ECLI:NL:RBNHO:2026:8295

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
HAA 24/6913
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Belemmeringenwet PrivaatrechtArt. 2 Belemmeringenwet PrivaatrechtArt. 4.27 Invoeringswet OmgevingsrechtArt. 5 Belemmeringenwet PrivaatrechtArt. 6:258 Burgerlijk Wetboek
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging gedoogplicht voor aanleg ondergrondse hoogspanningsverbindingen aan gemeente Beverwijk

De minister heeft aan de gemeente Beverwijk een gedoogplicht opgelegd voor de aanleg van twee nieuwe ondergrondse 150 kV-hoogspanningsverbindingen tussen het nieuw te bouwen station Beverwijk en Oterleek en tussen het oude en nieuwe station Beverwijk. De gemeente was het hier niet mee eens en stelde beroep in tegen het besluit.

De rechtbank beoordeelde of de minister terecht de gedoogplicht kon opleggen. De kernvraag was of TenneT en de gemeente ondanks redelijke pogingen niet tot een minnelijke overeenkomst waren gekomen over het gebruik van gemeentelijke gronden. De rechtbank concludeerde dat dit het geval was en dat de minister daarom bevoegd was de gedoogplicht op te leggen.

De rechtbank ging ook in op de vraag of TenneT belanghebbende was bij het verzoek, of de gedoogplicht prematuur was opgelegd en of het minnelijk overleg voldoende serieus en redelijk was gevoerd. De rechtbank verwierp de bezwaren van de gemeente op al deze punten. De minister had voldoende onderbouwd dat TenneT een duurzaam zakelijk recht nastreefde en dat het minnelijk overleg niet onredelijk was verlopen.

De rechtbank verklaarde het beroep van de gemeente ongegrond en handhaafde het gedoogbesluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Holland op 9 juli 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep van de gemeente ongegrond en handhaaft de gedoogplicht voor de aanleg van de hoogspanningsverbindingen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/6913

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen

de publiekrechtelijke rechtspersoon gemeente Beverwijk, uit Beverwijk, de gemeente
(gemachtigde: mr. C.J.R. van Binsbergen),
en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister

(gemachtigden: mr. W. de Kleuver en mr. ir. M.A. Drapers).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
de besloten vennootschap TenneT TSO B.V.uit Arnhem, TenneT,
(gemachtigde: mr. C.C. Corsten).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan de gemeente opgelegde plicht om twee nieuw aan te leggen ondergrondse 150 kV-hoogspanningsverbindingen tussen het nieuw te bouwen station Beverwijk en Oterleek en het oude station Beverwijk en het nieuwe station Beverwijk, op verschillende percelen van de gemeente Beverwijk te gedogen. De gemeente is het daar niet mee eens. De gemeente voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister aan de gemeente een gedoogplicht kon opleggen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat Tennet met de rechthebbende, de gemeente, ondanks en redelijke poging niet langs minnelijke weg tot overeenstemming is gekomen over het gebruik van de gronden van de gemeente. De minister kon dus een gedoogplicht opleggen aan de gemeente. De gemeente krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op het overgangsrecht vanwege de invoering van de Omgevingswet. Daarna stelt de rechtbank onder 5 vast wat tussen partijen niet in geschil is. Onder 6 bespreekt de rechtbank of TenneT een belanghebbende is bij de aanvraag. Onder 7 beoordeelt de rechtbank of de gedoogplicht prematuur is opgelegd. Onder 8 komt aan de orde of TenneT in het minnelijk overleg met de gemeente een onredelijk of onwerkelijk standpunt heeft ingenomen. Aan het einde staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2.1
Met het bestreden besluit van 9 september 2024 op het bezwaar van de gemeente is de minister bij het besluit van 8 maart 2024 tot het opleggen van de gedoogplicht gebleven.
2.2
De gemeente heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3
TenneT heeft op 7 november 2025 op het beroep gereageerd.
2.4
De minister heeft op 10 november 2025 een verweerschrift ingediend.
2.5
TenneT heeft op 2 april 2026 aanvullende stukken aan de rechtbank doen toekomen.
2.6
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de gemeente deelgenomen: de gemachtigde van de gemeente, [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Namens de minister hebben deelgenomen: de gemachtigden van de minister. Namens TenneT hebben deelgenomen: de gemachtigde van TenneT, [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] .

