ECLI:NL:RBNHO:2026:8489

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/15/375846 / HA ZA 26-177
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4765HR 13 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1881
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rectificatie partijaanduiding en niet-ontvankelijkheid vorderingen in contractgeschil

In deze civiele bodemzaak vordert eiser, een B.V., nakoming van een overeenkomst gesloten met Pronto Installatie B.V. Pronto betwist de rechtsverhouding met eiser en verzoekt om niet-ontvankelijkheid van eiser in haar vorderingen, stellende dat de overeenkomst is gesloten met een andere vennootschap binnen dezelfde groep.

De rechtbank oordeelt dat sprake is van een evidente vergissing in de partijaanduiding, waarbij de dagvaarding onterecht op naam van een andere vennootschap is gesteld. Deze vergissing was kenbaar voor Pronto, die steeds met eiser als contractspartij heeft gecommuniceerd en facturen heeft gestuurd. De rectificatie schaadt Pronto niet in haar verdediging en is tijdig ingediend.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot niet-ontvankelijkheid af en staat zij de rectificatie toe, zodat eiser als partij wordt aangemerkt. Vervolgens beveelt de rechtbank een mondelinge behandeling om de standpunten nader te bespreken, inlichtingen te verkrijgen en te onderzoeken of een minnelijke regeling mogelijk is. Verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: Verzoek tot niet-ontvankelijkheid wordt afgewezen en rectificatie van de partijaanduiding wordt toegestaan.

Uitspraak

ECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/375846 / HA ZA 26-177
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. R.T.A. Ansems,
tegen
PRONTO INSTALLATIE B.V.,
te Burgerveen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Pronto,
advocaat: mr. E.L. Abbink Spaink.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de akte van eiseres houdende verzoek tot rectificatie
- de antwoordakte van gedaagde.
1.2.
Vervolgens heeft de rolrechter de zaak aangehouden om te beslissen of [bedrijf 1] B.V. niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen en of een mondelinge behandeling zal worden gelast.

