ECLI:NL:RBNHO:2026:8171

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
HAA 26/2269
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet goed verhuurderschapArt. 8:81 AwbArt. 6:19 AwbArt. 5:34 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake last onder dwangsom Wet goed verhuurderschap

Verzoeker had een last onder dwangsom opgelegd gekregen wegens het niet schriftelijk vastleggen van huurovereenkomsten voor recreatiewoningen, in strijd met de Wet goed verhuurderschap. Na bezwaar en beroep stelde het college de last in stand, maar verzoeker stelde dat inmiddels aan de last was voldaan door het opstellen van schriftelijke huurovereenkomsten.

Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om de last onder dwangsom op te schorten of in te trekken, omdat er geen overtreding meer was en de dreiging van dwangsominvordering onredelijk was. Het college stelde dat er geen spoedeisend belang was en dat de last noodzakelijk was om naleving ook in de toekomst te waarborgen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker op dit moment voldoet aan de last en dat er geen sprake is van onomkeerbare gevolgen of spoedeisend belang. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Tevens werd het verzoek tot intrekking van de last niet ingewilligd, omdat het algemeen belang en het belang van toekomstige bewoners bij correcte huurverhoudingen zwaarwegend zijn.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat voldaan is aan de last onder dwangsom en geen spoedeisend belang bestaat.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/2269

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit Sint Maartensvlotbrug, verzoeker

(gemachtigde: mr. E.M.M. Eyking),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen

(gemachtigden: A. van Reeuwijk en J. Schouten).