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1
TenneT is de netbeheerder voor het Nederlandse hoogspanningsnet voor elektriciteit. TenneT wil in Noord-Holland twee nieuwe ondergrondse hoogspanningsverbindingen aanleggen, namelijk een nieuwe 150 kV-hoogspanningsverbinding van ongeveer 26 kilometer tussen het nieuw te bouwen station Beverwijk en het bestaande station Oterleek en een nieuwe 150kV-hoogspanningsverbinding van ongeveer 1,5 kilometer tussen het bestaande station Beverwijk en het nieuw te bouwen station Beverwijk.
3.2
De aanleg en instandhouding van de hoogspanningsverbindingen en bijbehorende werken is planologisch mogelijk gemaakt in het provinciaal inpassingsplan “Provinciaal Inpassingsplan Netuitbreiding 150 kV Beverwijk-Oterleek”. Dit plan is vastgesteld op 4 juli 2022 en is sinds 15 augustus 2022 onherroepelijk.
3.3
TenneT en het de gemeente hebben overleg gevoerd over de aanleg van de hoogspanningsverbinding. Op 20 april 2023 heeft TenneT een aanbieding “overeenkomst tot vestiging van een opstalrecht” gedaan. De gemeente en TenneT zijn echter niet tot overeenstemming gekomen.
3.4
TenneT heeft de minister daarom op 7 september 2023 verzocht om op grond van artikel 2, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht (BP) aan, onder meer, de gemeente een gedoogplicht op te leggen. Over de nut en noodzaak heeft TenneT aangegeven dat sprake is van een capaciteitsknelpunt. De huidige elektriciteits-infrastructuur tussen Beverwijk en Oterleek kan niet aan de toekomstige vraag naar elektriciteit in Noord-Holland voldoen. Momenteel geldt daarom een beperking voor het transportvermogen van datacenters in Middenmeer. Door de aanleg en het gebruik van deze hoogspanningsverbinding kan TenneT voldoen aan de toenemende vraag, kan de beperking voor Middenmeer worden opgeheven en wordt de aansluiting van zonne- en windenergie op het elektriciteitsnet verder mogelijk gemaakt. Verder zorgt de aanleg voor een stabiel netwerk.
3.5
De minister heeft (samengevat) aan het gedoogbesluit van 8 maart 2024 ten grondslag gelegd dat TenneT met de gemeente minnelijk overleg heeft gevoerd en dat dit overleg niet tot overeenstemming heeft geleid. De minister heeft kennis genomen van de door TenneT overgelegde stukken van het met de gemeente gevoerde minnelijk overleg. Volgens de minister kan uit deze stukken worden geconcludeerd dat sprake is geweest van serieuze en redelijke onderhandelingen. Naar de mening van de minister ligt onteigening hier niet in de rede, omdat het actuele (en resterende) gebruik van de gronden niet substantieel wordt aangetast. Evenmin is sprake van een bijzondere omstandigheid die onteigening zou rechtvaardigen. Ook komt de minister tot de conclusie dat de totstandkoming van het werk niet meer belemmeringen meebrengt dan redelijkerwijs nodig.
3.6
In het bestreden besluit van 9 september 2024 heeft de minister de bezwaren van de gemeente tegen de oplegging van de gedoogplicht ongegrond verklaard en dit als volgt gemotiveerd. Bij het criterium van het minnelijk overleg toetst de minister alleen of de voorstellen van TenneT op voorhand onwerkelijk of onredelijk zijn. Dat is niet het geval. Ook niet als TenneT geen maatwerk wil leveren. Mogelijke schade die door de gemeente wordt geleden door een gewenste verplaatsing van de hoogspanningsverbinding betreft toekomstschade. In een gespreksverslag in het logboek staat verder dat de door TenneT aangeboden opstalovereenkomst een toekomstschadeclausule biedt die het mogelijk maakt dat de gemeente een schadeclaim indient. Ook kan de gemeente op grond van artikel 6:258 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) op grond van onvoorziene omstandigheden een contractaanpassing afdwingen. TenneT is ook bereid om met de gemeente mee te denken als herontwikkelingsplannen botsen met de hoogspanningslijn. Door de opgelegde gedoogplicht kan de gemeente eventueel verzoeken om verplaatsing van de verbinding op grond van artikel 5, eerste lid, BP. In het tweede lid van artikel 5 BP Pro wordt bepaald dat de schade door de verplaatsing geheel of gedeeltelijk voor rekening komt van degene die daarom verzoekt. De gemeente betoogt daarom ten onrechte dat het systeem van de BP zich verzet tegen hetgeen TenneT heeft aangeboden in het minnelijk overleg. Dat de gemeente geen bezwaren heeft tegen de aanleg en instandhouding van de hoogspanningsverbinding, is voor de toetsing aan het criterium van het minnelijk overleg niet relevant. Het gaat erom dat de voorstellen die TenneT deed, niet geaccepteerd zijn door de gemeente. Gezien het oordeel over het minnelijk overleg, heeft de gemeente terecht een gedoogbesluit opgelegd gekregen. Daarmee is ook het belang van TenneT gegeven bij het opleggen van het gedoogbesluit. Het argument van verboden staatssteun, wat daar ook van zij, valt buiten de omvang van het geding. Tot slot wordt het formele rechtskrachtbeginsel niet geschonden omdat geen sprake is van enige onzekerheid over rechten en plichten voor de gemeente.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
4. De BP is per 1 januari 2024 vervallen. In dit geval is vóór die datum mededeling gedaan en kennis gegeven van de terinzagelegging in overeenstemming met artikel 2, tweede lid, van de BP. Op grond van artikel 4.27 van de Invoeringswet Omgevingsrecht blijft de BP daarom van toepassing op deze zaak.
