ECLI:NL:RBNHO:2026:8420

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
15/086304-22
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 10 OpiumwetArt. 2 OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na handel in cocaïne

De rechtbank Noord-Holland behandelde op 9 juli 2026 de ontnemingsvordering van de officier van justitie tegen de veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne en het bezit daarvan.

De vordering was primair gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, Sr, maar de rechtbank oordeelde dat onvoldoende concrete aanwijzingen bestonden voor andere strafbare feiten buiten de bewezenverklaarde feiten. Daarom werd de vordering beoordeeld op grond van artikel 36e, derde lid, Sr, waarbij aannemelijk is dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit strafbare feiten die verband houden met de bewezenverklaarde feiten.

De ontnemingsrapportage van de FIOD bracht de contante uitgaven en legale ontvangsten van de veroordeelde in kaart over de periode 2016-2022. De rechtbank corrigeerde het beginsaldo en eindsaldo contant geld en verwierp de veronderstelling dat bepaalde leningen contant waren terugbetaald. Uiteindelijk stelde de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €682.742,10 en legde zij de betalingsverplichting aan de veroordeelde op.

De rechtbank achtte niet aannemelijk dat de veroordeelde onvoldoende draagkracht heeft om aan deze verplichting te voldoen. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 1.080 dagen. De vordering werd daarmee gedeeltelijk toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank legt een betalingsverplichting van €682.742,10 op ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/086304-22 (ontneming) (P)
Uitspraakdatum : 9 juli 2026
vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie van 11 december 2025 strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (hierna: de vordering) in de zaak tegen:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
vertrokken, onbekend waarheen,
hierna: de veroordeelde.

1.De vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat zal vaststellen op € 883.036,10 en aan de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officieren van justitie (hierna aangeduid als: de officier van justitie) hebben op de zitting toegelicht dat de vordering primair is gebaseerd op de feiten die bij vonnis van deze rechtbank van 13 februari 2025 bewezen zijn verklaard en waarvoor de veroordeelde bij genoemd vonnis is veroordeeld en op andere feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan (artikel 36e, tweede lid, Sr). Subsidiair is de vordering gebaseerd op andere strafbare feiten, waarvan aannemelijk is dat deze feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gekregen (artikel 36e, derde lid, Sr).

2.Het verloop van de procedure

Bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen de veroordeelde is op 30 januari 2025 ter terechtzitting medegedeeld dat de officier van justitie voornemens is een ontnemingsvordering in te dienen. Bij vonnis van 13 februari 2025 is de veroordeelde veroordeeld wegens, kort gezegd en voor zover voor de ontnemingsvordering relevant, het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het verhandelen van cocaïne en het voorhanden hebben van cocaïne. Tegen dit vonnis heeft de veroordeelde hoger beroep ingesteld.
De officier van justitie heeft de vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van de veroordeelde om te verschijnen op de terechtzitting op 15 januari 2026. Op deze datum heeft een regiezitting plaatsgevonden. De veroordeelde is toen niet verschenen. Daarnaast is ook geen raadsman-/vrouw gesteld en aldus is op de regiezitting niemand vanuit de zijde van de verdediging verschenen. Tegen de veroordeelde is vervolgens verstek verleend. Het onderzoek ter terechtzitting is toen geschorst voor onbepaalde tijd.
De veroordeelde is vervolgens opgeroepen om te verschijnen op de terechtzitting op 25 juni 2026. Het onderzoek is op deze datum voortgezet. Vanuit de zijde van de verdediging is niemand verschenen. De officier van justitie is ter terechtzitting gehoord. Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 9 juli 2026.

