en ‘Bloemendalerpolder voormalig grondgebied Muiden’. In dat verband is een milieu effect rapportage (m.e.r.) procedure doorlopen en is een passende beoordeling “Weesp en Muiden, Bloemendalerpolder’ van 27 maart 2015 opgesteld.
2.3
De Stichting heeft op 10 juli 2019 het college verzocht om handhaving en stillegging van de werkzaamheden die worden uitgevoerd in de Bloemendalerpolder omdat volgens haar sprake is van een overtreding van artikel 2.7, tweede lid en artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming (Wnb). Volgens de Stichting is een natuurvergunning nodig voor de werkzaamheden en die is er niet. Onder meer heeft de Stichting in het verzoek aangegeven dat als gevolg van de bouw en het gebruik van de nieuwe woonwijk sprake zal zijn van extra stikstofdepositie op de al overbelaste habitats in de omliggende Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer, Naardermeer, Oostelijke Vechtplassen en Botshol.
2.4
Het college heeft het verzoek om handhaving in het primaire besluit van
2 september 2019 afgewezen. Uit de passende beoordeling van 27 maart 2015 blijkt namelijk dat de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden daalt als gevolg van het opheffen van de agrarische functies van die percelen in het plangebied voor woningbouw (ook wel genoemd: intern salderen). Er is daarom geen vergunning op grond van de Wnb nodig, zodat geen sprake is van een overtreding.
2.5
De Stichting heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In een besluit van 12 juni 2020 is het bezwaar van de Stichting door het college niet-ontvankelijk verklaard, omdat de statutaire doelstellingen van de Stichting volgens het college zo veelomvattend zijn dat het belang van de Stichting niet rechtsreeks is betrokken bij het besluit.
2.6
De Stichting heeft hiertegen beroep ingesteld. In een uitspraak [3] van 19 juli 2022 is door deze rechtbank geoordeeld dat de Stichting wel belanghebbende is en dat het bezwaar daarom ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Het college diende alsnog inhoudelijk op het bezwaar te beslissen.
2.7
In het bestreden besluit van 26 oktober 2022 heeft het college het bezwaar van de Stichting ongegrond verklaard. Het college erkent in dat besluit dat ten tijde van het primaire besluit wel een natuurvergunning nodig was, omdat er destijds een plicht voor een zogeheten verslechteringsvergunning gold. Had GEM de vergunning toen aangevraagd, dan was die wel verleend. Het college is daarom van oordeel dat het primaire besluit (waarin het handhavingsverzoek was afgewezen) toch in stand kan blijven.
Op grond van jurisprudentie [4] van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft het college in de heroverweging ook nieuwe ontwikkelingen ten tijde van het bestreden besluit betrokken. Uit de wetswijziging van 1 januari 2020 volgt dat het project op grond van het per die datum geldende recht niet meer vergunningplichtig is. Daarnaast is sprake van intern salderen, omdat door het project geen significante effecten zijn te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden.
Op grond van artikel 2.9a van de Wnb geldt ook een bouwvrijstelling, zo volgt uit het bestreden besluit. Deze nieuwe ontwikkelingen leiden er niet toe dat op dit moment (lees: ten tijde van het bestreden besluit) een ander handhavingsbesluit genomen moet worden.
Het door de Stichting overgelegde rapport “Weesp; Bloemendalerpolder; stikstofberekening”, is onvolledig en de resultaten worden niet ondersteund door AERIUS-berekeningen. De stelling dat de stikstofemissies in de passende beoordeling van 27 maart 2015 zijn onderschat, volgt het college ook niet.
2.8
De Stichting heeft daartegen beroep ingesteld en voert (samengevat) aan dat het college ten onrechte het handhavingsverzoek heeft afgewezen. Allereerst stelt de Stichting dat het college niet de passende beoordeling van 27 maart 2015 als uitgangspunt kon nemen, omdat die beoordeling verouderd is. Een nieuwe passende beoordeling had uitgevoerd moeten worden. Daarnaast stelt de Stichting dat deze passende beoordeling uit 2015 een aantal gebreken heeft. De Stichting heeft ter onderbouwing een second-opinion overlegd van het bureau Apollon milieu van 10 augustus 2023.