Wat is niet in geschil?
5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen enkel in geschil is of aan het criterium dat sprake was van minnelijk overleg wordt voldaan. De overige voorwaarden om een gedoogplicht op te leggen zoals opgenomen in artikel 1 BP Pro zijn niet in geschil.
Is TenneT belanghebbende?
6.1
De gemeente voert (samengevat) aan dat TenneT geen belanghebbende is bij het verzoek tot het opleggen van een gedoogplicht. Het verzoek had daarom niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. TenneT stelt dat haar belang bij het opleggen van de gedoogplicht is gelegen in de leveringszekerheid en veiligheid van de hoogspanningsverbinding, maar door het opleggen van een gedoogplicht wordt dit niet bereikt. Op grond van artikel 2.6, tweede lid, Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur Beverwijk (AVOI) kan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente (hierna: het college) de publiekrechtelijk vergunning die aan TenneT is verleend voor de hoogspanningsverbinding namelijk intrekken of wijzigen. Op grond van het vierde lid kan het college aan het besluit tot wijziging of intrekking van de vergunning de verplichting verbinden om de hoogspanningsleidingen aan te passen of verwijderen. Gelet op deze publiekrechtelijke bevoegdheden van het college, geeft de oplegging van een gedoogplicht aan TenneT niet de leveringszekerheid die zij nastreeft. De gedoogplicht vervangt immers uitsluitend de privaatrechtelijke toestemming van de grondeigenaar, de gemeente. Het college behoudt echter haar publiekrechtelijke bevoegdheid op grond van de AVOI om verlegging te vragen. Ten slotte is de gemeente nog steeds bereid om naast de publiekrechtelijke vergunning van het college een (schriftelijke) privaatrechtelijke overeenkomst te sluiten.
6.2
De minister stelt (samengevat) dat de gedoogplicht meer zekerheid voor TenneT biedt dan een privaatrechtelijke toestemming van de gemeente gecombineerd met een vergunning verleend door het college. TenneT is daarom wel belanghebbende. Er is sprake van een eigen, persoonlijk, objectief bepaalbaar, actueel en direct geraakt belang van TenneT. De stelling van de gemeente dat publieke rechten door de BP niet worden aangetast, is onjuist. In de rechtspraak [1] wordt aangenomen dat het opleggen van gedoogplichten aan overheidslichamen mogelijk is. Over de verhouding tussen de AVOI en de BP stelt de minister dat een lagere regeling wijkt voor een hogere regeling als sprake is van een conflict.