2.De beoordeling

2.1.
Bij de dagvaarding heeft [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1]) vorderingen ingesteld tegen Pronto. Aan die vorderingen heeft zij ten grondslag gelegd dat Pronto tekort is gekomen in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst en in verzuim is.
Het verzoek van Pronto om [bedrijf 1] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen
2.2.
Pronto heeft als meest verstrekkende verweer gevoerd dat [bedrijf 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen. Daarvoor voert Pronto aan dat er geen rechtsverhouding bestaat tussen [bedrijf 1] en Pronto waaraan [bedrijf 1] een vorderingsrecht tegen Pronto kan ontlenen. De overeenkomst van 22 augustus 2024, waaraan [bedrijf 1] haar vorderingen ontleent, is tot stand gekomen tussen Pronto en [eiser].
Het verzoek van [bedrijf 1] tot rectificatie van de partijaanduiding
2.3.
In reactie daarop heeft [bedrijf 1] de rechtbank verzocht om te verstaan dat in de dagvaarding en het verdere geding onder eiseres dient te worden verstaan: [eiser] en dat de procedure geacht wordt vanaf aanvang door [eiser] te zijn ingesteld.
2.4.
Tussen partijen is in geschil of sprake is van een vergissing in de partijaanduiding en of deze vergissing door een rectificatie kan worden hersteld.
2.5.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan een vergissing in de partijaanduiding door een rectificatie worden hersteld indien (a) de vergissing onder de gegeven omstandigheden voor de processuele wederpartij kenbaar was, (b) de wederpartij door de vergissing en de rectificatie daarvan niet is benadeeld of in haar verdediging geschaad, en (c) de rectificatie tijdig heeft plaatsgevonden. [1] Met herstel van louter formele fouten mogen in de regel geen materiële belangen van de wederpartij worden geschaad. [2] Vergissingen in bijvoorbeeld de partijaanduiding in de dagvaarding moeten in beginsel kunnen worden hersteld.
Er is sprake van een evidente vergissing
2.6.
De rechtbank is van oordeel dat (de advocaat van) [bedrijf 1] en [eiser] evident een vergissing heeft gemaakt door de dagvaarding op naam van de verkeerde rechtspersoon te stellen. Uit de stukken die [bedrijf 1] bij de dagvaarding heeft gevoegd ter onderbouwing van de vorderingen, waaronder de overeenkomst van 22 augustus 2024 tussen [eiser] en Pronto, de facturen die Pronto aan [eiser] heeft gestuurd en de brieven van (de advocaat van) [eiser] van 3 december 2025 en 6 januari 2026, waarbij Pronto [eiser] in gebreke heeft gesteld en vervolgens de overeenkomst met [eiser] heeft ontbonden, blijkt dat [eiser] de contractspartij is van Pronto, terwijl [bedrijf 1] Pronto heeft gedagvaard en vordering instelt in verband met de vernietiging van de overeenkomst tussen [eiser] en Pronto.
De vergissing was kenbaar voor Pronto
2.7.
De rechtbank is van oordeel dat deze vergissing ook kenbaar was voor Pronto, omdat voor haar duidelijk was dat [eiser] haar contractspartij is en zij daar voorafgaand aan de procedure ook steeds vanuit is gegaan door haar facturen aan [eiser] te sturen en door inhoudelijk te reageren op de brieven die [eiser] aan haar zond. Het feit dat de (aan [eiser] gelieerde) vennootschappen [bedrijf 1] C.V. en [bedrijf 2] B.V. deze facturen hebben betaald, maakt dat niet anders. Zoals Pronto ook zelf stelt, komt het vaker voor dat anderen dan de debiteur facturen betalen. Omdat de vennootschappen deel uitmaken van dezelfde groep, ging Pronto ervan uit dat zij voor elkaar betalen en – bijvoorbeeld – een onderlinge rekeningcourantverhouding hebben waarmee zij onderlinge betalingen verrekenen. Pronto had aanvankelijk contact met [betrokkene], bestuurder van [eiser]. Daarom meende ook Pronto zelf dat [betrokkene] namens [eiser] communiceerde. Vervolgens had Pronto contact met de advocaat die zich bij brief van 3 december 2025 uitdrukkelijk namens [eiser] stelde. Pronto kon ook na het sluiten van de overeenkomst nergens uit afleiden dat de overeenkomst namens of voor [bedrijf 1] zou zijn gesloten, dat [bedrijf 1] mede- of derde begunstigde was of dat [bedrijf 1] meende zelf contractspartij te zijn geworden. Dat [eiser] een holdingvennootschap is die zelf geen ondernemingsactiviteiten verricht en daardoor mogelijk aanspraak op investeringsregelingen misloopt, is onvoldoende voor de conclusie dat Pronto heeft aangenomen dat [eiser] de overeenkomst binnen de groep zou hebben overgedragen aan een andere vennootschap. Hetzelfde geldt voor het feit dat het rapport van [bedrijf 3] is opgesteld in opdracht van [bedrijf 1]. Uit de stukken blijkt immers niet dat Pronto die veronderstelling daadwerkelijk had. Integendeel, zij communiceerde steeds met [eiser] als haar contractspartij en heeft nooit enige twijfel laten blijken over wie haar contractspartij was.
Pronto wordt niet benadeeld of in haar verdediging geschaad en het verzoek tot rectificatie is tijdig
2.8.
De rechtbank is verder van oordeel dat Pronto door de vergissing en de rectificatie daarvan niet wordt benadeeld of in haar verdediging wordt geschaad. Voorafgaand aan de procedure heeft Pronto haar inhoudelijke standpunt over de door [eiser] gestelde tekortkomingen al kenbaar gemaakt, en ook in de conclusie van antwoord heeft zij inhoudelijk verweer gevoerd. De rechtbank volgt Pronto niet in haar standpunt dat inwilliging van het verzoek tot rectificatie zou leiden tot het verhullen van relevante feiten die van belang zijn bij de beoordeling van de rechtsvragen. Uit het voorgaande volgt immers dat partijen altijd ervan zijn uitgegaan dat [eiser] de contractspartij is van Pronto. Voor zover Pronto meent dat de feiten en omstandigheden die zij naar voren heeft gebracht in haar antwoordakte van belang zijn voor de inhoudelijke beoordeling van de zaak, kan zij dat in aanvulling op haar verweer bij gelegenheid van de mondelinge behandeling naar voren brengen. Daarmee is het verzoek om rectificatie ook tijdig, direct na de conclusie van antwoord en ruim voor de mondelinge behandeling. Dat (de advocaat van) [eiser] eerst na aanleiding van de conclusie van antwoord van Pronto haar vergissing heeft onderkent, maakt nog niet dat rectificatie in strijd is met de goede procesorde. Van opzet is niet gebleken en Pronto is niet belemmerd in haar inhoudelijke verweer tegen de vorderingen van [eiser]. Dat verweer heeft zij in de conclusie van antwoord immers al naar voren gebracht en zij heeft voldoende tijd om zich voor te bereiden op de mondelinge behandeling.
2.9.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van Pronto om [bedrijf 1] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen afwijzen. De rechtbank zal het verzoek tot rectificatie toewijzen, in die zin dat als eisende partij geldt [eiser]. De kop van dit vonnis is hierop al aangepast.
De mondelinge behandeling
2.10.
De rechtbank zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
2.11.
De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.
2.12.
Op de mondelinge behandeling wordt aan de advocaten van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen van maximaal vier pagina’s A4.
2.13.
Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen.
2.14.
De rechtbank wijst partijen erop dat zij schriftelijk en gemotiveerd om extra behandeltijd kunnen vragen indien zij van mening zijn dat de geplande anderhalf uur voor de mondelinge behandeling niet toereikend is.
2.15.
De naam van de betrokken rechter wordt vanaf één week voor de zitting vermeld in het roljournaal.
2.16.
Partijen wordt verzocht er zorg voor te dragen dat bescheiden die voor de zaak van belang zijn – voor zover deze nog niet zijn overgelegd – uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling in het bezit zijn van de rechtbank en de wederpartij.
2.17.
Uitgangspunt is dat er geen proces-verbaal wordt opgemaakt van de mondelinge behandeling. De rechter maakt alleen een proces-verbaal op indien hij dit, ambtshalve of op verzoek van een partij die daarbij belang heeft, bepaalt of op verzoek van de hoger-beroepsrechter.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
wijst het verzoek van Pronto om [bedrijf 1] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen af,
3.2.
staat rectificatie toe, in die zin dat als eisende partij geldt [eiser],
3.3.
beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank, in het gerechtsgebouw te Haarlem, Jansstraat 81, op
maandag 12 oktober 2026van
11:00tot
12:30uur,
3.4.
bepaalt dat de partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,
3.5.
bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen,
binnen vijf werkdagenna de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van de zittingsadministratie handel van de sector civiel - om een andere zittingsdatum dient te vragen middels een B5-formulier vanuit het roljournaal. Het verzoek wordt alléén in behandeling genomen als de verzoeker het standpunt van de wederpartij bekend maakt én de verhinderdata (zoveel mogelijk in dagdelen) opgeeft van alle betrokkenen in de komende zes maanden volgend op de datum van het uitstelverzoek,
3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Kluit en in het openbaar uitgesproken op
15 juli 2026.

Voetnoten

1.Onder meer HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4765.
2.HR 13 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1881.