Procesverloop

1.1.
Naar aanleiding van een handhavingscontrole op de percelen aan de [adres] [nummer 1] [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] , [nummer 7] en [nummer 8] heeft het college verzoeker per e-mail van 10 april 2025 verzocht om de huurovereenkomsten met de huurder(s) van de recreatiewoningen te overleggen. Daarop heeft verzoeker op 18 en 30 april 2025 per e-mail geantwoord dat de betreffende recreatiewoningen op basis van mondelinge afspraken worden verhuurd met de mensen die ingeschreven staan en dat er geen schriftelijke verhuurovereenkomsten beschikbaar zijn. Vanwege het niet hebben van schriftelijke huurovereenkomsten heeft het college verzoeker op 14 juli 2025 geïnformeerd over het voornemen om een last onder dwangsom op te leggen vanwege de overtreding van de Wet goed verhuurderschap om zodoende de overtreding te beëindigen en te voorkomen dat deze overtreding in de toekomst nogmaals voorkomt. Op 21 juli 2025 heeft verzoeker zijn zienswijze kenbaar gemaakt.
1.2.
Met het primaire besluit van 4 augustus 2025, verzonden 5 augustus 2025, heeft het college verzoeker gelast om de overtreding van artikel 2, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet goed verhuurderschap te beëindigen en beëindigd te houden binnen vier weken na verzenddatum van het primaire besluit onder verbeurte van een dwangsom van € 3.000,- per overtreding, tot een bedrag van maximaal € 12.000,-. Verzoeker kan onder andere aan deze last voldoen door voor alle woon- en verblijfsruimten die hij verhuurt in de gemeente Schagen schriftelijke huurovereenkomsten op te stellen en aan de huurders te verstrekken. Hiertegen heeft verzoeker op 17 augustus 2025 bezwaar gemaakt en tevens het college verzocht de begunstigingstermijn te verlengen tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
1.3.
Met het besluit van 22 augustus 2025 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
1.4.
Met het bestreden besluit van 19 maart 2026 op het bezwaar van verzoeker heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de externe commissie bezwaar, het primaire besluit in stand gelaten. Hiertegen heeft verzoeker op 23 maart 2026 beroep ingesteld.
1.5.
Tevens heeft verzoeker op 23 maart 2026 het college verzocht de begunstigingstermijn op te schorten tot zes weken nadat op het beroep is beslist. Het college heeft verzoeker op 31 maart 2026 geïnformeerd over het voornemen niet mee te werken aan het opschorten van de begunstigingstermijn. Op 1 april 2026 heeft verzoeker zijn zienswijze kenbaar gemaakt en tevens het college verzocht om de last onder dwangsom in te trekken, omdat voldaan wordt aan de last onder dwangsom.
1.6.
Met het besluit van 16 april 2026 heeft het college het verzoek van verzoeker om de begunstigingstermijn te verlengen afgewezen. Volgens het college bestaat er geen belang meer bij verlenging van de begunstigingstermijn, omdat verzoeker stelt dat de huurovereenkomsten inmiddels op schrift zijn gesteld en daarmee reeds voldaan wordt aan de last onder dwangsom.
1.7.
Het college heeft verzoeker op 16 april 2026 geïnformeerd over het voornemen het verzoek tot intrekking van de last onder dwangsom af te wijzen. Op 20 april 2026 heeft verzoeker zijn zienswijze kenbaar gemaakt.
1.8.
Op 16 april 2026, aangevuld op 22 april 2026, heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, omdat de begunstigingstermijn afloopt op 30 april 2026. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter het bestreden besluit te schorsen, de begunstigingstermijn op te schorten tot zes weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep dan wel de last in te trekken en het college te veroordelen in de proceskosten. Verzoeker stelt dat de last onder dwangsom moet wordt opgeschort/ingetrokken, omdat de overtreding inmiddels is beëindigd aangezien voorzien is in schriftelijke huurovereenkomsten voor alle woningen. Bovendien zijn er geen klachten bekend over de verhuur en zijn de huurders gebaat bij continuering van de huisvesting en niet bij gedwongen ontruiming vanwege een administratieve kwestie die inmiddels is opgelost. Handhaving via een hoge dwangsom en dreigende ontruiming, nu de documentatie in orde is, acht verzoeker onevenredig.
1.9.
Het college heeft op 21 april 2026 op het verzoek gereageerd met een verweerschrift en zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van spoedeisend belang, omdat verzoeker zelf stelt dat inmiddels voldaan wordt aan de last door het opstellen van schriftelijke huurovereenkomsten. De noodzaak tot het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt daardoor. Daarnaast ziet de last uitsluitend op het op schrift stellen van huurovereenkomsten. Dit betreft een administratieve verplichting zonder directe gevolgen voor de feitelijke bewoning. Van onomkeerbare gevolgen is dan ook geen sprake. Voor zover verzoeker stelt dat bewoners hun woonruimte zullen verliezen, geldt dat dit geen rechtstreeks gevolg is van de last.
1.10.