6.3
De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat een belanghebbende degene is wiens belang rechtsreeks bij een besluit is betrokken. TenneT is belanghebbende bij het door haar ingediende verzoek tot het opleggen van de gedoogplicht aan de gemeente voor de aanleg van haar hoogspanningsverbinding. TenneT wil met het opleggen van de gedoogplicht veiligheid en leveringszekerheid van het hoogspanningsnetwerk bereiken. Dit kan alleen met een zakelijk recht (bijvoorbeeld een opstalrecht) bereikt worden of een gedoogplicht. Voor zover de gemeente betoogt dat zij bereid is om naast de publiekrechtelijke vergunning op grond van de AVOI van het college ook privaatrechtelijke toestemming te verlenen, is dit onvoldoende om een duurzaam ligrecht te waarborgen. Alleen met een zakelijk recht is immers geborgd dat derden en rechtsopvolgers de aanwezigheid van de hoogspanningsverbinding hebben te dulden. Ook volgt uit de jurisprudentie [2] dat TenneT vanuit haar positie als netbeheerder belang heeft bij een zakelijk recht, ook indien de rechthebbende van het perceel een overheidslichaam is die reeds een publiekrechtelijke vergunning heeft verleend en schriftelijke privaatrechtelijke toestemming heeft gegeven.
De stelling dat TenneT met het verzoek om een gedoogplicht een doel nastreeft dat niet kan worden bereikt door de AVOI, volgt de rechtbank niet. De AVOI kan het wettelijke instrument van de gedoogplicht immers niet uitsluiten. Over de verhouding tussen de AVOI en de BP stelt de minister terecht dat een lagere regeling wijkt voor een hogere regeling als sprake is van een conflict. Dit betekent dat, indien het college op grond van de AVOI verwijdering eist van kabels en leidingen, de gemeente nog altijd verplicht is die kabels en leidingen te gedogen op grond van de BP. Zou dat anders zijn dan zou dit betekenen dat het doel van de BP op onaanvaardbare wijze wordt doorkruist. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Gedoogplicht prematuur?
7.1
De gemeente voert aan dat de oplegging van de gedoogplicht prematuur is. Oplegging van de gedoogplicht is alleen gerechtvaardigd als de grondeigenaar geen toestemming verleent of een verleende toestemming intrekt. De reden dat de gedoogplicht in deze zaak wordt opgelegd, is niet omdat de gemeente de toestemming weigert. De gemeente en TenneT zijn het niet eens geworden over de financiële voorwaarden voor een in de toekomst misschien noodzakelijke verlegging van het hoogspanningsnetwerk en (in het verlengde daarvan) wie regie heeft over de openbare ruimte. Daarvoor is de gedoogplicht niet bedoeld.
7.2
De minister stelt dat het opleggen van de gedoogplicht niet prematuur is. Aan de criteria die gelden op grond van de BP voor het opleggen van een gedoogplicht wordt voldaan. Het is onjuist dat geen gedoogplicht kan worden opgelegd als een rechthebbende schriftelijk toestemming heeft gegeven of dat er alleen een gedoogplicht kan worden opgelegd als de verleende toestemming wordt ingetrokken. Ook indien geen overeenstemming wordt bereikt over de gewenste vorm van privaatrechtelijke borging, kan een gedoogplicht worden opgelegd.
7.3
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de wet volgt dat een gedoogplicht kan worden opgelegd indien met de betrokken rechthebbende van de grond geen minnelijke overeenstemming is bereikt en ook aan de overige wettelijke voorwaarden voor oplegging van een gedoogplicht is voldaan. Het minnelijk overleg ziet ook op de voorwaarden die aan het opstalrecht zijn verbonden en juist daarover zijn TenneT en de gemeente het niet eens geworden. Ten slotte volgt ook uit de jurisprudentie [3] dat het niet onredelijk is dat TenneT een recht van opstal wenst en geen genoegen neemt met een (schriftelijke) toestemming, gezien de wens van veiligheid en leveringszekerheid. De oplegging van de gedoogplicht is dus niet prematuur. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Minnelijk overleg
8.1
De gemeente voert (samengevat) aan dat TenneT zich in het minnelijk overleg onredelijk heeft opgesteld. TenneT onderhandelt überhaupt niet over de opstalovereenkomst met bijbehorende voorwaarden, maar doet alleen een aanbod. Maatwerk wordt ten onrechte niet toegepast. De voorwaarden die TenneT hanteert zijn ook onredelijk. TenneT verlangt in haar opstalvoorwaarden dat het opstalrecht eeuwig duurt en alleen door TenneT opzegbaar is. Ook wil TenneT dat de gemeente op voorhand alle kosten draagt van elke toekomstige verplaatsing van het hoogspanningsnetwerk. Indien de gemeente daarmee instemt, doet zij afstand van haar recht op grond van artikel 5, eerste lid, BP om de minister te verzoeken TenneT te bevelen de hoogspanningsverbinding te verplaatsen en zich uit te spreken over een eventuele verdeling van de kosten. De gemeente zal dan namelijk op grond van artikel 5, derde lid, BP niet-ontvankelijk worden verklaard. Ook bepaalt artikel 5, tweede lid, BP dat de minister kan bepalen dat de gemeente de kosten geheel of gedeeltelijk vergoed, terwijl op grond van de opstalvoorwaarden van TenneT de gemeente steeds een volledige vergoeding moet geven. TenneT verlangt dus meer dan haar wettelijk toekomt. De gemeente is overigens nog steeds bereid om bij een gewenste verplaatsing van het hoogspanningsnetwerk een compensatie te betalen en haar nadeelcompensatieregeling uit de AVOI aan te passen. De minister heeft verzuimd dit tegenvoorstel van de gemeente in zijn overwegingen te betrekken. Tot slot leidt de schadevergoedingsregeling die TenneT wenst tot een hogere vergoeding dan de werkelijk schade, zodat dit in strijd is met de staatssteunregeling.
