ECLI:NL:RBNHO:2026:9046

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
HAA 25/395
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.14 WaboArt. 3.9 WaboArt. 3.10 WaboArt. 8:69a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning voor vervanging opslagtanks in inrichting

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiser tegen de door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad verleende omgevingsvergunning aan vergunninghoudster voor het vervangen van bestaande opslagtanks in haar inrichting. De aanvraag, ingediend op 20 december 2023, betreft het bouwen en het milieuneutraal veranderen van de inrichting.

De rechtbank oordeelt dat de Wabo van toepassing is vanwege de datum van de aanvraag en dat participatievereisten uit de Omgevingswet niet gelden. De rechtbank stelt vast dat de opslagcapaciteit met de nieuwe opslagtanks niet toeneemt, waardoor geen andere of grotere milieugevolgen optreden dan reeds vergund. Ook is geen sprake van een andere inrichting en geldt geen mer-plicht. De bouwhoogte wijkt beperkt af van het bestemmingsplan, maar het college heeft dit gemotiveerd en een positief welstandsadvies ontvangen.

De rechtbank laat de beroepsgrond over effecten op Natura 2000-gebieden onbesproken vanwege het relativiteitsvereiste, omdat deze gebieden geen deel uitmaken van de woon- en leefomgeving van eiser. Ook de stelling dat de vergunning de woningbouwlocatie Ardagh belemmert, wordt verworpen wegens gebrek aan concretisering. Het beroep wordt ongegrond verklaard, de vergunning blijft in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/395

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad,verweerder
(gemachtigden: mr. P.H. Driessen en N. Damhof).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij] B.V., uit [plaats] (vergunninghoudster).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het vervangen van bestaande opslagtanks in haar inrichting. Eiser is het niet eens met het verlenen van die vergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Vergunninghoudster heeft op 20 december 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vervangen van bestaande opslagtanks in haar inrichting.
2.1.
Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning met het primaire besluit van 30 april 2024 verleend. De omgevingsvergunning heeft betrekking op de activiteiten bouwen [1] , het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan [2] en het milieuneutraal veranderen van de inrichting [3] .
2.2.
Met het bestreden besluit van 17 december 2024 op het bezwaar van eiser heeft het college de omgevingsvergunning gehandhaafd.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van het college en namens vergunninghoudster [naam 1] en [naam 2] .

