ECLI:NL:RBNHO:2026:8787

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
HAA 26/2789
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • A. H. de Regt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 6:19 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening verlengt begunstigingstermijn last onder dwangsom wegens persoonlijke omstandigheden verzoeker

Verzoeker is eigenaar van percelen in de gemeente Haarlemmermeer waarop een last onder dwangsom is opgelegd wegens strijdig gebruik en het ontbreken van vergunningen voor bouwwerken. Het college heeft de begunstigingstermijn meerdere malen verlengd, maar het laatste verzoek tot verlenging werd afgewezen omdat het strijdig gebruik na anderhalf jaar nog niet volledig was beëindigd.

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om de begunstigingstermijn alsnog te verlengen. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker een spoedeisend belang heeft, mede omdat bij niet-tijdige naleving dwangsommen verbeurd worden en het college heeft toegezegd geen controle uit te voeren totdat op het verzoek is beslist.

De voorzieningenrechter weegt de belangen af en concludeert dat de belangen van verzoeker zwaarder wegen. Verzoeker heeft grotendeels voldaan aan de last, heeft een professioneel bedrijf ingeschakeld en heeft persoonlijke beperkingen die het proces vertragen. Daarom wordt de begunstigingstermijn met terugwerkende kracht verlengd tot twee weken na uitspraak op het beroep. Tevens wordt het griffierecht en proceskosten aan verzoeker vergoed.

Uitkomst: De begunstigingstermijn van de last onder dwangsom wordt met terugwerkende kracht verlengd tot twee weken na uitspraak op het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/2789