8.2
De minister stelt in het verweerschrift (samengevat) het volgende. Dat TenneT niet wilde meegaan in voorstellen van de gemeente, maakt niet dat daardoor sprake is van een op voorhand onredelijk voorstel of dat het minnelijke overleg onvoldoende is geweest. Uit het logboek blijkt dat TenneT is ingegaan op de voorstellen van de gemeente en heeft onderbouwd waarom zij er niet mee kan instemmen. TenneT heeft zich voldoende ingespannen om maatwerk te leveren en getracht tot minnelijke overeenstemming te komen. TenneT negeert niet op voorhand tegenvoorstellen of sluit deze uit, maar is in gesprek gegaan. Het minnelijk overleg is daarom niet als onredelijk te beschouwen. Dat TenneT mogelijk voorstellen doet die niet zorgen voor een exact gelijke rechtspositie zoals die zou gelden als een gedoogplicht wordt opgelegd, betekent op grond van de jurisprudentie [4] niet dat het minnelijk overleg onvoldoende is.
8.3
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt en legt dit als volgt uit. De minister dient zich ervan te vergewissen dat een serieuze en redelijke poging is ondernomen om langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen. Daarbij moet de minister onderzoeken of de voorstellen die TenneT in dat overleg heeft gedaan niet op voorhand onwerkelijk en onredelijk zijn. Ook mag de minister niet op voorhand door de betrokkene gedane tegenvoorstellen buiten zijn beoordeling laten. [5]
8.4
De minister heeft uit het logboek van het overleg dat tussen TenneT en de gemeente heeft plaatsgevonden, vastgesteld dat contacten hebben plaatsgevonden tussen 26 juni 2022 en 15 februari 2024. Het betreft briefwisselingen, e-mailverkeer, telefonisch verkeer en persoonlijk contact. In totaal hebben er in die periode zes persoonlijke gesprekken plaatsgevonden. De minister heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat van een serieus overleg tussen partijen sprake was.
8.5
De minister heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat de voorstellen van TenneT onwerkelijk of onredelijk zijn. Uit de jurisprudentie [6] volgt dat het hanteren van een standaardovereenkomst waarvan TenneT niet wenst af te wijken, niet op voorhand onredelijk is. Van de standaardovereenkomst dient wel met maatwerk te worden afgeweken indien de belangen van de betrokkene daartoe aanleiding geven. Dat TenneT in het verleden dus wel een maatwerkovereenkomst heeft gesloten omdat in dat geval de belangen van betrokkenen daartoe aanleiding gaven, brengt niet automatisch met zich mee dat TenneT dit in deze onderhandelingen met de gemeente weer moet aanbieden. TenneT heeft ook uitgelegd waarom in die situatie een maatwerkovereenkomst wel noodzakelijk was.
Uit de jurisprudentie [7] volgt ook dat TenneT in beginsel mag vasthouden aan een zakelijk recht overeenkomst voor onbepaalde duur. TenneT heeft aangegeven dat zij vanwege de veiligheid en leveringszekerheid van het hoogspanningsnetwerk een duurzaam liggingsregime wenst. De privaatrechtelijke borging moet volgens TenneT geschieden via een opstalrecht dat zakelijke werking heeft en dus voor een ieder kenbaar is. Dat het college van de gemeente ook publiekrechtelijke bevoegdheden heeft op grond van de AVOI, maakt dat niet anders. Ook ten aanzien van het college en de gemeente speelt immers het belang van een duurzame ligging van de hoogspanningsverbinding, omdat de gemeente haar gronden kan verkopen aan een derde. Het voorstel van het college en de gemeente om te volstaan met de vergunning op grond van de AVOI en een privaatrechtelijke toestemming, zonder dat deze versterkt wordt met een opstalrecht, achten de minister en TenneT daarom niet passend. De rechtbank kan die motivering volgen. Ook in de jurisprudentie [8] is namelijk geoordeeld dat een publiekrechtelijke vergunning en privaatrechtelijke toestemming niet op één lijn kunnen worden gesteld met en niet dezelfde waarborgen bieden voor een netbeheerder als een opstalrecht.