Ook meent de Stichting dat het college ten onrechte de bouwwerkzaamheden op grond van de bouwvrijstelling niet heeft meegewogen. Het college heeft dus ten onrechte geconcludeerd dat door het project vanwege intern salderen geen sprake is significante effecten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Een vergunning op grond van de Wnb was dus wel nodig, terwijl die niet aanwezig was. Dit is een overtreding waartegen handhavend moet worden opgetreden.
2.9
Het college stelt in het verweerschrift van 29 oktober 2024 dat het verzoek om handhaving terecht is afgewezen, omdat uit de passende beoordeling van 27 maart 2015 volgt dat significante effecten op de omliggende Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten vanwege de toepassing van intern salderen. Ten tijde van het bestreden besluit gold een bouwvrijstelling en voor de gebruiksfase gold ook geen vergunningplicht, omdat het project per saldo geen toename aan stikstofdepositie veroorzaakt. De in het rapport van Apollon milieu genoemde kritiek op de passende beoordeling volgt het college ten slotte niet. Er is geen sprake van een overtreding.
2.1
GEM heeft in reactie op het beroep op 30 oktober 2024 een memo van Rho-adviseurs van 24 oktober 2024 overgelegd, waaruit volgt dat de ontwikkeling van de Bloemendalerpolder, ook rekening houdend met de meest actuele inzichten en modellen, niet leidt tot significante negatieve effecten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Er is dus ook volgens GEM geen sprake van een overtreding.
2.11
De Stichting heeft daarop gereageerd en een notitie van Apollon milieu van 14 november 2024 overgelegd ter nadere onderbouwing van haar standpunten.
2.12
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens de Stichting: de gemachtigde van de Stichting, [naam 1] van Apollon milieu, [naam 2] en [naam 3] . Namens het college hebben deelgenomen: de gemachtigde van het college, [naam 4] en mr. [naam 5] . Tot slot hebben namens GEM deelgenomen: de gemachtigde van GEM, mr. [naam 8] , [naam 6] van Rho Advies en [naam 7] . Na de zitting is het onderzoek gesloten.
2.13
Op 17 maart 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en partijen gevraagd om te reageren op twee uitspraken [5] van de Afdeling van 18 december 2024 waarin de jurisprudentie over intern salderen is gewijzigd. Daarna heeft de rechtbank partijen ook gevraagd om te reageren op een uitspraak [6] van de Afdeling van 28 mei 2025 over intern salderen met voorheen agrarische gronden.
2.14
In de reacties van 10 april en 7 juli 2025 stelt de Stichting dat uit de jurisprudentie volgt dat voor het project Bloemendalerpolder een vergunningplicht op grond van de Wnb geldt. Uit deze jurisprudentie volgt ook dat dit toetsingskader direct van toepassing is in lopende en toekomstige handhavingsprocedures. Daarnaast is het zogeheten additionaliteitsvereiste door het college niet getoetst. Dit betekent ook dat op grond van artikel 2.8 Wnb een nieuwe passende beoordeling nodig is.
Ten aanzien van de door de Afdeling in deze jurisprudentie genoemde overgangsperiode tot 1 januari 2030 voor activiteiten die fysiek zijn gestart tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2025 stelt de Stichting dat in dit geval van een overgangsperiode geen sprake kan zijn. Aan de bouw van de Bloemendalerpolder is immers begonnen voor 2020. Subsidiair stelt de Stichting, voor zover in de periode 2020-2025 wel specifieke activiteiten zijn gestart, dat het college nog steeds moet optreden tegen de voortzetting van activiteiten als de beperking nodig is als passende maatregel om verdere verslechtering te voorkomen. Het college had dit moeten beoordelen. Tot slot stelt de Stichting ten aanzien van nieuwe activiteiten, waaraan na 1 januari 2025 is begonnen, dat van een overgangsperiode ook geen sprake kan zijn.
