ECLI:NL:RBNHO:2026:94

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
11678586
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering van werkgever tot terugbetaling onverschuldigde betalingen en schadevergoeding door voormalig werknemer

In deze zaak vorderde Schoonzorg B.V. van haar voormalig werknemer, [gedaagde], een bedrag van € 221.243,01 wegens onverschuldigde betaling en schadevergoeding. De kantonrechter wees de vordering tot terugbetaling van onverschuldigde betalingen af, maar kende wel schadevergoeding toe voor werkzaamheden die [gedaagde] tijdens werktijd voor haar eigen eenmanszaak en privé had laten verrichten door medewerkers van Schoonzorg. De procedure begon met een dagvaarding van Schoonzorg op 18 februari 2025, gevolgd door verschillende conclusies en een mondelinge behandeling op 27 november 2025. De kantonrechter oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor onverschuldigde betaling, maar dat [gedaagde] onrechtmatig had gehandeld door medewerkers van Schoonzorg in te schakelen voor privéwerkzaamheden. De kantonrechter veroordeelde Schoonzorg tot betaling van de proceskosten, omdat zij grotendeels in het ongelijk was gesteld. Het vonnis werd uitgesproken op 7 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11678586 \ CV EXPL 25-2869
Vonnis van 7 januari 2026
in de zaak van
SCHOONZORG B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Schoonzorg,
gemachtigde: mr. M. Uijen en mr. S. de Graaf,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 1],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. S. Prekpalaj.
De zaak in het kort
Werkgever vordert een bedrag van ruim € 220.000,00 wegens onverschuldigde betaling van een voormalig werknemer. De kantonrechter wijst deze vordering af. Werkgever vordert verder schade nader op te maken bij staat. De kantonrechter wijst de vordering toe wat betreft: 1) uren die medewerkers van werkgever tijdens werktijd voor opdrachten van de eenmanszaak van werknemer hebben gewerkt en 2) uren die medewerkers van werkgever tijdens werktijd aan privéklussen van werknemer hebben besteed.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • dagvaarding van Schoonzorg van 18 februari 2025 met 10 producties;
  • conclusie van antwoord van [gedaagde] van 1 juli 2025 met 16 producties;
  • conclusie van antwoord in incident artikel 195 Rv van Schoonzorg van 28 juli 2025;
  • incidenteel vonnis van 20 augustus 2025;
  • nadere stukken van [gedaagde] van 17 november 2025 met productie 17-21
  • partijen hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 27 november 2025 pleitaantekeningen overgelegd en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat daar verder is besproken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Schoonzorg is een schoonmaakbedrijf voor zorginstellingen, die uitsluitend bij instellingen van Stichting Cordaan schoonmaakt. Cordaan heeft 120 zorglocaties in Amsterdam en Diemen. Facilicom en Cordaan waren gezamenlijk aandeelhouder van Schoonzorg. Sinds 29 december 2021 is Cordaan enig aandeelhouder van Schoonzorg.
2.2.
[gedaagde] is vanaf 1 december 1997 in dienst geweest bij Facilicom. In 2007 is zij gevraagd om manager bij Schoonzorg te worden. Op 1 februari 2008 werd [gedaagde] manager van Schoonzorg via een inhuurconstructie met haar toenmalige werkgever, Facilicom. Per 1 september 2021 is [gedaagde] formeel in dienst getreden bij Schoonzorg in de functie van Operationeel Manager.
2.3.
Partijen hebben een schriftelijke arbeidsovereenkomst ondertekend. Volgens de arbeidsovereenkomst bedraagt het salaris van [gedaagde] € 4.887,15 bruto per vier weken + 8% vakantietoeslag. Verder vermeldt de arbeidsovereenkomst dat [gedaagde] recht heeft op een vaste persoonlijke toeslag ter hoogte van € 500,00 bruto per periode van vier weken (artikel 8); een vaste onkostenvergoeding van € 171,76 netto per periode van vier weken (artikel 11), een variabele beloning van € 961,50 bruto per periode bij het halen van de persoonlijke doelstellingen van [gedaagde] (artikel 13) en een pensioenbijdrage ter hoogte van € 607,00 per periode van vier weken (artikel 18).