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Vergunninghoudster is een producent van oliën en vetten voor de voedingsmiddelenindustrie. Haar inrichting is gevestigd aan de [adres] in [plaats] . Binnen de inrichting bevinden zich opslagtanks, zowel voor grondstoffen als voor gerede producten. Een deel van die opslagtanks is aan vervanging toe. Vergunninghoudster heeft daarom op 20 december 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het gefaseerd vervangen van bestaande opslagtanks. De aanvraag heeft betrekking op de activiteit ‘bouwen’. Het gaat daarbij niet om een een-op-eenvervanging, omdat de opslagcapaciteit van de nieuwe opslagtanks afwijkt van die van de oude opslagtanks. In totaal worden zes oude grote opslagtanks vervangen door 21 nieuwe, gestapelde, kleinere opslagtanks.
3.1.
Het college heeft vergunninghoudster er bij brief van 9 januari 2024 op gewezen dat haar aanvraag ook wordt aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Daarbij is ook verzocht om een aanvulling van de aanvraag voor het milieuneutraal veranderen van de inrichting.
3.2.
Op 16 februari 2024 heeft vergunninghoudster de aanvraag aangevuld met de notitie ‘Toelichting aanvraag milieuneutrale verandering - Vervangen opslagtanks’ van KWA Bedrijfsadviseurs.
3.3.
Vervolgens heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht invoering Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
4.1.
De aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning is ingediend op
20 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Heeft er voldoende participatie plaatsgevonden?
5. Eiser betoogt dat in het kader van de Omgevingswet onvoldoende participatie heeft plaatsgevonden. Hij voert aan dat vergunninghoudster weliswaar een nieuwsbrief met informatie over de vergunningaanvraag heeft verspreid in de buurt, maar dat die misleidend was en dat daarin alleen aandacht was voor de vervanging van zes bestaande tanks. De omwonenden zijn niet geïnformeerd over de grootse plannen die als gevolg van de verleende omgevingsvergunning kunnen worden gerealiseerd.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet
.In deze zaak is, zoals ook onder 4.1 is overwogen, niet de Omgevingswet, maar de Wabo van toepassing. Participatie wordt onder de Wabo niet als vereiste gesteld, zodat het ontbreken daarvan geen reden kan zijn om het bestreden besluit te vernietigen.
Is er sprake van een milieuneutrale verandering van de inrichting?
6. Uit de artikelen 2.14, vijfde lid, en 3.10, derde lid, van de Wabo volgt dat een omgevingsvergunning voor een milieuneutrale verandering wordt verleend indien:
- de verandering van de inrichting niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende omgevingsvergunning zijn toegestaan;
- de verandering niet leidt tot een andere inrichting dan volgens de geldende omgevingsvergunning is toegestaan, en;
- er voor de verandering geen verplichting bestaat tot het maken van een milieueffectrapportage (mer).
Andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan reeds vergund
7. Eiser stelt dat de verleende omgevingsvergunning leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen van het milieu dan met de geldende revisievergunning uit 2006 zijn toegestaan. Ter onderbouwing stelt hij dat voor zes bestaande tanks 21 nieuwe tanks terugkomen, waardoor de opslagcapaciteit flink toeneemt en de mogelijkheid bestaat voor vergunninghoudster om de productiecapaciteit uit te breiden en het productieproces aan te passen, waardoor er meer (stank)overlast zal plaatsvinden. Verandering en groei van de productie hebben grotere nadelige gevolgen voor het milieu, onder meer door extra vrachtwagens die te hoge geluidwaarden produceren en leiden tot extra uitstoot van CO2, NOx en fijnstof. Ook zal de wijziging en/of uitbreiding van het productieproces leiden tot een toename van geuroverlast en zal de vergunde productiecapaciteit verdergaand worden overschreden.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals uit de aanvraag en de verleende omgevingsvergunning blijkt, neemt de opslagcapaciteit met de nieuwe, kleinere, opslagtanks niet toe. De totale opslagcapaciteit neemt zelfs iets af. Het college heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat uit de vervanging van de opslagtanks geen andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu voortvloeien dan reeds zijn vergund. Vergunninghoudster heeft aangegeven dat er meer diversiteit in de productie komt, waardoor een kleinere hoeveelheid per product wordt geproduceerd en opgeslagen. Niet beoogd is het aantal transportbewegingen te verhogen of de transportroutes op het terrein te veranderen als gevolg van deze activiteit. Dit is ook niet vergund en ligt ook niet in de lijn der verwachting, nu de totale opslagcapaciteit afneemt. Vergunninghoudster dient zich daarom nog altijd te houden aan het in 2006 vergunde maximum van 72 transportbewegingen per dag. Indien dat aantal wordt overschreden, is het college bevoegd en in beginsel ook gehouden om daartegen handhavend op te treden.
Andere inrichting
8. Eiser stelt dat de verleende omgevingsvergunning leidt tot een andere inrichting dan waarvoor eerder een vergunning is verleend.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft terecht het standpunt ingenomen dat de vergunde vervanging van opslagtanks de aard van de inrichting van vergunninghoudster niet verandert.
Mer
9. Eiser voert aan dat de aanvraag mer-plichtig is.
9.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft zich, onder verwijzing naar het bepaalde in categorie D 35 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, terecht op het standpunt gesteld dat er geen mer-plicht geldt voor de vervanging van de opslagtanks. Er is immers geen sprake van een toename van de productiecapaciteit van meer dan 40.000 ton per jaar. Eiser heeft dit niet bestreden, maar slechts zonder nadere onderbouwing gesteld dat er wel een mer-plicht geldt.
Is er sprake van strijd met de bouwregelgeving, het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand?