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R. Ridder),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, het college
(gemachtigde: mr. L.M. van der Horst).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een aan verzoeker opgelegde last onder dwangsom en de afwijzing van zijn verzoek tot verlenging van de begunstigingstermijn. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoeker als volgt af.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangen die pleiten voor het treffen van een voorlopige voorziening zwaarder wegen dan de belangen van het college. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de voorzieningenrechter volgt vanaf 4. Daarbij gaat de voorzieningenrechter eerst in op het spoedeisend belang. Onder 5 bespreekt de voorzieningenrechter de belangen van partijen. Aan het eind staat de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 15 september 2025 op het bezwaar van verzoeker is het college bij het besluit van 6 februari 2025 tot oplegging van de last onder dwangsom voor de percelen aan de [adres] in [plaats] gebleven. Het college heeft de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom meerdere malen op verzoek van verzoeker verlengd.
2.1
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.2
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.3
Verzoeker heeft het college op 11 mei 2026 nogmaals verzocht de begunstigingstermijn te verlengen. Het college heeft dat verzoek afgewezen bij besluit van 19 mei 2026. Dat betekent dat de begunstigingstermijn van de opgelegde last onder dwangsom afliep op 1 juni 2026.
2.4
Het college heeft de voorzieningenrechter op 27 mei 2026 bericht dat met het uitvoeren van een hercontrole op de percelen van verzoeker wordt gewacht tot de rechtbank uitspraak heeft gedaan op de verzochte voorlopige voorziening.
2.5
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en mr. [naam 1] . Namens het college hebben deelgenomen: de gemachtigde van het college en mr. [naam 2] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het besluit
3.1
Verzoeker is eigenaar van de percelen kadastraal bekend als gemeente Haarlemmermeer, sectie [letter] , nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] , oftewel [adres] te [plaats] (hierna: de percelen). Op de percelen bevinden zich onder meer een woonhuis, een loods, verschillende bouwwerken, opslagcontainers en materiaal. In de jaren tachtig bevond zich op het terrein een manege.
3.2
Op de percelen is het bestemmingsplan “Nieuwe Meer 1e herziening” van toepassing, dat sinds 1 januari 2024 onderdeel uitmaakt van het Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer. Op de percelen rust de bestemming ‘Agrarisch – Paardenfokkerij’. Uit artikel 4.1 van de planregels blijkt dat op grond van deze bestemming agrarische bedrijfsactiviteiten gericht op het bedrijfsmatig fokken en opfokken van paarden zijn toegestaan. Verder zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor stille opslag ter plaatste van de functieaanduiding ‘specifiek vorm van bedrijf – stille opslag’.
3.3
Op 23 oktober 2023 en 20 juni 2024 heeft een gemeentelijk inspecteur een controle uitgevoerd op de percelen. Tijdens deze controle is vastgesteld dat eiser handelt in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, Omgevingswet door het gebruik van de percelen voor de opslag van goederen en materiaal buiten de begrenzing ‘specifiek vorm van bedrijf – stille opslag’. Ook is gebleken dat op de percelen meerdere bouwwerken zijn gebouwd en in gebruik genomen zonder de daarvoor vereiste vergunningen. Deze bouwwerken werden onder meer gebruikt voor de opslag van goederen en materiaal, bewoning en als kantoor.
3.4
In het primaire besluit van 6 februari 2025 heeft het college aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd, te weten dat eiser de overtreding van artikel 5.1, eerste lid onder a, van de Omgevingswet moet beëindigen en beëindigd houden door:
1. de geplaatste bouwwerken die als opslagvoorzieningen dienen (zoals containers, ketens, barakken, schuren en caravans/campers) buiten de functieaanduiding: “Specifieke vorm van bedrijf- stille opslag’ te verwijderen en verwijderd te houden;
2. het gebruik van de percelen voor opslag van goederen/materialen buiten de functieaanduiding: ‘Specifieke vorm van bedrijf – stille opslag’ te verwijderen en verwijderd te houden;
3. het verwijderen en verwijderd houden van de geplaatste garagebrug en;
4. het verwijderen en verwijderd houden van de kantoor- en woonunits(s).
Verzoeker dient hieraan uiterlijk te voldoen op 6 augustus 2025 (de begunstigingstermijn). Indien hij niet tijdig aan de last voldoet dan moet hij de volgende bedragen betalen:
  • niet voldoen aan punt 1: € 40.000,- ineens
  • niet voldoen aan punt 2: € 40.000,- ineens;
  • niet voldoen aan punt 3: € 10.000,- ineens;
  • niet voldoen aan punt 4: € 10.000,- ineens.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3.5
Op verzoek van verzoeker heeft het college de begunstigingstermijn bij besluit van 4 juni 2025 verlengd tot zes weken na de dag van verzending van de beslissing op bezwaar.
3.6
Op 28 augustus 2025 heeft de adviescommissie bezwaarschriften het college geadviseerd om de bezwaren ongegrond te verklaren en de last in stand te laten.
3.7
Het college heeft in het bestreden besluit van 15 september 2025 het advies van de adviescommissie bezwaarschriften overgenomen en het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. De begunstigingstermijn loopt op grond van het bestreden besluit af zes weken na het bestreden besluit. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingediend.