2.15
Het college stelt in reacties van 17 april en 31 juli 2025 dat deze nieuwe jurisprudentie niet kan worden betrokken in de beoordeling van het beroep. Het betreft hier een handhavingszaak en het bestreden besluit van 26 oktober 2022 moet daarom door de rechtbank worden getoetst naar het recht en de feiten op het moment dat het besluit is genomen (de zogenoemde ex tunc-toets).
2.16
GEM stelt in haar reacties van 10 april en 27 juni 2025 primair dat sprake is van een ex tunc-toets van het bestreden besluit, zodat deze gewijzigde jurisprudentie niet meegenomen kan worden in de beoordeling van het beroep. Subsidiair stelt GEM dat voor haar een overgangsperiode als bedoeld inde uitspraken van 18 december 2024 geldt. De vraag of nu (alsnog) een natuurvergunning is vereist, dient niet in deze procedure te worden beoordeeld. GEM heeft tot januari 2030 om alsnog een natuurvergunning aan te vragen.
2.17
De rechtbank heeft op 26 augustus 2025 partijen bericht dat zij een nadere zitting niet nodig acht en gevraagd of partijen willen aangeven of zij het noodzakelijk achten dat zij op een nieuwe zitting gehoord worden. GEM heeft op 22 september 2025 aangegeven een nieuwe zitting te wensen.
2.18
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 wederom op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens de Stichting: de gemachtigde van de Stichting, [naam 1] van Apollon milieu, [naam 2] en [naam 3] . Namens het college hebben deelgenomen: de gemachtigde van het college en mr. J.E. Benz. Namens GEM hebben deelgenomen: de gemachtigde van GEM en mr. [naam 8] .

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 is de Wnb ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat het handhavingsverzoek van de Stichting vóór die datum is ingediend, is in deze zaak de Wnb nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 2.9, eerste lid, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet.
De nieuwe jurisprudentie van de Afdeling
4. De rechtbank is van oordeel dat de jurisprudentie van de Afdeling van 18 december 2024 en 28 mei 2025 (verder de nieuwe jurisprudentie) bij de beoordeling van dit beroep moet worden betrokken en legt dat als volgt uit. In de uitspraken van 18 december 2024 heeft de Afdeling [7] expliciet overgewogen dat het gewijzigde toetsingskader direct van toepassing is in lopende en toekomstige handhavingsprocedures. De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van “een lopende handhavingsprocedure”, omdat het bestreden besluit nog niet onherroepelijk is. De stelling van het college en GEM dat van een lopende handhavingsprocedure slechts sprake is totdat op het bezwaar is beslist, volgt de rechtbank niet. De Afdeling heeft dit immers niet zo omschreven in haar uitspraken van 18 december 2024 of enige uitzondering gemaakt op de directe toepassing. Als dit standpunt wel gevolgd zou worden, leidt dit feitelijk tot een ex tunc-toetsing van het bestreden besluit, waar de Afdeling juist expliciet van af is geweken in deze nieuwe jurisprudentie.
Is sprake van een overtreding?
5. Tijdens de zitting van 16 april 2026 is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat GEM op grond van het nieuwe toetsingskader van de Afdeling alsnog een natuurvergunning dient te hebben. GEM heeft echter geen vergunning op grond van de Wnb voor het project de Bloemendalerpolder. Wel is GEM om die reden met het college in overleg ter voorbereiding van de indiening van een aanvraag voor een natuurvergunning. Dat betekent dat, met terugwerkende kracht, het college ten onrechte heeft gesteld in het bestreden besluit dat geen sprake is van een overtreding.
Heeft het college de bevoegdheid om handhavend op te treden?
6.1
De Afdeling heeft zich in de 18 december-uitspraken [8] gerealiseerd dat de wijziging van haar rechtspraak over intern salderen en de directe werking daarvan, gevolgen heeft voor activiteiten die zijn gestart op of na 1 januari 2020 en waarvan steeds werd aangenomen dat deze, via het mechanisme van intern salderen, niet vergunningplichtig waren. Daarom heeft de Afdeling voor activiteiten die tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2025 fysiek zijn gestart, die na die datum nog in uitvoering zijn of nog worden geëxploiteerd én waarvan op grond van de voorheen geldende rechtspraak over intern salderen mocht worden aangenomen dat geen natuurvergunning nodig was, voorzien in een overgangsperiode van vijf jaar (tot 1 januari 2030) waarin het bevoegd gezag niet handhavend kan optreden. De initiatiefnemer kan in deze periode onderzoeken of voor de voortzetting van de activiteit een natuurvergunning nodig is. Als dat zo is, dan kan de initiatiefnemer de overgangsperiode gebruiken om een aanvraag voor een natuurvergunning te doen.
