ECLI:NL:RBNHO:2026:7752

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
K/4102/12118861
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:37 lid 3 BWArt. 6:230m lid 1 BWArt. 6:230v lid 3 BWArt. 6:230v lid 7 BWArt. 6:96 lid 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing vordering wegens schending precontractuele informatieplichten bij koop op afstand

Alektum Capital AG vordert betaling van een consument wegens niet-betaalde koopprijs van via Klarna gefinancierde schoenen besteld bij Nike. De consument stelde verjaring en retourzending van de schoenen als verweer, maar slaagde niet in de bewijslevering daarvan. De kantonrechter oordeelt dat de aanmaningen rechtsgeldig zijn verstuurd en de vordering niet verjaard is.

Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten leidt tot de conclusie dat de webwinkel niet voldeed aan artikel 6:230v lid 3 BW, omdat de bestelknop niet ondubbelzinnig aangaf dat bestellen een betalingsverplichting inhoudt. Ook ontbrak informatie over het herroepingsrecht in de factuur en bestelbevestiging, in strijd met artikel 6:230v lid 7 BW.

De kantonrechter past een sanctie toe door de betalingsverplichting van de consument met 40% te verminderen. De vordering wordt daardoor gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van €44,98 plus buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. De rente over het te hoge bedrag wordt afgewezen. De consument wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen met een vermindering van 40% van de betalingsverplichting wegens schending van informatieplichten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 12118861 \ CV EXPL 26-1314
Uitspraakdatum: 22 juli 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Alektum Capital AG.
gevestigd te Zug (Zwitserland)
de eisende partij
gemachtigde: [gemachtigde]
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
de gedaagde partij
procederend in persoon

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek.
1.2.
[gedaagde] heeft daarna niet meer gereageerd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De vordering

2.1.
Alektum vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 74,97 aan hoofdsom, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten.
2.2.
Alektum legt – kort gezegd – het volgende aan de vordering ten grondslag. [gedaagde] heeft goederen gekocht via de website van Nike (hierna: de webwinkel). Bij het afronden van de bestelling heeft [gedaagde] gekozen voor de achteraf betaalmethode van Klarna. Dat wil zeggen dat [gedaagde] de gekochte goederen later, namelijk binnen 30 dagen na de aankoop of binnen 14 dagen na verzending van de bestelling, hoefde te betalen aan Klarna. [gedaagde] heeft dat niet gedaan. Klarna heeft de vordering op [gedaagde] vervolgens verkocht aan Alektum.