2.4.
Op 20 november 2023 is door een extern adviesbureau, [bedrijf], een rapport opgesteld over Schoonzorg, waarbij werd onderzocht hoe de organisatie van Schoonzorg ervoor stond - twee jaar na ontvlechting met Facilicom. De conclusie was onder meer dat [gedaagde] moest worden ontlast en dat een nieuwe Algemeen Directeur moest worden aangesteld.
2.5.
In reactie op het rapport [bedrijf] is tijdens de Algemene Vergadering van Aandeelhouders op 29 november 2023 onder meer meegedeeld dat [gedaagde] met haar team ‘
een wereldprestatie heeft geleverd’.
2.6.
Per 1 mei 2024 is mevrouw [betrokkene 1] aangetreden als Algemeen Directeur van Schoonzorg. Zij werd vanaf dat moment de leidinggevende van [gedaagde]. Kort na haar aantreden, stuitte [betrokkene 1] op feiten en omstandigheden die vragen opriepen over het beleid en de werkwijze van [gedaagde]. Zo bleken verschillende medewerkers onnodig dure leaseauto’s te gebruiken en puilden de voorraadkasten op het kantoor uit van de cadeauartikelen en cadeaubonnen waarvan het zakelijk nut onduidelijk was. Verder werden door twee medewerkers van Schoonzorg ernstige zorgen geuit over discriminatie, intimidatie, sabotage en zelfverrijking door [gedaagde].
2.7.
In opdracht van [betrokkene 1] heeft Hoffmann Bedrijfsrecherche (hierna: Hoffmann) in de periode september 2024 tot november 2024 onderzoek gedaan naar [gedaagde]. Uit het onderzoeksrapport is onder meer naar voren gekomen dat tussen de periode 1 januari 2022 en 1 november 2024 meer aan [gedaagde] is voldaan dan op grond van de arbeidsovereenkomst met Schoonzorg verschuldigd was. Dit betrof onder meer hogere bedragen aan loon, variabele beloning, pensioenbijdrage, onkostenvergoedingen, uitbetaling van overuren en uitbetaling van extra bovenwettelijke verlofuren.
2.8.
Hoffmann heeft tevens geconstateerd dat [gedaagde] in 2022, 2023 en 2024 op vakantie is gegaan zonder daarvoor verlof op te nemen. Ook werd vastgesteld dat [gedaagde] doorlopend gebruik heeft gemaakt van een bedrijfsauto met een hogere maandelijkse leaseprijs dan de maximale leaseprijs toegestaan in haar arbeidsovereenkomst.
2.9.
Hoffmann heeft in het onderzoek tevens de banktransacties van Schoonzorg onder de loep genomen over de periode 2018-2024. Hierbij zijn veelvuldig onjuist verantwoorde winkelaankopen en onduidelijke cash geldopnames gesignaleerd. Diverse onderzochte winkelaankopen en geldopnames hadden geen direct duidelijk zakelijk nut. Er was veelal sprake van een huishoudelijk karakter. Hoffmann heeft hieraan geen concrete bedragen kunnen koppelen, omdat de aangeleverde boekhouding niet compleet was.
2.10.
Ook heeft Hoffmann in haar rapport geconcludeerd dat [gedaagde] onder werktijd opdrachten voor haar eenmanszaak heeft uitgevoerd en ook medewerkers van Schoonzorg in verband met die opdrachten werkzaamheden heeft laten verrichten.
2.11.
[gedaagde] heeft zich op 16 oktober 2024 ziekgemeld.
2.12.
Partijen hebben de arbeidsovereenkomst in januari 2025 door middel van een vaststellingsovereenkomst beëindigd.
2.13.
Schoonzorg heeft op 5 februari 2025 conservatoir beslag laten leggen op het huis van [gedaagde].

3.Het geschil

3.1.
