ECLI:NL:RBNHO:2026:883

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
11544307 \ CV EXPL 25-945
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling achterstallige servicekosten toegewezen, incassokosten afgewezen

VBH vordert betaling van achterstallige servicekosten van gedaagden, vermeerderd met incassokosten en wettelijke rente. Gedaagden erkennen de betalingsachterstand, maar betwisten het gevorderde bedrag vanwege reeds gedane deelbetalingen en wijzen op een voorgestelde betalingsregeling die niet werd geaccepteerd.

De rechtbank stelt vast dat VBH gerechtigd is tot incasso namens de Vereniging van Eigenaren en dat er een betalingsachterstand bestaat. Na verwerking van de deelbetalingen blijft een hoofdsom van € 2.385,48 openstaan. De vordering tot betaling van deze hoofdsom en de wettelijke rente vanaf de dagvaarding wordt toegewezen.

De gevorderde incassokosten worden afgewezen omdat de aanmaning niet voldeed aan de wettelijke eisen, met name het ontbreken van een correcte 14-dagenbrief. De gevorderde vervallen rente wordt eveneens afgewezen wegens onvoldoende specificatie. Proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van € 2.385,48 aan achterstallige servicekosten met wettelijke rente, incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11544307 \ CV EXPL 25-945
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
VVE BEHEER HAARLEM B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: VBH,
gemachtigde: Boeder Incasso,
tegen

1.[gedaagde 1],

te [plaats],
2.
[gedaagde 2],
te [plaats],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
procederend in persoon.
De zaak in het kort
De vordering van VBH om [gedaagden] te veroordelen tot betaling van achterstallige servicekosten wordt toegewezen. De deelbetalingen die [gedaagden] heeft gedaan zijn al verwerkt in de gewijzigde vordering. De omstandigheid dat VBH niet akkoord is gegaan met de door [gedaagden] voorgestelde betalingsregeling leidt niet tot afwijzing van de vordering. De gevorderde incassokosten worden afgewezen omdat de verzonden 14-dagenbrief niet aan de wettelijke vereisten voldoet. De wettelijke rente over de hoofdsom wordt toegewezen vanaf de datum van dagvaarden.

1.De verdere procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 juli 2025;
- akte van de eisende partij van 13 augustus 2025, met producties;
- mondeling antwoord akte van 22 oktober 2025;
- mondeling antwoord akte van 19 november 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
VBH vordert - na eiswijziging – dat [gedaagden] worden veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van € 2.385,48, buitengerechtelijke incassokosten van € 489,53 en vervallen rente van € 101,91, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2025 tot de dag van volledige betaling.
2.2.
[gedaagden] voeren verweer. Zij erkennen dat er een achterstand is in de betaling van de servicekosten, maar betwisten het in de dagvaarding gevorderde bedrag. Volgens [gedaagden] zijn in dat bedrag niet de betalingen verwerkt die [gedaagden] voorafgaand aan de dagvaarding hebben gedaan. [gedaagden] hebben de servicekosten vanaf december 2024 wel gewoon betaald en daarnaast nog aanvullende betalingen gedaan. [gedaagden] kunnen het volledige bedrag niet in één keer betalen, maar hebben voorstellen gedaan voor een betalingsregeling waarop VBH niet heeft gereageerd.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De verdere beoordeling