3.De beoordeling

Verjaring
3.1.
Het meest verstrekkende verweer [gedaagde] is dat de vordering van Alektum is verjaard. De kantonrechter zal daarom allereerst dit verjaringsverweer beoordelen. Daarover wordt als volgt overwogen.
3.2.
Vooropgesteld wordt dat de vordering is gebaseerd op een koopovereenkomst tussen een handelaar en een consument. Voor een dergelijke overeenkomst geldt op grond van artikel 7:28 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) een verjaringstermijn van twee jaren voor de rechtsvordering tot betaling van de koopprijs. De bestelling dateert van 16 juni 2023. [gedaagde] heeft daarom in beginsel terecht opgemerkt dat op het moment dat de dagvaarding aan hem is betekend meer dan twee jaren waren verstreken. De vraag is dan ook of de verjaring tijdig is gestuit. Alektum heeft in dit verband verwezen naar de aanmaningsbrieven die zij op 1 maart 2024, 9 december 2024 en 12 oktober 2025 naar [gedaagde] heeft verstuurd (en die zijn overgelegd als productie 9).
3.3.
Het uitgangspunt is ingevolge artikel 3:37 lid 3 BW Pro (de ontvangsttheorie) dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring (in casu de schriftelijke aanmaningen), om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Alektum heeft de overgelegde aanmaningen verstuurd naar het huidige woonadres van [gedaagde], dat hij heeft opgegeven bij het plaatsen van de bestelling en alwaar de dagvaarding in de onderhavige procedure ook is betekend. De kantonrechter is van oordeel dat Alektum in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen dat [gedaagde] op zijn woonadres kon worden bereikt en dat de aanmaningen daar zijn aangekomen. Dit betekent dat de vordering van Alektum, doordat deze rechtsgeldig is gestuit, niet is verjaard.
Retour
3.4.
[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat hij de koopprijs niet verschuldigd is, omdat hij de schoenen retour heeft gezonden naar de webwinkel. Op [gedaagde] rust ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro de stelplicht en de bewijslast van zijn stelling. Hij is immers degene die zich op de rechtsgevolgen van zijn stelling beroept. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet in zijn bewijslast is geslaagd. [gedaagde] heeft iedere vorm van bewijs van de door hem gestelde retourzending nagelaten. Het verweer van [gedaagde] wordt daarom als onvoldoende onderbouwd gepasseerd. Nadere bewijslevering is daarmee niet aan de orde en het moet er daarom voor worden gehouden dat [gedaagde] de schoenen heeft gehouden en hij moet daarvoor dan ook betalen. De gevorderde hoofdsom wordt toegewezen, behoudens het navolgende.
Consumentenrecht
De koopovereenkomst
3.5.
De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden nageleefd. [1]
Ambtshalve toetsing van informatieplichten: de bestelknop
3.6.
Artikel 6:230v lid 3 BW bevat een bijzondere verplichting voor overeenkomsten die op elektronische wijze worden gesloten, zoals de onderhavige overeenkomst. De handelaar moet het elektronische bestelproces zo inrichten dat de consument een aanbod pas kan aanvaarden als hem op niet voor misverstand vatbare wijze duidelijk is gemaakt dat zijn bestelling een betalingsverplichting inhoudt. Indien de overeenkomst wordt aanvaard door gebruik van een knop of soortgelijke functie, moet die knop of soortgelijke functie worden uitgerust met een goed leesbare, ondubbelzinnige formulering waaruit blijkt dat het plaatsen van de bestelling een betalingsverplichting jegens de handelaar inhoudt. De kantonrechter mag bij de beoordeling alleen rekening houden met de woorden op de bestelknop (of soortgelijke functie) en niet met de verdere omstandigheden van het bestelproces. [2]
3.7.
Uit de toelichting en stukken blijkt dat op de bestelknop die de webwinkel hanteert, “Ga verder en bekijk je bestelling” staat. Daarmee is geen duidelijke mededeling gedaan dat de consument met het aanklikken van die knop een betalingsverplichting aangaat, zodat niet is voldaan aan de verplichting van artikel 6:230v lid 3 BW. Voor deze schending zal een sanctie worden toegepast.
Ambtshalve toetsing van de overige precontractuele informatieplichten
3.8.
Alektum heeft voldoende toegelicht en onderbouwd dat de webwinkel heeft voldaan aan de overige precontractuele informatieplichten.
Ambtshalve toetsing van de contractuele informatieplicht
3.9.
In verband met de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW heeft Alektum verwezen naar de factuur van de webwinkel en de bestelbevestiging van Klarna. Daarin staat echter niet alle in artikel 6:230m lid 1 BW genoemde informatie. Zo ontbreekt (onder meer) informatie over het herroepingsrecht. Voor deze schending zal een sanctie worden toegepast.
Welke sanctie hoort hierbij?
3.10.
De kantonrechter moet aan de schending van de informatieplichten, inclusief artikel 6:230v lid 3 BW, gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn. [3] De kantonrechter zal daarom op grond van de hiervoor vastgestelde schending(en) de overeenkomst met toepassing van de sanctierichtlijn [4] gedeeltelijk vernietigen in die zin dat de betalingsverplichting van [gedaagde] wordt verminderd met 40%.
De kredietovereenkomst
3.11.
[gedaagde] heeft gekozen voor uitgestelde betaling via Klarna. Uitgestelde betaling is een vorm van kredietverstrekking. Daarop zijn de regels voor consumentenkredietovereenkomsten (artikelen 7:57 e.v. BW) van toepassing, tenzij sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 7:58 lid 2 BW Pro. Het Hof van Justitie [5] heeft geoordeeld dat overeenkomsten als de onderhavige in beginsel onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 sub e BW Pro (kredietovereenkomsten met slechts onbetekenende kosten) vallen. Dit is alleen anders als die bijkomende kosten (zoals rente en buitengerechtelijke kosten) deel uitmaken van het verdienmodel van de kredietverstrekker, hetgeen hier niet is gebleken. Daarom is toetsing van de overeenkomst aan de regels betreffende consumentenkredietovereenkomsten niet aan de orde.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
3.12.
De kantonrechter is ook gehouden om ambtshalve onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. [6]
3.13.
Vanwege de door [gedaagde] gekozen betalingswijze, waardoor de vordering van de webwinkel op [gedaagde] direct wordt gecedeerd aan Klarna, zijn de algemene voorwaarden van Klarna van toepassing op de kredietovereenkomst. Deze moeten dan ook ambtshalve worden getoetst.
3.14.
Op de overeenkomst(en) zijn de algemene voorwaarden van Klarna (
Koop nu – Betaal later), van 29 maart 2021 van toepassing. Het daarin opgenomen incassobeding is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Wat is toewijsbaar?
3.15.
Gelet op het voorgaande is een bedrag van € 44,98 aan hoofdsom toewijsbaar (€ 74,97 x 0.60).
3.16.
De buitengerechtelijke kosten zijn toewijsbaar, omdat de aanmaning van 1 maart 2024 voldoet aan de vereisten van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Deze tarieven worden redelijk geacht. [gedaagde] wordt daarom veroordeeld tot betaling van € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten.
3.17.
De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat Alektum die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding.
Conclusie en proceskosten
3.18.
De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen.
3.19.
[gedaagde] wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt de [gedaagde] tot betaling aan Alektum van € 84,98, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 44,98 vanaf 5 februari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Alektum tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 127,08;
griffierecht € 139,00;
salaris gemachtigde € 80,00;
4.3.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021,ECLI:NL:HR:2021:1677.
2.HvJ EU 7 april 2022, ECLI:EU:C:2022:269 (Fuhrmann), punt 28.
3.Hoge Raad 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1366 en Hoge Raad 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
5.HvJ EU 17 oktober 2024, zaak C- 409/23, ECLI:EU:C:2024:895 (Riverty).
6.HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:NL:EU:C:68 (Dexia).