Schoonzorg vordert van [gedaagde] -samengevat- € 221.243,01 vermeerderd met wettelijke rente. Dit bedrag is door Schoonzorg vastgesteld op basis van het rapport van Hoffmann. Schoonzorg legt aan deze vordering ten grondslag dat sprake is van onverschuldigde betaling ten aanzien van:
i. € 186.193,94 voor bedragen aan loon die zijn uitbetaald zonder dat [gedaagde] er op grond van haar arbeidsovereenkomst aanspraak op kon maken (variabele beloning ad € 86.008,54, pensioenbijdrage ad € 35.352,-, onkostenvergoeding ad € 4.833,40 en overuren ad € 60.000,-);
ii. € 35.049,07 voor het aan [gedaagde] ten onrechte toekennen en uitbetalen van bovenwettelijke verlofuren;
3.2.
Verder vordert Schoonzorg vergoeding van schade, nader op te maken bij staat, die Schoonzorg heeft geleden zoals genoemd in de vorderingen i en ii en doordat [gedaagde], volgens het onderzoeksrapport van Hoffmann:
iii. op vakantie is gegaan zonder daarvoor verlof op te nemen (schade € 5.801,52);
iv. gebruik heeft gemaakt van een bedrijfsauto met een hogere maandelijkse leaseprijs dan de maximale leaseprijs toegestaan in haar arbeidsovereenkomst (schade €13.557,50);
v. zich de vruchten heeft toegeëigend van niet of valselijk verantwoorde winkelaankopen en geldopnames en met die winkelaankopen eindheffingen onder de werkkostenregeling heeft uitgelokt (schatting schade € 485.000,-);
vi. tijdens werktijd opdrachten aan haar eenmanszaak heeft uitgevoerd (schade € 5.170,92) en medewerkers van Schoonzorg eveneens tijdens hun werktijd in verband met die opdrachten werkzaamheden heeft laten verrichten;
vii. door medewerkers van Schoonzorg tijdens hun werktijd voor haarzelf in privé werkzaamheden heeft laten verrichten en aan haar zoon bedragen heeft laten uitbetalen zonder dat daar werkzaamheden tegenover stonden (€ 30.000,-).
3.3.
De totale vordering wordt door Schoonzorg geschat op € 760.772,95. Schoonzorg beschikt niet over de gegevens die zij nodig heeft om nauwkeurig te berekenen op welk totaalbedrag zij jegens [gedaagde] aanspraak kan maken. Alle vorderingen hebben met elkaar gemeen dat ze terug te voeren zijn op handelen of nalaten van [gedaagde] in strijd met haar arbeidsovereenkomst dan wel andere op haar rustende rechtsplichten. In het verlengde hiervan:
  • kunnen alle vorderingen mede worden gegrond op opzettelijk dan wel bewust roekeloos tekortschieten in de nakoming van de arbeidsovereenkomst;
  • kunnen de vorderingen genoemd bij de onderdelen (v), (vi) en (vii) mede worden gegrond op onrechtmatig handelen; en
  • kunnen de vorderingen genoemd bij de onderdelen (iii) tot en met (vii) mede worden gegrond op ongerechtvaardigde verrijking.
3.4.
Tot slot vordert Schoonzorg om [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, met inbegrip van de kosten van het gelegde beslag op haar woning.
3.5.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Schoonzorg, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Schoonzorg, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Schoonzorg in de kosten van deze procedure. [gedaagde] voert hiertoe het volgende aan. Zij werkte jarenlang zeven dagen per week, van 07:00 uur tot 21:00 uur. Zij maakte om die reden ontzettend veel overuren. De afspraken op de arbeidsovereenkomst strookten niet met de daadwerkelijke afspraken tussen partijen. [gedaagde] heeft zich niet actief bemoeid of onderhandeld over de bedragen in de arbeidsovereenkomst. Zij heeft slechts aangegeven dat ze er bij indiensttreding bij Schoonzorg niet op achteruit wilde gaan ten opzichte van haar dienstverband bij Facilicom.
3.6.