6.2
De rechtbank is van oordeel dat de activiteiten die GEM uitvoert voor de Bloemendalerpolder als één project gezien moeten worden. Het handhavingsverzoek van de Stichting had ook betrekking op het gehele project. De rechtbank stelt verder vast dat de activiteiten voor het project Bloemendalerpolder zijn gestart vóór 1 januari 2020. De eerste omgevingsvergunning is immers aan GEM verleend in november 2019 en het handhavingsverzoek voor de activiteiten van GEM in de Bloemendalerpolder dateert van 10 juli 2019. Ter zitting is verder gebleken dat deze werkzaamheden tot op heden nog steeds plaatsvinden en dat een overgroot deel van de beoogde 2.750 woningen inmiddels is opgeleverd. De rechtbank is, gelet hierop, van oordeel dat van een overgangsperiode als bedoeld in de nieuwe jurisprudentie van de Afdeling strikt genomen geen sprake kan zijn.
6.3
De rechtbank is echter van oordeel dat materieel wel sprake is van eenzelfde situatie als de in de 18-december uitspraken bedoelde situatie waarvoor een overgangsperiode is bepaald en dat in deze zaak overeenkomstig moet worden gehandeld. De rechtbank legt dat als volgt uit.
Uit de nieuwe jurisprudentie blijkt dat de Afdeling uit oogpunt van rechtszekerheid voor het bepalen van een overgangsperiode heeft gekozen. Met het bepalen van een overgangsperiode waarin niet handhavend kan worden opgetreden door het bevoegd gezag, wordt namelijk recht gedaan aan initiatiefnemers die (onder meer op basis van de rechtspraak van de Afdeling) veronderstelden dat voor hun activiteit geen natuurvergunning nodig was en hun handelen daarop hebben afgestemd. Daarvan is hier ook sprake. De Wnb kende tot 1 januari 2020 de verslechteringsvergunning. Ten tijde van het primaire besluit had GEM die verslechteringsvergunning wel nodig, maar het college stelde zich in het primaire besluit op het standpunt dat dit niet zo was. Vervolgens wijzigde op 1 januari 2020 de natuurvergunningplicht, waardoor de verslechteringsvergunning verviel. Dat betekent dat ten tijde van het bestreden besluit GEM niet langer een natuurvergunning nodig had. In zoverre is deze constatering van het college in het bestreden besluit van 26 oktober 2022 dan ook juist. GEM heeft dus in de gehele projectperiode en in ieder geval sinds het primaire besluit van 2 september 2019 steeds de veronderstelling gehad dat zij geen natuurvergunning nodig had.
Door de onmiddellijke werking van de uitspraken van de Afdeling over intern salderen van 18 december 2024, zijn de activiteiten waarvoor op grond van de voorheen geldende rechtspraak over intern salderen geen natuurvergunning nodig was, nu alsnog vergunningplichtig vanaf december 2024. Als voorwaarde geldt wel dat de activiteiten na de uitspaak nog in uitvoering zijn en significante gevolgen daarvan niet op grond van objectieve gegevens op voorhand zijn uitgesloten. Ook dat is hier het geval.
6.4
Dat betekent dat de rechtbank aanleiding ziet om de door de Afdeling bepaalde overgangsperiode ook in deze zaak van toepassing te achten. Het college is daardoor niet bevoegd om handhavend op te treden tot 1 januari 2030.