3.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering voorgedragen en gepersisteerd bij de vordering.
4. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel [1]
4.1
Grondslag van de vordering
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat artikel 36e, tweede lid, Sr de grondslag vormt voor de vordering. Op grond van het tweede lid kan een betalingsverplichting worden opgelegd ter ontneming van voordeel dat een veroordeelde wederrechtelijk heeft verkregen uit het bewezenverklaarde strafbare feit, of uit andere strafbare feiten, dan die waarvoor hij in de samenhangende strafzaak is veroordeeld. In het laatste geval moeten er voldoende aanwijzingen zijn dat de veroordeelde deze andere strafbare feiten heeft gepleegd. Het begrip ’voldoende aanwijzingen’ dient zo te worden uitgelegd dat het plegen van die feiten door de veroordeelde buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld. [2]
De veroordeelde is veroordeeld voor, kort gezegd, de handel in cocaïne in de periode van 26 maart 2020 tot en met 6 mei 2020. Volgens de officier van justitie bestaan er voldoende aanwijzingen dat de veroordeelde in de periode daarvoor en daarna (gedurende circa zes jaar) heeft gehandeld in cocaïne of andere verdovende middelen. De veroordeelde is op 15 juni 2022 aangehouden.
De rechtbank volgt de officier van justitie hierin niet: het kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de veroordeelde andere strafbare feiten heeft gepleegd. Hiervoor bevat het dossier onvoldoende concrete aanwijzingen. Dat maakt dat het tweede lid van artikel 36e Sr niet de grondslag kan vormen van de ontnemingsvordering.
Subsidiair heeft de officier van justitie de vordering gegrond op artikel 36e, derde lid, Sr. Op grond van dit lid kan de ontnemingsmaatregel worden opgelegd indien aannemelijk is dat het feit waarvoor hij is veroordeeld of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Anders dan het tweede lid stelt het derde lid van artikel 36e Sr niet de eis dat die ‘andere strafbare feiten’ door de veroordeelde zijn begaan; voldoende is dat aannemelijk is dat de veroordeelde uit die strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In dat geval kan ook worden vermoed dat uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten. De ontnemingsrapportage (zie hierna, onder paragraaf 4.2) lijkt ook van deze grondslag uit te gaan. Hierin zijn namelijk uitgaven van de veroordeelde in een periode van zes jaar (2016 tot en met 2022) in kaart gebracht.
Voor toepassing van het derde lid van artikel 36e Sr is vereist dat de veroordeelde is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Aan dit vereiste is voldaan: bij vonnis van deze rechtbank van 13 februari 2025 is de veroordeelde onder andere veroordeeld voor kort gezegd het medeplegen van voorbereidingshandelingen van artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet, meermalen gepleegd en het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod. Dit zijn misdrijven die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie.
De conclusie is dat de rechtbank de ontnemingsvordering zal beoordelen op basis van het derde lid van artikel 36e Sr.
4.2
De ontnemingsrapportage
Op 30 mei 2024 heeft een verbalisant van de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD), een rapport opgesteld over het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: de ontnemingsrapportage). [3] Deze ontnemingsrapportage is als
bijlage 1bij dit vonnis opgenomen.
Bij de ontnemingsrapportage zijn diverse bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen de veroordeelde. De rechtbank heeft bovendien de beschikking gehad over het volledige dossier van de strafzaak.
4.3
De beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat naar aanleiding van de vordering en het onderzoek ter terechtzitting voldoende aannemelijk is dat andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank als uitgangspunt de berekening zoals deze is gemaakt in de ontnemingsrapportage. Dit betreft een berekening op basis van een eenvoudige kasopstelling over de periode van 12 mei 2016 tot 15 juni 2022. Aan de hand van deze methode zijn de beschikbare legale contanten gelden vergeleken met de totale contante uitgaven. Omdat de veroordeelde meer contante uitgaven heeft gedaan dan verantwoord kan worden met beschikbare legale contante gelden, is sprake van onverklaarbaar vermogen dat wordt verondersteld van criminele herkomst afkomstig te zijn en aldus wederrechtelijk verkregen voordeel te zijn.
Voor wat betreft legale (contante) ontvangsten is van belang dat in de ontnemingsrapportage is beschreven dat deze nagenoeg afwezig lijken te zijn in de relevante periode. Vanaf 2016 is geen inkomen of vermogen van de veroordeelde bekend bij de Belastingdienst. Onderzoek naar de bankrekening van de veroordeelde wees uit dat er wel bijschrijvingen zijn met verwijzingen naar vastgoedtransacties of horlogehandel, maar dat dit zeer onregelmatige bijschrijvingen betroffen. Evenmin is aannemelijk geworden dat de ondernemingen waarvan de veroordeelde bestuurder was, [besloten vennootschap 1] en [besloten vennootschap 2] , contante inkomsten hebben gegenereerd.
De berekening volgens de ontnemingsrapportage is als volgt:
Beginsaldo contant geld
€ 1.000,00
+/+
Legale contante ontvangsten:
- contante opnamen
€ 143.990,00
-/-
Eindsaldo contant geld