[gedaagde] betwist dat sprake is van onverschuldigde betalingen, zoals genoemd onder (i) en (ii). Alle betalingen vonden plaats op basis van berekeningen die door derden zijn opgesteld en vervolgens zijn goedgekeurd door de voormalig directeur, [betrokkene 2]. Voor het overige golden structurele, afwijkende werkafspraken binnen Schoonzorg. Voor onverschuldigde betaling in de zin van artikel 6:203 BW moet sprake zijn van betaling zonder rechtsgrond. Deze rechtsgrond ontbreekt niet. Integendeel, er was sprake van een contractuele, operationele en feitelijke basis voor alle uitbetalingen. De uitkeringen gebeurden met instemming van de directie van Schoonzorg en zijn over lange periode stelselmatig uitgevoerd zonder enig bezwaar van Schoonzorg. Zodanige langdurige aanvaarding wijst eerder op rechtsverwerking aan de zijde van de werkgever dan op onverschuldigde betaling. [gedaagde] heeft jarenlang intensief en transparant gefunctioneerd, onder structureel hoge werkdruk, zonder formele kritiek of waarschuwing. Zij heeft naar haar beste vermogen getracht om haar werkzaamheden te doen, zonder deugdelijke ondersteuning, met een burn-out tot gevolg.
3.7.
[gedaagde] betwist ook de gestelde ongerechtvaardigde verrijking bij (iii) tot en met (vii). [gedaagde] heeft tegenover de vermeende verrijking steeds volwaardige prestaties geleverd in de vorm van overwerk, beschikbaarheid buiten kantooruren, het vervullen van meerdere functies zonder aanvullende vergoeding en het voorfinancieren van zakelijke uitgaven. Er was geen sprake van voordeel zonder rechtvaardiging, maar van een wisselwerking tussen extra inzet en de daarbij bijbehorende vergoeding. Alle contante opnames en kasbetalingen zijn gedaan ten behoeve van de organisatie en op basis van bestaande, informeel vastgelegde procedures. Alle aangekochte goederen zijn daadwerkelijk gebruikt binnen het pand van Schoonzorg. Er was sprake van een bedrijfscultuur binnen Schoonzorg waar dingen veelvuldig werden gevierd met bloemen, gebak, lekkernijen en cadeaus. De periode waarin de meeste kasbetalingen plaatsvonden, viel samen met de verhuizing van Schoonzorg naar een nieuw pand in 2022. [gedaagde] heeft toen -in overleg met directie en boekhouding- veel kosten voorgeschoten. Deze bedragen zijn achteraf verrekend of uit de kas betaald.
3.8.
[gedaagde] wijst erop dat zij alle uitgaven in het volle zicht deed van collega’s, de boekhouding, accountantskantoor Phidra, externe controllers en met instemming van [betrokkene 2]. Ook uit het rapport van [bedrijf] zijn geen onvolkomenheden naar voren gekomen. [gedaagde] erkent dat het proces rondom de kasadministratie onzorgvuldig en rommelig was. Eventuele onvolkomenheden in de kasadministratie kunnen [gedaagde] echter niet worden verweten en vormen geen grond voor terugvordering. Fraude of kwader trouw kan door Schoonzorg niet worden bewezen.
3.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Heeft Schoonzorg te hoge bedragen aan [gedaagde] betaald?
4.1.
Schoonzorg vordert (terug)betaling van reeds betaalde bedragen (aan loon, variabele beloning, pensioenbijdrage, onkostenvergoeding en overuren) van [gedaagde], omdat zij daar, op grond van de schriftelijk overeengekomen arbeidsovereenkomst, geen recht op had. De gevorderde bedragen zijn door Hoffmann vastgesteld op grond van het verschil tussen de loonstroken en betalingen en de afspraken uit de arbeidsovereenkomst. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat andere/aanvullende afspraken zijn gemaakt en dat zij verder conform de bij Schoonzorg geldende regels/de CAO door Schoonzorg is betaald.
4.2.
