ECLI:NL:RBNHO:2026:8171
Rechtbank Noord-Holland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake last onder dwangsom Wet goed verhuurderschap
Verzoeker had een last onder dwangsom opgelegd gekregen wegens het niet schriftelijk vastleggen van huurovereenkomsten voor recreatiewoningen, in strijd met de Wet goed verhuurderschap. Na bezwaar en beroep stelde het college de last in stand, maar verzoeker stelde dat inmiddels aan de last was voldaan door het opstellen van schriftelijke huurovereenkomsten.
Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om de last onder dwangsom op te schorten of in te trekken, omdat er geen overtreding meer was en de dreiging van dwangsominvordering onredelijk was. Het college stelde dat er geen spoedeisend belang was en dat de last noodzakelijk was om naleving ook in de toekomst te waarborgen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker op dit moment voldoet aan de last en dat er geen sprake is van onomkeerbare gevolgen of spoedeisend belang. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Tevens werd het verzoek tot intrekking van de last niet ingewilligd, omdat het algemeen belang en het belang van toekomstige bewoners bij correcte huurverhoudingen zwaarwegend zijn.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat voldaan is aan de last onder dwangsom en geen spoedeisend belang bestaat.