Met het besluit van 1 mei 2026 heeft het college het verzoek tot intrekking van de last onder dwangsom afgewezen. Nu de begunstigingstermijn verlopen is, zal het college onderzoeken of daadwerkelijk en volledig aan de opgelegde last is voldaan. Er bestaat geen aanleiding om de last onder dwangsom nu in te trekken. De last ziet immers niet uitsluitend op de huidige situatie maar strekt mede tot waarborgen van naleving in de toekomst. Dit algemeen belang evenals het belang van (toekomstige) bewoners bij correcte en transparante huurverhoudingen, weegt zwaar. Daarbij komt dat de last geen nadelige gevolgen heeft voor de bewoners, maar zich uitsluitend richt tot de verhuurder. Op 14 mei 2026 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.11.
Op 2, 6, 11 en 12 mei 2026 heeft verzoeker het spoedeisend belang nader onderbouwd en aangevoerd dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dient om te voorkomen dat de dwangsom invorderbaar wordt, terwijl onduidelijk is of verzoeker voldoet aan de opgelegde last. Omdat de begunstigingstermijn op 30 april 2026 is verlopen en het college op 1 mei 2026 alle huurovereenkomsten opvraagt, is die onzekerheid er nog. Gelet op de weigerachtige houding van het college om de naleving onvoorwaardelijk te bevestigen en de daarmee samenhangende acute dreiging van dwangsominvordering, verzoekt verzoeker de voorzieningenrechter de last te schorsen totdat op het beroep is beslist.
1.12.
Op 12 mei 2026 heeft het college de voorzieningenrechter bericht dat er op dit moment geen dwangsom is verbeurd. Het college kan op dit moment echter geen onvoorwaardelijke bevestiging geven dat volledig en blijvend aan de opgelegde last is of wordt voldaan. Het college zal controles blijven uitvoeren om vast te stellen of verzoeker blijvend aan de last voldoet en of voor alle bewoners van de recreatiewoningen een schriftelijke huurovereenkomst is opgesteld. Gelet op de wisselende samenstelling van bewoners kan het college niet uitsluiten dat op enig moment wel sprake is van een situatie waarin niet aan de last wordt voldaan.
1.13.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
2.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de opgelegde last onder dwangsom ziet op het beëindigen en beëindigd houden van de overtreding van de Wet goed verhuurderschap. Vast staat dat verzoeker inmiddels binnen de hem gegunde begunstigingstermijn heeft voorzien in schriftelijke huurovereenkomsten met zijn huurders. Vast staat ook dat verzoeker op dit moment daarom niet in overtreding is en dat hij op dit moment voldoet aan de last onder dwangsom. Vast staat tenslotte dat er op dit moment geen dwangsommen zijn verbeurd. In zoverre heeft verzoeker geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorziening.
2.3.
Ten aanzien van het besluit van 1 mei 2026, waarin het college het verzoek tot intrekking van de last onder dwangsom heeft afgewezen, overweegt de voorzieningenrechter dat dit besluit aangemerkt kan worden als een besluit in de zin van 6:19 van de Awb, zodat deze van rechtswege onderdeel uitmaakt van het beroep tegen het bestreden besluit. [1] Het verzoek tot intrekking van de last onder dwangsom kwalificeert de voorzieningenrechter daarnaast als een verzoek tot opheffing in de zin van artikel 5:34 van Pro de Awb. In dit artikel zijn twee situaties genoemd die daartoe aanleiding kunnen geven. Die doen zich in dit geval niet voor. Volgens vaste jurisprudentie kunnen ook andere, niet in artikel 5:34 van Pro de Awb bedoelde omstandigheden, aanleiding geven om tot opheffing van de last over te gaan. In hetgeen namens verzoeker is aangevoerd ter onderbouwing van zijn verzoek tot opheffing heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenwel geen aanleiding hoeven te zien om dit verzoek reeds nu in te willigen. De voorzieningenrechter begrijpt dit betoog zo dat verzoeker van mening is dat hij met het voortduren van de last onder dwangsom nog steeds het financiële risico loopt dat hij dwangsommen zal verbeuren terwijl hij op dit moment in onzekerheid verkeert of hij aan de last onder dwangsom heeft voldaan. Voor zover hij daarmee wil betogen dat de last niet duidelijk genoeg is geformuleerd, volgt de voorzieningenrechter verzoeker hierin niet. Verzoeker heeft inmiddels voorzien in schriftelijke huurovereenkomsten met zijn huurders en heeft daarmee ook naar de mening van verweerder op dit moment voldaan aan de last. Niet gezegd kan daarom worden dat het voor verzoeker niet duidelijk is wat hij moet doen om aan de last onder dwangsom te voldoen ten einde financiële schade door verbeuring van een dwangsom te voorkomen. Gesteld noch gebleken is dat het voor verzoeker onredelijk bezwarend zou zijn om de huurovereenkomsten met zijn huurders – anders dan voorheen – nu wel steeds op schrift te stellen. Het voor nu in stand laten van de last onder dwangsom kan daarom evenmin onredelijk bezwarend voor verzoeker worden geacht. Dit betoog slaagt daarom niet.
2.4.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen bestaat geen ruimte om het verzoek om een voorlopige voorziening in te willigen. Dit verzoek wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
Griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 juli 2025, r.o. 27 (ECLI:NL:RBLIM:2025:6290).