De kantonrechter overweegt dat schriftelijk vastgelegde afspraken in beginsel leidend zijn bij het antwoord op de vraag wat partijen zijn overeengekomen. Zij oordeelt echter dat [gedaagde] in dit geval voldoende heeft aangetoond dat zij met Schoonzorg andere/aanvullende afspraken heeft gemaakt dan wel andere bedragen door Schoonzorg zijn goedgekeurd dan de afspraken die in de arbeidsovereenkomst zijn vastgelegd. Van onverschuldigde betaling is daarom onvoldoende gebleken. De kantonrechter licht dit hieronder toe.
4.3.
[gedaagde] stelt dat zij van Facilicom bij Schoonzorg in dienst is getreden met de afspraak dat zij er financieel niet op achteruit zou gaan. Deze afspraak heeft Schoonzorg niet weersproken. De directeur van Schoonzorg, [betrokkene 2], die met [gedaagde] de schriftelijke arbeidsovereenkomst is aangegaan, heeft de geldigheid van die afspraak ter zitting bevestigd.
4.4.
Vast staat dat de salarisadministratie van Schoonzorg de door Schoonzorg als te hoog aangemerkte bedragen (steeds) heeft betaald. De heer [betrokkene 3] (van de salarisadministratie) heeft op vragen van Hoffmann onder meer verklaard dat het bruto uurloon (€ 44,18 per uur) en de pensioenbijdrage (€ 1.589,00 per vier weken) zijn overgenomen uit de laatste loonstrook van [gedaagde] van Facilicom. Voor de conclusie van Schoonzorg dat [gedaagde] moedwillig een situatie tot stand heeft gebracht waarin haar structureel meer dan afgesproken werd betaald, is onvoldoende gesteld.
4.5.
Uit het verweer van [gedaagde] en de onderbouwing daarvan blijkt verder dat voor wat betreft het loon, de variabele beloning, de pensioenbijdrage, de onkostenvergoeding en de leasebedragen de afspraken uit de schriftelijke arbeidsovereenkomst niet leidend zijn geweest.
Loon
4.6.
Wat het loon betreft, stelt Hoffmann vast dat het uurloon van [gedaagde] volgens haar loonstroken vanaf periode 1-2022 € 44,18 bedroeg, terwijl dit op grond van de arbeidsovereenkomst € 34,76 had moeten zijn.
4.7.
[gedaagde] voert aan dat door Facilicom een externe financieel expert van AON is ingeschakeld om de salarisafspraken en overige emolumenten -die [gedaagde] in het kader van haar dienstverband bij Facilicom had- in kaart te brengen en te verwerken in een nieuw arbeidsvoorwaardenpakket. Over deze berekeningen zijn meerdere overleggen geweest, waar haar leidinggevende de heer [betrokkene 4] bij aanwezig was. De uiteindelijke berekening is door [betrokkene 2] geaccordeerd. [gedaagde] verwijst in dit verband naar een schriftelijke verklaring van [betrokkene 4] d.d. 29 juni 2025, waarin hij schrijft:

Facilicom betaalde de advieskosten voor een financieel expert van AON om al jouw salarisafspraken en emolumenten te verwerken in een nieuw uurtarief van €44,18. (…) De vele berekeningen kenden een aantal overleggen waar ik bij betrokken was. Toen er wederzijdse consensus was, heb ik, ondanks mijn autorisatie van € 5 miljoen, [betrokkene 2] als directeur Schoonzorg gevraagd om deze te controleren. Hierna heeft hij akkoord gegeven en ben jij op 1 september 2021 als Districtsmanager in dienst getreden van Schoonzorg. Alle financiële afspraken zijn met HR van Facilicom doorgesproken. Salarissen van de indirecte leiding konden alleen door haar salarismedewerkers in het systeem opgenomen of gemuteerd worden.”
4.8.