3.8
In de besluiten van 23 oktober 2025, 11 december 2025 en 24 februari 2026 heeft het college op verzoek van verzoeker de begunstigingstermijn steeds verlengd tot laatstelijk 1 juni 2026. In het laatste besluit van 24 februari 2026 is aangegeven dat een nieuw verzoek van verzoeker om verlenging van de begunstigingstermijn niet meer zal worden gehonoreerd. Deze besluiten zijn aan te merken als wijzigingen van het bestreden besluit van 15 september 2025, zoals bedoeld in artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.9
Verzoeker heeft op 11 mei 2026 het college nogmaals verzocht om verlenging van de begunstigingstermijn. Verzoeker geeft daarbij aan dat hij, ondanks de voortuitgang die verzoeker steeds heeft geboekt bij het opruimen van het terrein, door zijn mentale en fysieke toestand meer tijd nodig heeft om volledig aan de last te voldoen.
3.1
In het besluit van 19 mei 2026 heeft het college het verzoek van verzoeker afgewezen. Hoewel de overtreding binnen de gestelde termijn van 26 weken beëindigd had kunnen worden, heeft het college vanwege de persoonlijke omstandigheden van verzoeker en de door hem getoonde bereidheid om het strijdig gebruik te beëindigen, meerdere malen aanleiding gezien om de begunstigingstermijn te verlengen. Daarmee is aan verzoeker aanzienlijk meer tijd geboden dan o gebruikelijk is. Het college constateert dat inmiddels vooruitgang is geboekt bij het ontruimen van het terrein. Tegelijkertijd is het strijdig gebruik, anderhalf jaar na het opleggen van de last, nog altijd niet volledig beëindigd. Onder deze omstandigheden is een verdere verlenging niet opportuun. Bij vergelijking van de foto’s met die van 10 februari 2026 en 10 mei 2026 ziet het college een minimale vooruitgang in het proces. Gesteld noch gebleken is dat verzoeker niet een derde partij kan inschakelen die de resterende werkzaamheden voor hem uitvoert.
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij een beoordeling van de voorzieningenrechter. Hierbij is allereerst van belang dat bij het niet tijdig voldoen aan de last verzoeker een dwangsom van rechtswege verbeurt. Het college heeft toegezegd geen controle uit te voeren totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist. Verzoeker heeft daarmee tot op heden nog geen dwangsommen verbeurd. Daar komt bij dat de begunstigingstermijn weliswaar inmiddels is verlopen, maar gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 oktober 2014 [1] heeft de voorzieningenrechter de bevoegdheid om een eenmaal verstreken begunstigingstermijn met terugwerkende kracht te verlengen. Met het indienen van het verzoek kan verzoeker dus alsnog bewerkstelligen dat de begunstigingstermijn voor de last wordt verlengd.
Belangenafweging
5.1
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van het college om direct handhavend op te treden, minder zwaar weegt dan de belangen van verzoeker en legt dit als volgt uit. Verzoeker heeft aangegeven dat hij aan de opgelegde last wil voldoen sinds de oplegging daarvan. De opgeslagen bouwwerken, spullen en materialen op het terrein die hij moet verwijderen zijn in een periode van vijfentwintig jaar verzameld (verzoeker zou lijden aan ‘hoarding’). Het betreft een terrein van meer dan 6.000 m2 met daarop onder meer ruim veertig containers, kantoor units, een hooischuur, meerdere bouwketen, een schuur, een kippenhok, oude caravans en een grote hoeveelheid oud ijzer en hout dat eerst moest worden gesorteerd, voordat het kon worden verwijderd. Ook was sprake van meerdere huurovereenkomsten voor de opslag in containers, die eerst opgezegd moesten worden. Daarnaast is verzoeker bijna tachtig jaar oud en heeft hij fysieke beperkingen. Hij kan de percelen daarom niet zelf ontruimen, maar is daarvoor afhankelijk van derden. Dit alles brengt met zich mee dat verzoeker vanwege de aard en de omvang van de opslag op de percelen en zijn persoonlijke omstandigheden langer de tijd nodig heeft om aan de last te voldoen.
5.2
Ter zitting heeft verzoeker ten slotte toegelicht en met foto’s onderbouwd dat hij inmiddels grotendeels aan de opgelegde last onder dwangsom voldoet. Hij gaf aan ongeveer 90% van vereiste werkzaamheden te hebben verricht. Verzoeker heeft ook met facturen onderbouwd dat hij een professioneel bedrijf heeft ingeschakeld om het terrein met machines te ontruimen. Daarnaast heeft verzoeker toegelicht dat hij, ondanks de eerdere verlengingen van de begunstigingstermijn, nog niet volledig aan de last heeft voldaan omdat de weersomstandigheden effect hebben gehad op de begaanbaarheid van de percelen, de tijdrovende aard van de werkzaamheden en omdat verzoeker onlangs gedurende een periode is opgenomen in het ziekenhuis. Verzoeker heeft op de zitting aangegeven nog twee tot drie maanden nodig te hebben om de laatste werkzaamheden uit te voeren en om volledig aan de last te voldoen. Het college heeft dit niet betwist.
6. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de begunstigingstermijn in het bestreden besluit met terugwerkende kracht te verlengen tot de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de begunstigingstermijn in het bestreden besluit met terugwerkende kracht wordt verlengd tot twee weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in het beroep.
8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- bepaalt dat de begunstigingstermijn van het bestreden besluit van 15 september 2025 met terugwerkende kracht wordt verlengd tot twee weken na de uitspraak op het beroep;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. H . de Regt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.