Over de stelling van de gemeente dat zij alle kosten moet dragen bij een verlegging, stelt de minister dat het opstalrecht dat TenneT heeft aangeboden een toekomstschadeclausule bevat die de mogelijkheid biedt voor de gemeente om een schadeclaim in te dienen bij TenneT. Ook heeft TenneT in de onderhandelingen gewezen op de mogelijkheid om op grond van onvoorziene omstandigheden een aanpassing van het opstalrecht te vragen (artikel 6:258 BW Pro). TenneT heeft verder aangegeven bereid te zijn om mee te denken als er herontwikkelingsplannen zijn die conflicteren met de hoogspanningsverbindingen. Ook dit heeft de minister dus niet onredelijk kunnen achten.
Over de stelling van de gemeente dat zij, bij akkoord met het opstalrecht, afstand doet van het recht om verlegging bij de minister te vragen op grond van artikel 5, eerste lid, BP, overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 5, derde lid, BP waar dit is geregeld, is pas aan de orde als een gedoogplicht al is opgelegd.
Over het tegenvoorstel van de nadeelcompensatieregeling, overweegt de rechtbank het volgende. Dat de minister op grond van de jurisprudentie een tegenvoorstel van de gemeente in de beoordeling moet betrekken, betekent niet dat de minister die uitgebreid inhoudelijk moet beoordelen. Het enkel bespreken is al voldoende. Dat heeft de minister ook gedaan.
Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat hier geen sprake is van staatssteun omdat het de vergoeding betreft van daadwerkelijk geleden schade. TenneT heeft uitgelegd dat een verlegging altijd tot directe kosten leidt omdat deze niet kunnen worden verrekend in de transporttarieven. Deze beroepsgrond slaagt daarom ook niet.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op het voorgaande is het beroep van de gemeente ongegrond. De door de minister aan het college opgelegde gedoogplicht blijft daarom in stand.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter, mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. R. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Belemmeringenwet Privaatrecht (versie 7-9-2023)
Artikel 1
Wanneer ten behoeve van openbare werken:
die door het Rijk, door eene provincie of ingevolge het reglement voor de instelling door een waterschap, veenschap of veenpolder worden of zijn ondernomen,
die door Ons, Onze Minister die het aangaat of door provinciale staten onderscheidenlijk gedeputeerde staten krachtens de wet zijn bevolen, die door een waterschap, veenschap of veenpolder anders dan ingevolge het reglement voor de instelling of door eene gemeente worden of zijn ondernomen of zijn bevolen terwijl het openbaar belang door Ons of van Onzentwege is erkend,
die ingevolge eene door het openbaar gezag verleende concessie worden of zijn tot stand gebracht, terwijl het openbaar belang door Ons of van Onzentwege is erkend, of
van welke het algemeen nut uitdrukkelijk bij de wet is erkend,
een werk noodig is, waarvoor duurzaam of tijdelijk gebruik moet worden gemaakt van onroerende zaken, kan ieder, die eenig recht heeft ten aanzien van die zaken, behoudens recht op schadevergoeding, worden verplicht te gedoogen, dat zoodanig werk wordt aangelegd en in stand gehouden, indien naar het oordeel van Onzen Minister van Waterstaat de belangen van de rechthebbenden redelijkerwijs onteigening niet vorderen en in het gebruik van de zaken niet meer belemmering wordt gebracht, dan redelijkerwijs voor den aanleg en de instandhouding van het werk noodig is.
Artikel 2
1.Is met de rechthebbenden ten aanzien van enige onroerende zaak geen overeenstemming verkregen, dan worden ten verzoeke van degene, wiens het werk aangaat, door den burgemeester der gemeente, waarbinnen die zaak is gelegen, gedurende veertien dagen ten gemeentehuize ter inzage gelegd:
1°.eene beschrijving van het gedeelte van het werk, waarvoor het gebruik van die zaak verlangd wordt;
2°.eene duidelijke grondtekening van dat gedeelte van het werk.
