Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juni 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit Middenmeer, verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon,
[naam 1] en [naam 2]uit Middenmeer,
Procesverloop
9 november 2025 een zienswijze ingediend. Op 10 november 2025 heeft de toezichthouder naar aanleiding van de zienswijze van verzoeker een aanvullende rapportage opgesteld.
- € 3.000 per week dat de aangelegde asfaltweg (verbindingspad) er nog ligt met een maximum van €12.000;
- €3.000 per week dat de verharding in het landbouwgebied (de gehele weg naar de windmolens) er nog ligt met een maximum van €12.000;
- €2.500 per sleufsilo (in totaal 3) en per week dat de sleufsilo er nog ligt met een maximum van €10.000 per sleufsilo;
- €4.875 per week dat de kalverenstal er nog staat met een maximum van €19.500;
- €1.125 per verplaatsbare kalverenhokje (in totaal 4) en per week dat het verplaatsbare kalverenhokje er nog staat met een maximum van €4.500 per verplaatsbare kalverenhokje;
- €450 per week dat de opslagruimte er nog staat met een maximum van €1.800.
16 februari 2026 en 16 maart 2026, bezwaar gemaakt. Verzoeker voert aan dat het in strijd is met de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel dat 18 jaar na oplevering van de vergunde en goedgekeurde woning alsnog zou worden besloten tot handhavend optreden, maar verzoeker kan zich verder vinden in hetgeen hierover in het besluit van 13 november 2025 is bepaald. Ten aanzien van de 3 sleufsilo’s voert verzoeker aan dat deze in 2007 zijn gerealiseerd en dat volgens verzoeker destijds een melding volstond, welke hij ook heeft gedaan. Ten aanzien van de zelf aangelegde asfaltweg en de verharding in het landbouwgebied richting de windturbines voert verzoeker aan dat daarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd door Nuon. Ten aanzien van de kalverenstal, de 4 verplaatsbare kalverenhokjes en de bouwkeet was verzoeker zich niet bewust van een vergunningplicht. Verzoeker heeft inmiddels een bureau ingeschakeld die hem assisteert bij het maken van tekeningen en het voorbereiden van een aanvraag om een omgevingsvergunning ten einde de bouwwerken te legaliseren. Verzoeker voert verder aan dat het verwijderen van de bouwwerken, asfaltweg en verhardingen niet zonder meer mogelijk is zonder gevolgen voor de bedrijfsvoering. Tegelijkertijd ziet verzoeker zich geconfronteerd met buitensporig hoge bedragen aan dwangsommen die worden verbeurd als niet binnen de gestelde begunstigingstermijn aan de last is voldaan. Deze zouden, indien verbeurd, neerkomen op het einde van het bedrijf. Het verkrijgen van de vereiste omgevingsvergunningen is, gelet op de voorbereiding, het aanvraagtraject en de doorlooptijden, niet haalbaar. Uit het besluit van 13 november 2025 blijkt genoegzaam dat legalisatie middels vergunningverlening in beginsel mogelijk is. Verzoeker doet zijn uiterste best om voor het einde van de begunstigingstermijn een omgevingsvergunning aan te vragen voor het legaliseren van de situatie. Gelet op de tijd die hiermee gemoeid is en de belangen die op het spel staan, verzoekt verzoeker het college de begunstigingstermijn te verlengen met 3 maanden. Redengeven hiertoe is dat er nooit eerder een signaal is gegeven van een illegale situatie en deze in feite al jaren bestaat. Het enkel feit dat een handhavingsverzoek is ingediend rechtvaardigt niet dat legalisatie daarmee een spoedeisend karakter krijgt.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
12 februari 2026 een vergunningaanvraag heeft ingediend, bestond er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op het moment dat het college het besluit van
16 februari 2026 nam geen aanleiding om de begunstigingstermijn te verlengen. Nadien heeft verzoeker niet opnieuw verzocht om het verlengen van de begunstigingstermijn.
Conclusie
Beslissing
8 juni 2026.