10. Eiser stelt dat de bouwactiviteit niet voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening, het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat het college heeft onderkend dat sprake is van strijd met het bestemmingsplan. De nieuwe opslagtanks overschrijden immers de in het bestemmingsplan Oud Zaandijk toegestane maximale bouwhoogte van 15 meter met 90 centimeter. Het college heeft gebruik gemaakt van de in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsbevoegdheid. Deze afwijkingsbevoegdheid maakt het mogelijk om tot maximaal 10% af te wijken van de in het bestemmingsplan opgenomen maten en afmetingen. Het college heeft daarbij toegelicht dat het afwijken van de maximale bouwhoogte in deze beperkte mate geen onevenredige afbreuk doet aan de omgevingsaspecten en belangen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. De rechtbank acht de afwijking in het licht van deze toelichting niet onredelijk. Daarnaast heeft het college voldoende gemotiveerd waarom het geen strijd met redelijke eisen van welstand aanwezig acht, gelet op het positieve advies van de welstandscommissie. Daarin is vermeld dat de commissie heeft geconstateerd dat het plan nauwelijks zichtbaar is van de openbare weg en de impact van de nieuwe opslagtanks daardoor beperkt is. Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, mag het op grond van vaste rechtspraak [4] op dat advies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro deze wet voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de juistheid van dit advies. Verder heeft eiser zijn stelling dat sprake is van strijd met de bouwverordening en het Bouwbesluit 2012 niet gemotiveerd. De rechtbank ziet in deze stelling dan ook geen reden om het bestreden besluit onrechtmatig te achten. De beroepsgrond slaagt niet.
Effecten op Natura 2000-gebieden
11. Eiser voert aan dat de inrichting van vergunninghoudster op korte afstand is gelegen van de Natura 2000-gebieden ‘Polder Westzaan’ en ‘Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder’. Dit zijn stikstofgevoelige natuurgebieden, waar een reductie van stikstofdepositie van 70-90% dient te worden gerealiseerd. De verleende omgevingsvergunning draagt hier negatief aan bij, omdat er extra vrachtwagenbewegingen zullen plaatsvinden. Dit geldt zowel voor de bouwfase als de gebruiksfase, aldus eiser.
11.1.
In artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Dit is het zogenoemde relativiteitsvereiste. Eiser beroept zich in deze beroepsgrond op de bepalingen uit de Wet natuurbescherming (Wnb) over de beoordeling van projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Die bepalingen strekken tot bescherming van het behoud van natuurwaarden in die gebieden. Dat is een algemeen belang waarvoor een natuurlijk persoon in rechte niet kan opkomen. De individuele belangen van een natuurlijk persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving kunnen echter zo verweven zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen in de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Deze situatie doet zich concreet voor als een Natura 2000-gebied deel uitmaakt van de woon- en leefomgeving van eiser. In dat geval raakt de aantasting van het gebied ook zijn belang bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving. [5]
11.2.
Bij de beantwoording van de vraag of verwevenheid zoals hiervoor bedoeld kan worden aangenomen, wordt onder meer rekening gehouden met de situering van de woning van eiser, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van eiser en de natuurgebieden, met hetgeen aanwezig is in het gebied tussen de woning en een Natura 2000-gebied en met het al dan niet bestaande, gehele of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied.
11.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze uitspraak anders te oordelen over de relativiteit dan in de uitspraak van 8 mei 2025 [6] . Ook in die uitspraak oordeelde de rechtbank over een beroep van eiser betreffende een aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor een milieuneutrale verandering van haar inrichting. Daarin overwoog de rechtbank dat het relativiteitsvereiste zich verzette tegen een beoordeling van de beroepsgrond van eiser die verband hield met de gestelde gevolgen van de verleende omgevingsvergunning voor de Natura 2000-gebieden ‘Polder Westzaan’ en ‘Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder’. Daarvoor was bepalend dat de door eiser gestelde afstand tussen zijn woning en deze twee natuurgebieden respectievelijk ongeveer 200-300 meter en 300 meter bedraagt, en dat tussen de woning en deze natuurgebieden aan de oostkant het brede water van de Zaan en een strook molens, en aan de westkant een provinciale weg, een spoorweg en een rij woningen zijn gelegen. Gelet hierop concludeerde de rechtbank dat de natuurgebieden geen deel uitmaken van eisers woon- en leefomgeving. Eiser heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld. Ook in deze procedure is de rechtbank van oordeel dat eisers belang niet is verweven met het algemeen belang van de natuurwaarden van de genoemde Natura 2000-gebieden. Het relativiteitsvereiste moet daarom ook in deze procedure op dit onderdeel aan eiser worden tegengeworpen. De rechtbank laat daarom deze beroepsgrond verder onbesproken.
Gevolgen voor woningbouwlocatie Ardagh
12. Eiser voert aan dat het onbegrijpelijk is dat het college blijft meewerken aan verdere groei van de inrichting van vergunninghoudster. Deze groei zal in de weg staan aan de gewenste uitbreiding van de woonwijk en zal woningbouw op de direct naast de inrichting gelegen locatie ‘Ardagh’ onmogelijk maken. Een bestemmingsplan voor woningbouw zal nooit de vereiste goedkeuring krijgen als de naastgelegen inrichting volop kan blijven groeien.
12.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft niet geconcretiseerd waarom de realisatie van de woonwijk Ardagh negatief beïnvloed zou worden door de bestreden omgevingsvergunning. Bovendien heeft vergunninghoudster op zitting onweersproken gesteld dat het woningbouwproject in volle uitvoering is.

Conclusie en gevolgen

13. Gelet op de vorenstaande overwegingen is het beroep ongegrond. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, voorzitter, mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. M.R. Plug, leden, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
3.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikelen 2.14, vijfde lid, en 3.10, derde lid, van de Wabo.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2084.
5.Zie in dit verband de overzichtsuitspraak van de Afdeling over het relativiteitsvereiste van 11 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2706).