In reactie hierop heeft Schoonzorg nog gesteld dat 1) de formulering € 44,18 voor
“al jouw salaris en emolumenten” impliciet bevestigt dat het veel hogere bedrag een vergissing was (het betrof aldus niet een basissalaris van € 44,18 per uur), 2) dat [gedaagde] in feite heeft erkend dat zij geen recht had op het uurloon ad € 44,18 omdat zij zich, nadat het uurloon met ingang van november 2024 door Schoonzorg was teruggebracht naar € 31,53, hiertegen niet heeft verzet, en 3) dat Schoonzorg betwijfelt of waarde moet worden gehecht aan wat [betrokkene 4] verklaart, onder meer omdat hij vanaf 1 januari 2022 niet meer zou worden ingehuurd en [gedaagde] in december 2021 sowieso niet meer op mededelingen van [betrokkene 4] mocht afgaan.
4.9.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] met de verklaring van [betrokkene 4] voldoende heeft onderbouwd dat wat het loon betreft een andere afspraak is gemaakt dan in de arbeidsovereenkomst is vastgelegd. Het had op de weg van Schoonzorg gelegen om een nadere toelichting van [betrokkene 4] te vragen over de daadwerkelijk gemaakte afspraken in plaats van het inlezen van een (impliciete) stelling. [betrokkene 4] was immers in die tijd de, door Schoonzorg aangestelde, leidinggevende. De stelling dat uit het gedrag van [gedaagde] kan worden afgeleid dat zij heeft erkend geen recht te hebben op een hoger loon, volgt de kantonrechter niet. Nog afgezien van het feit dat deze conclusie niet zonder meer te trekken valt, heeft [gedaagde] onderbouwd aangevoerd dat zij in november 2024 vanwege gezondheidsproblemen was opgenomen in een psychiatrische kliniek. Voor de laatste reactie van Schoonzorg (dat [gedaagde] niet op mededelingen van [betrokkene 4] had mogen afgaan) heeft Schoonzorg onvoldoende gesteld, omdat redenen van Schoonzorg en wetenschap van [gedaagde] ontbreken. Het enkele feit dat [betrokkene 4] begin 2022 is gestopt met zijn werkzaamheden voor Schoonzorg kan deze conclusie niet dragen. [betrokkene 4] zelf schrijft dat hij na vijftien jaar op 1 februari 2022 is gestopt als eindverantwoordelijke van Schoonzorg.
Variabele beloning
4.10.
Schoonzorg stelt dat uit de arbeidsovereenkomst volgt dat [gedaagde] recht had op een vast bedrag aan variabele beloning van € 961,50 bruto per periode bij het behalen van haar persoonlijke doelstellingen. Volgens Schoonzorg volgt uit niets dat Schoonzorg tot het oordeel is gekomen dat [gedaagde] haar persoonlijke doelen had behaald. Ook als wordt aangenomen dat dat wel zo is geweest, heeft [gedaagde] nog altijd te veel ontvangen, aldus Schoonzorg.
4.11.
[gedaagde] voert aan dat de in de arbeidsovereenkomst genoemde variabele beloning nimmer structureel aan haar is toegekend en uitbetaald. Verder benadrukt zij dat zij niet degene was die over de uitbetaling van haar bonussen besliste. Zij stelt dat de enkele keren dat een bonus aan haar is uitbetaald, dit door de directeur van Schoonzorg is geaccordeerd. Ter onderbouwing hiervan verwijst [gedaagde] naar e-mailcorrespondentie tussen [betrokkene 5] en [betrokkene 2] uit februari 2022 waarin [betrokkene 5] aan [betrokkene 2] om akkoord vraagt voor de bonussen aan leidinggevenden over het jaar 2021 en waar [betrokkene 2] akkoord geeft. Verder verwijst [gedaagde] naar de verklaring van [betrokkene 2] bij Hoffmann. [betrokkene 2] verklaart daar dat de bonusregeling voortkwam uit de regeling van (het commerciële bedrijf) Facilicom. [betrokkene 2] verklaart verder dat [gedaagde] met hem moest overleggen. [betrokkene 2] verklaart:

U informeert dat in 2023 een bonus van € 5.700,00 is uitgekeerd. De eerste drie jaar moest ik de bonus letterlijk ondertekenen, zeker omdat we toen nog bij Facilicom hoorden. Dit bedrag is een tikkeltje aan de hoge kant, maar wel realistisch. Ik kreeg een lijstje met namen, prestaties en uitkeringen. Dit ondertekende ik dan.”
