ECLI:NL:RBNHO:2026:8345
Rechtbank Noord-Holland
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep ongegrond verklaard op vordering tot onderzoek aan telefoon bij verdenking mishandeling
De officier van justitie stelde een vordering in tot onderzoek aan de inbeslaggenomen telefoon van de verdachte, die verdacht wordt van mishandeling van zijn partner. De rechter-commissaris wees deze vordering af omdat het onderzoek niet in overeenstemming was met de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, mede omdat het leek te zijn ingegeven door een intern onderzoek door de politie als werkgever.
De officier van justitie stelde hoger beroep in en voerde aan dat het onderzoek noodzakelijk was vanwege de ernst van het strafbare feit en mogelijke eerdere incidenten, mede gezien de PTSS en alcoholmisbruik van de verdachte. De rechtbank oordeelde dat het hoger beroep ontvankelijk was, maar dat de noodzaak tot het verrichten van het onderzoek onvoldoende was onderbouwd.
De rechtbank vond dat de vordering te verstrekkend was en dat er geen duidelijke relatie was tussen het onderzoek aan de telefoon en de waarheidsvinding omtrent de mishandeling op 24 januari 2026. Ook de mogelijke eerdere incidenten waren onvoldoende onderbouwd. De rechtbank bevestigde daarmee het oordeel van de rechter-commissaris en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep van de officier van justitie wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende onderbouwing van de noodzaak tot onderzoek aan de telefoon van de verdachte.