2Van die nederlegging wordt door den burgemeester hetzij in een in zijne gemeente verspreid wordend nieuwsblad, of, bij het ontbreken daarvan, door aanplakking in het openbaar, vooraf mededeling gedaan. Gelijktijdig daarmede wordt door den burgemeester schriftelijk kennis gegeven aan de rechthebbenden, die in de basisregistratie kadaster als zodanig staan vermeld, zoomede aan de overige rechthebbenden, voor zooveel deze of hun vertegenwoordigers aan den burgemeester bekend zijn en woonplaats binnen het Rijk hebben.
(…)
5.Is geen overeenstemming verkregen, dan kan eene verplichting, als bij artikel 1 bedoeld Pro, bij met redenen omkleede beslissing van Onzen Minister van Waterstaat, zoo noodig onder voorwaarden te stellen aan den verzoeker, worden opgelegd.
Artikel 4
(…)
6.
Zoolang de in het eerste lid van dit artikel bedoelde termijn niet is verstreken of op het verzoekschrift nog niet is beslist, mag, behalve in de gevallen, dat naar het oordeel van Onzen Minister van Waterstaat met de uitvoering niet kan worden gewacht, aan de beslissing van dien Minister geenerlei gevolg worden gegeven.
Artikel 5
1. Onze Minister van Waterstaat kan op verzoek van rechthebbenden ten aanzien van onroerende zaken, waarvan krachtens overeenstemming of krachtens beslissing, als in de voorgaande artikelen bedoeld, is of wordt gebruik gemaakt, de verplaatsing van het werk onder aan den verzoeker te stellen voorwaarden bevelen.
2Bepaald kan onder meer worden, dat tot verplaatsing niet zal behoeven te worden overgegaan, dan nadat de daaruit voortvloeiende schade door dengene, op wiens verzoek de verplaatsing zoude geschieden, geheel of gedeeltelijk zal zijn vergoed of voor die vergoeding zekerheid zal zijn gesteld. Indien de verplaatsing der werken zoude geschieden ten behoeve van de oprichting van gebouwen of de uitvoering van andere werken, kan ook worden bepaald, dat zekerheid zal moeten worden gegeven voor vergoeding van de schade, uit de verplaatsing voortvloeiende, voor het geval de gebouwen niet, of niet binnen den bij het bevel gestelden termijn, worden opgericht, of de werken niet, of niet binnen dien termijn, worden uitgevoerd.
3De in het eerste lid bedoelde rechthebbenden zijn in hun verzoek niet-ontvankelijk:
a.indien met hen omtrent het gebruik hunner onroerende zaken eene regeling werd getroffen en zij zich het recht om eenzijdig die regeling te doen eindigen of te wijzigen, niet uitdrukkelijk of stilzwijgend hebben voorbehouden;
b.indien het werk aanwezig is krachtens een beperkt recht waaraan de betrokken onroerende zaak onderworpen is of krachtens een beding als bedoeld in artikel 252 van Pro Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, dat is ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van dat wetboek.
4Op het verzoek om een bevel als bedoeld in het eerste lid wordt beslist binnen zes maanden na ontvangst daarvan.
Burgerlijk Wetboek
Artikel 6:258
1.De rechter kan op vordering van een der partijen de gevolgen van een overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Aan de wijziging of ontbinding kan terugwerkende kracht worden verleend.
2.Een wijziging of ontbinding wordt niet uitgesproken, voor zover de omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van degene die zich erop beroept.
3.Voor de toepassing van dit artikel staat degene op wie een recht of een verplichting uit een overeenkomst is overgegaan, met een partij bij die overeenkomst gelijk.
Invoeringswet Omgevingsrecht
Artikel 4.27
1. voor de inwerkingtreding van afdeling 10.3 van de Omgevingswet mededeling is gedaan en kennis is gegeven van de terinzagelegging in overeenstemming met artikel 2, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, blijft het oude recht van toepassing tot een besluit als bedoeld in artikel 1, 2, vijfde lid, of 3, tweede lid, van die wet onherroepelijk is.
2. Afdeling 4.1 is in dat geval niet van toepassing.
Algemeen wet bestuursrecht
Artikel 1:2
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtsreeks bij een besluit is betrokken.
(…)