4.12.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] hiermee voldoende heeft onderbouwd dat de aan haar uitgekeerde variabele beloning door Schoonzorg was goedgekeurd en dat het bedrag genoemd in de arbeidsovereenkomst daarvoor niet de grondslag vormde.
Pensioenbijdrage
4.13.
Schoonzorg stelt dat [gedaagde] te veel pensioenbijdrage heeft ontvangen. Uit de arbeidsovereenkomst volgt dat [gedaagde] recht had op € 607,00 per periode van vier weken, terwijl zij een maandelijkse pensioenbijdrage van € 1.589,00 ontving.
4.14.
[gedaagde] voert aan dat andere afspraken zijn gemaakt. Zij verwijst hiervoor naar een e-mail van een HR medewerker van Facilicom. Hij schrijft:
“Voor jouw compensatie pensioen van netto € 706,00 heb ik een vaste bruto vergoeding van € 1.589,00 opgevoerd per 01.09.2021.”[betrokkene 4] reageert vervolgens
: “Ik kan wel leven met deze berekening, wil jij hem met mijn akkoord doorsturen naar [betrokkene 6]?”Ook [betrokkene 3] van de salarisadministratie van Schoonzorg bevestigt bij Hoffmann dat hij dit bedrag vanuit Facilicom heeft ontvangen en overgenomen.
4.15.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] hiermee voldoende heeft onderbouwd dat een ander bedrag aan pensioenbijdrage is afgesproken, dan het bedrag genoemd in de arbeidsovereenkomst. Schoonzorg heeft nog opgemerkt dat de goedkeuring van [betrokkene 4] na tot het sluiten van de arbeidsovereenkomst heeft plaatsgevonden en dat het er alle schijn van heeft dat [betrokkene 4] op eigen houtje opereerde. De kantonrechter laat deze stelling voor wat het is. Schoonzorg heeft immers niet gesteld noch onderbouwd dat [betrokkene 4] niet bevoegd was om namens Schoonzorg deze aanvullende afspraak goed te keuren.
Onkostenvergoeding
4.16.
Schoonzorg stelt dat [gedaagde] op grond van de arbeidsovereenkomst recht had op een onkostenvergoeding van € 171,76 netto per periode van vier weken. Hoffman heeft vastgesteld dat de uitbetaalde onkostenvergoeding varieerde tussen de € 225,00 en € 420,00, afhankelijk van het aantal gewerkte uren.
4.17.
[gedaagde] wijst erop dat (nadien) een andere afspraak is gemaakt en dat de mogelijkheid tot het maken van een dergelijke aanvullende afspraak uitdrukkelijk uit de arbeidsovereenkomst blijkt. Zij verwijst ter onderbouwing op e-mailcorrespondentie met HR Facilicom, de schriftelijke goedkeuring door [betrokkene 4] en de schriftelijke verklaring van [betrokkene 4]. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] hiermee voldoende heeft aangetoond dat aanvullende afspraken zijn gemaakt.
Leasebedragen
4.18.
Ook wat betreft de leasebedragen stelt Schoonzorg zich op het standpunt dat door haar te veel is betaald. Op grond van de arbeidsovereenkomst had [gedaagde] recht op een leaseprijs van maximaal € 950,00 terwijl de leaseprijs die aan [gedaagde] is uitgekeerd bijna anderhalf keer meer was (€ 1.400,00 per maand).
4.19.