€ 3.550,00
Beschikbaar voor uitgaven
€ 141.440,00
Werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen:
- Contante storting op bankrekening
- Contante uitgaven [hotel] Oostzaan-Amsterdam
- Contant terugbetaald aan [betrokkene 1]
- Contante huurbetaling [adres]
- Contant terugbetaald aan [betrokkene 2]
- Leningen [betrokkene 3]
- Leningen [betrokkene 4]/Autobedrijf [betrokkene 4] BV
- Duits kenteken [kenteken] . Porsche
- Contante uitgaven [veroordeelde] bij Autobedrijf [betrokkene 4] BV
- Contante terugbetaling factuur [bedrijf] via [betrokkene 4]
- Contante betalingen aan [betrokkene 5]
- Contante betalingen overige
€ 66.815,00
€ 120.112,60
€ 116.318,93
€ 63.630,00
€ 15.000,00
€ 122.844,00
€ 75.000,00
€ 215.000,00
€ 42.490,63
€ 5.700,00
€ 134.793,62
€ 46.771,32
-/-
Totaal werkelijke contante uitgaven
€ 1.024.476,10
Verschil (= wederrechtelijk verkregen voordeel)
€ 883.036,10
De rechtbank acht de kasopstelling, die gemaakt is op basis van gegevens die de verbalisant heeft ontleend aan het onderzoek, in beginsel deugdelijk en betrouwbaar. De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ook niet betwist. De rechtbank zal niettemin uitgaan van een ander begin- en eindsaldo contant geld en is van oordeel dat ten aanzien van de twee leningen genoemd in bovenstaand overzicht onvoldoende is komen vast te staan dat de veroordeelde de geleende bedragen met contant geld heeft afgelost. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Begin- en eindsaldo
Voor wat betreft het beginsaldo is van belang dat de veroordeelde op 2 mei 2016 in totaal € 1.500,- en op 4 en 6 mei 2016 telkens € 1.000,- contant geld heeft opgenomen. In totaal is dit € 3.500,-. In de ontnemingsrapportage stelt de verbalisant dat de veroordeelde de bedragen van 2 en 4 mei 2016 al had uitgegeven en daarom opnieuw op 6 mei 2016 contant geld heeft opgenomen. De verbalisant is daarom uitgegaan van een beginsaldo van € 1.000,- aan contant geld waarover de veroordeelde op 12 mei 2016 kon beschikken. Deze stelling is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Gelet op de korte periode van 2 mei tot en met 6 mei, acht de rechtbank het aannemelijk dat het bedrag van € 3.500,- nog in het bezit van de veroordeelde is geweest en zal de rechtbank dus uitgaan van een beginsaldo van € 3.500,- aan contant geld.
De rechtbank zal, gelet op de ook door de officier van justitie ter terechtzitting onderkende fout in de berekening in de ontnemingsrapportage, uitgaan van een eindsaldo aan contant geld van € 3.600,-. Dit bedrag is namelijk de optelsom van de bij de veroordeelde op 15 juni 2022 aangetroffen contante bedragen (€ 250,- + € 50,- + € 3.300,- = € 3.600,-).
Leningen van [betrokkene 3] en leningen [betrokkene 4]/Autobedrijf [betrokkene 4] BV
De verbalisant heeft onderzoek gedaan naar geldleningsovereenkomsten tussen de veroordeelde en [betrokkene 3] en tussen de veroordeelde en (het autobedrijf van) [betrokkene 4] . De veroordeelde heeft van beide personen op zijn bankrekening bedragen ontvangen. [betrokkene 3] heeft in totaal € 122.844,- overgemaakt naar de veroordeelde, waarbij in de omschrijving wordt verwezen naar een lening. [betrokkene 4] heeft in totaal € 75.000,- overgemaakt naar de veroordeelde onder vermelding van een lening. Hij heeft verklaard dat dit een geldlening betrof en dat deze lening nog niet is afgelost. Op de bankrekening van de veroordeelde zijn geen terugbetalingen uit hoofde van deze twee geldleningen te zien. De verbalisant gaat er in de ontnemingsrapportage vanuit dat de geldleningen met contant geld zijn terugbetaald aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4] .
De rechtbank volgt de ontnemingsrapportage op dit punt niet. Hoewel er vraagtekens bij deze geldleningsovereenkomsten kunnen worden gezet, blijkt uit de ontnemingsrapportage en de bijbehorende bijlagen onvoldoende dat de veroordeelde deze leningen heeft terugbetaald met contant geld. Hierbij weegt de rechtbank mee dat uit de verhoren van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] volgt dat zij beiden nog geld van de veroordeelde moeten krijgen. [4] Deze verklaringen rijmen niet met de vaststelling dat de geldleningen met contant geld zijn terugbetaald. De rechtbank zal deze leningen dan ook niet meenemen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Conclusie
Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot de volgende berekening:
Beginsaldo contant geld
€ 3.500,00
+/+
Legale contante ontvangsten:
- Contante ontvangsten inclusief bankopnamen
€ 143.990,00
-/-
Eindsaldo contant geld
€ 3.600,00
Beschikbaar voor uitgaven
€ 143.890,00
Werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen:
- Contante storting op bankrekening
- Contante uitgaven [hotel] Oostzaan-Amsterdam
- Contant terugbetaald aan [betrokkene 1]
- Contante huurbetaling [adres]
- Contant terugbetaald aan [betrokkene 2]
- Duits kenteken [kenteken] . Porsche
- Contante uitgaven [veroordeelde] bij Autobedrijf [betrokkene 4] BV
- Contante terugbetaling factuur [bedrijf] via [betrokkene 4]
- Contante betalingen aan [betrokkene 5]
- Contante betalingen overige
€ 66.815,00
€ 120.112,60
€ 116.318,93
€ 63.630,00
€ 15.000,00
€ 215.000,00
€ 42.490,63
€ 5.700,00
€ 134.793,62
€ 46.771,32
-/-
Totaal werkelijke contante uitgaven
€ 826.632,10
Verschil (= wederrechtelijk verkregen voordeel)
€ 682.742,10