3.1.
De vraag die beantwoord moet worden is of [gedaagden] de door VBH gevorderde hoofdsom aan achterstallige servicekosten, vermeerderd met rente en kosten moet betalen.
Procespartij
3.2.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter VBH toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat VBH terzake van achterstallige servicekosten en/of voorschotbijdragen een vordering op [gedaagden] heeft.
3.3.
VBH heeft vervolgens onder verwijzing naar een inschrijving in het Handelsregister opgemerkt dat zij de incassogemachtigde is van de Vereniging van Eigenaren van het flatgebouw waarin [gedaagden] als appartementseigenaar woonachtig is.
3.4.
[gedaagden] heeft daarop gereageerd met het betoog dat deze informatie niet klopt omdat die Vereniging van Eigenaren een nieuwe beheerder heeft, te weten de VBAmsterdam. Zij verwijzen naar een bij mondeling antwoord overgelegde brief. Uit die brief blijkt echter niet dat aan de positie van VBH als incassogemachtigde een einde is gekomen. In de brief wordt immers opgemerkt dat het contract tussen de VvE waarvan [gedaagden] lid zijn en VBH “onveranderd van kracht blijft”. Ook uit de rest van de brief blijkt dat VBH als juridische entiteit is blijven bestaan. Het samengaan met VBAmsterdam is kennelijk vooral het afsplitsen van feitelijke taken en werkzaamheden.
Hoofdsom
3.3.
Als onbetwist staat vast dat er een betalingsachterstand in de servicekosten is ontstaan die [gedaagden] aan VBH moeten betalen. Over de omvang van de (actuele) betalingsachterstand verschillen partijen van mening.
3.4.
Volgens de dagvaarding bedroeg de betalingsachterstand aanvankelijk € 2.795,72. De kantonrechter gaat er op basis van het bij de dagvaarding overgelegde overzicht (productie E1, uitdraai grootboekrekening) vanuit dat deze achterstand gebaseerd is op de situatie tot en met 1 november 2024. Nadat VBH op 11 november 2024 een zogeheten 14-dagenbrief heeft verzonden, hebben [gedaagden] (blijkens overgelegde betalingsbewijzen) op 28 november 2024, 30 december 2024, 3 januari 2025 en 3 februari 2025 betalingen gedaan van in totaal € 1.748,94. Op 13 februari 2025 heeft VBH [gedaagden] echter gedagvaard voor het bedrag van € 2.795,72 waarin voornoemde betalingen van [gedaagden] (blijkens productie E1) nog niet waren verwerkt. Na het aanbrengen van de dagvaarding hebben [gedaagden] (blijkens overgelegde betalingsbewijzen) op 21 en 24 maart 2025 opnieuw betalingen gedaan van in totaal € 567,74.
3.5.
Bij repliek heeft VBH een geactualiseerd overzicht (productie 4, uitdraai grootboekrekening) verstrekt, waarin de betalingen van [gedaagden] wel zijn verwerkt. Daaruit volgt dat er nu nog een achterstand is van € 2.385,48. Dit is het bedrag aan hoofdsom dat VBH na eiswijziging nog van [gedaagden] vordert. [gedaagden] hebben niet concreet en gemotiveerd weersproken dat dit bedrag niet klopt. De kantonrechter zal dit bedrag dan ook toewijzen. Dat [gedaagden] meerdere keren (tevergeefs) hebben geprobeerd een betalingsregeling met VBH te treffen, doet aan de verschuldigdheid van dit bedrag niet af. Het is spijtig voor [gedaagden] dat het niet is gelukt de kwestie in der minne te regelen, maar de kantonrechter heeft niet de mogelijkheid om VBH de door [gedaagden] aangeboden betalingsregeling op te leggen.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.6.
VBH maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering wordt afgewezen, omdat niet is gebleken dat in de aanmaning aan [gedaagden] (de brief van 1 november 2024) een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist in artikel 6:96 lid 6 BW Pro. [1]
Wettelijke rente
3.7.
VBH heeft een bedrag aan vervallen wettelijke rente gevorderd. Zij heeft echter niet gespecificeerd over welke periode deze rente is berekend. Zo is slechts vermeld dat [gedaagden] door het verstrijken van de betalingstermijn in verzuim is geraakt, maar niet is toegelicht welke betalingstermijn (op grond waarvan) is gehanteerd. Ook is niet duidelijk gemaakt in hoeverre bij het gevorderde rentebedrag rekening is gehouden met de deelbetalingen die [gedaagden] voor aanbrengen van de dagvaarding heeft gedaan. De kantonrechter kan daardoor niet beoordelen of er een grondslag voor deze vordering bestaat, om welke reden dit onderdeel van de vordering wordt afgewezen. De wettelijke rente over de toegewezen hoofdsom zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
Proceskosten
3.8.
De proceskosten zullen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Daartoe is redengevend enerzijds de onduidelijkheid ten aanzien van de vraag wie vorderingsgerechtigd c.q. aanspraakpunt was in verband met de inlossing van de achterstand en de communicatie en VBH eerst na tussenvonnis hier wat meer duidelijkheid over heeft gegeven en anderzijds dat [gedaagden] op het moment van dagvaarden al aan het inlossen waren op de achterstand en die achterstand nadien verder is afgenomen.
3.9.
Omdat er meerdere gedaagden zijn, wordt de veroordeling hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan VBH te betalen een bedrag van
€ 2.385,48, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 13 februari 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op
14 januari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.