6.5
Ten slotte merkt de rechtbank nog op dat de Afdeling in de nieuwe jurisprudentie [9] nog wel heeft overwogen dat het niet zo is dat het bevoegd gezag in de overgangsperiode in het geheel niet kan optreden tegen de voortzetting van de activiteiten. Het bevoegd gezag kan, als de beperking of beëindiging van een activiteit nodig is als passende maatregel om verslechteringen of significante verstoringen van natuurwaarden in een Natura 2000-gebied te voorkomen, de instrumenten die de Omgevingswet daarvoor kent (zoals de specifieke zorgplicht en het stellen van maatwerkvoorschriften) voor deze activiteiten inzetten. Het college zal dit alsnog moeten beoordelen.

Conclusie en gevolgen

7. Dat betekent dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen. De Stichting krijgt dus geen gelijk en haar beroep is dus ongegrond. De Stichting krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Overschrijding redelijke termijn

8.1
De Stichting heeft in haar beroep ook verzocht om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn.
8.2
De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het
bezwaarschrift heeft ontvangen. Naar vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de behandeling van het bezwaar en beroep gezamenlijk twee jaar mag duren, waarbij voor bezwaar een termijn van zes maanden en voor beroep anderhalf jaar als redelijk wordt gezien. Nu bij de rechtbank om schadevergoeding is verzocht, wordt de vraag of de redelijke termijn is overschreden beoordeeld naar de stand van de zaak op het moment van de uitspraak van de rechtbank, waarbij de duur van de totale procedures in ogenschouw wordt genomen. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarbij wordt het totaal van de overschrijding afgerond naar boven.
8.3
Het bezwaar is ingediend op 10 oktober 2019. Dit betekent dat de procedure tot de uitspraakdatum zes jaar en bijna negen maanden heeft geduurd. Dit is een overschrijding van vier jaar en bijna negen maanden van de redelijke uitspraaktermijn van twee jaar, oftewel zevenenvijftig maanden. De Stichting heeft dus in totaal recht op
€ 5.000,- schadevergoeding (oftewel tien keer € 500,- per half jaar). De rechtbank heeft vervolgens onderzocht aan wie deze overschrijding is te wijten voor welk deel, en verdeelt het schadebedrag als volgt.
8.4
Uit de jurisprudentie volgt dat in zaken waarin een besluit na een eerdere vernietiging opnieuw aan de rechter wordt voorgelegd, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig wordt toegerekend aan het bestuursorgaan. Dat betekent dat de periode van 10 oktober 2019 tot het bestreden besluit van 26 oktober 2022, voor rekening van het college komt. Het college heeft een periode van drie jaar en zestien dagen gebruikt voor de bezwaarprocedures, wat afgezet tegen de redelijke termijn van zes maanden, een overschrijding is van twee jaar, zes maanden en zestien dagen is (naar boven afgerond 31 maanden).
8.5
De rechtbank heeft het beroep ontvangen op 6 december 2022. Tot aan de uitspraak van heden heeft de rechtbank een periode van drie jaar en afgerond zeven maanden en drie dagen nodig gehad. Dit is een overschrijding van twee jaar, een maand en drie dagen van de redelijke termijn van anderhalf jaar (naar boven afgerond 26 maanden).
8.6
Het voorgaande leidt tot de eindberekening dat 31 van de totaal 57 maanden overschrijding (31/57e deel van het totale schadebedrag van € 5.000,-) moet worden vergoed door het college, naar verhouding van het aantal maanden overschrijding. De rechtbank dient 26 van de totaal 57 maanden (26/57e deel van het totale schadebedrag van € 5.000,-) te vergoeden. Dit komt voor rekening van de Staat, zodat die van rechtswege onderdeel uitmaakt van deze procedure.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke uitspraaktermijn toe ten bedrage van € 5.000,-;
  • veroordeelt het college tot betaling van een deel van het schadebedrag ter hoogte van € 2.719,30;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van een deel van het schadebedrag ter hoogte van
€ 2.280,70.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, voorzitter en mr. J.M. Janse van Mantgem en mr. R. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2025.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

3.HAA 20/3766, niet gepubliceerd.
4.Zie de uitspraak van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571.
7.Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 1.9 van ECLI:NL:RVS:2024:4923.
8.Zie rechtsoverweging 24 van ECLI:NL:RVS:2024:4923.
9.Zie rechtsoverweging 24.4.