5.Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van
€ 682.742,10en is van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.
Draagkracht
De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde over onvoldoende financiële draagkracht beschikt (of in de toekomst zal beschikken) om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.
Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door de veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.
Het aantal dagen gijzeling wordt overeenkomstig de LOVS-oriëntatiepunten vastgesteld op maximaal 1.080 dagen.

6.Toepasselijke wettelijke bepaling

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

7.Beslissing

De rechtbank:
Wijst de vordering gedeeltelijk toe.
Stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op
€ 682.742,10(zegge: zeshonderdtweeëntachtigduizendzevenhonderdtweeënveertig euro en tien cent).
Legt aan de veroordeelde,
[veroordeelde], op de verplichting op betaling aan de Staat van
€ 682.742,10(zegge: zeshonderdtweeëntachtigduizend zevenhonderdtweeënveertig euro en tien cent)
,ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.
Wijst de vordering voor het overige af.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1.080 dagen.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.M.G. Hink, voorzitter,
mr. P. Reemst en mr. S.H. Bouwers, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Verheul,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juli 2026.

Voetnoten

1.De hierna door de rechtbank in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
2.Zie o.a. HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523, r.o. 2.4.4.
3.Overzichtsproces-verbaal en rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 30 mei 2024.
4.Proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 4] van 26 juli 2023 en proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 3] van 15 september 2023.