[gedaagde] betwist uitdrukkelijk dat zij het in de arbeidsovereenkomst vastgelegde bedrag niet mocht overstijgen. Zij had expliciet toestemming van [betrokkene 2] om een leaseauto te rijden met een hoger maandbedrag. Zij verwijst hiervoor op de verklaring van [betrokkene 2] bij Hoffmann. [betrokkene 2] verklaart daar dat bij de switch van Facilicom is besproken dat [gedaagde] een auto reed die duurder was dan het maximale leasebedrag uit de arbeidsovereenkomst. Hij deelt mee dat het kan zijn dat hij daar tijdelijk goedkeuring voor heeft gegeven. [gedaagde] betwist dat sprake is geweest van een goedkeuring voor korte termijn. Verder verwijst zij naar een e-mail van [betrokkene 1] van 6 september 2024 waaruit blijkt dat [betrokkene 1] het leasecontract van [gedaagde] tot uiterlijk 31 december 2024 wil laten doorlopen en dat het prima is dat [gedaagde] qua fiscale waarde een uitzondering is op het wagenparkbeleid.
4.20.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] hiermee voldoende heeft onderbouwd dat een andere afspraak is gemaakt dan in de arbeidsovereenkomst is overeengekomen. Dat die afspraak slechts tijdelijk was is door [gedaagde] weersproken en niet nader door Schoonzorg onderbouwd.
Vergoeding van overuren
4.21.
Schoonzorg stelt dat [gedaagde] ten onrechte overuren vergoed heeft gekregen. [gedaagde] had slechts voor hooguit 10% recht op vergoeding van overuren, daarboven had zij toestemming van Schoonzorg moeten vragen. Het moet er -volgens Schoonzorg- voor worden gehouden dat [gedaagde] in de jaren 2022 en 2023 90% van de vergoeding ten onrechte vergoed heeft gekregen.
4.22.
[gedaagde] betwist uitdrukkelijk dat zij slechts 10% overuren zonder toestemming mocht laten uitbetalen en beroept zich op andere afspraken. Zij verwijst daarvoor naar de verklaring van [betrokkene 2] bij Hoffmann en de verklaring van [betrokkene 4].
4.23.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] voldoende heeft onderbouwd dat haar overuren door Schoonzorg werden vergoed. [betrokkene 2] verklaart over uitbetaling van overwerk onder meer:

Er zijn afspraken gemaakt met [betrokkene 4][[betrokkene 4], ktr].
(…) Er is de afspraak gemaakt om de overuren uit te laten betalen (…) Ik heb het met [gedaagde] en [betrokkene 4] erover gehad. Ze zeiden dat ze het zo hadden afgesproken.”
[betrokkene 4] verklaart verder:

Tijdens de Corona Lockdown heb ik mij alleen op afstand met Schoonzorg bezig gehouden. In tegenstelling tot [gedaagde] die “dag en nacht” en soms in het weekend op kantoor of op verschillende locaties aanwezig was. Regelmatig heb ik er met jou over gesproken, voor jouw lichamelijke situatie waren werkweken van 60 of meer uren niet onverantwoord. Ook tijdens directievergaderingen heb ik regelmatig gewezen op het grote gevaar van overbelasting. Vanaf die tijd zijn er, gelijk aan medewerkers binnen de Cordaan organisatie, wel extra uren aan je uitbetaald. (…) In de hectische periode i.v.m. afscheid nemen van Facilicom naar de zelfstandige Schoonzorg status, werkte jij weer veel en veel te veel uren per week. Begrijpelijk kreeg je die ook weer gecompenseerd (…)”
4.24.
Uit de verklaring van [betrokkene 2] blijkt dat hij op enig moment een gesprek is aangegaan met [gedaagde] en dat hij zou hebben meegedeeld dat zij voor verloning van overwerk boven 5-10% goedkeuring van hem moest vragen. Nog daargelaten dat onduidelijk is wanneer dit gesprek heeft plaatsgevonden, is de inhoud van dit gesprek door [gedaagde] weersproken en niet nader door Schoonzorg onderbouwd. De stelling van Schoonzorg dat slechts 10% van de overuren voor verloning in aanmerking kwam, wordt daarom verworpen.
Uitbetaling bovenwettelijke verlofuren
4.25.
Schoonzorg stelt dat uit controle van de loonstroken, verlofkaarten en overschrijvingen door Hoffmann is vastgesteld dat [gedaagde] zichzelf in 2024 ten onrechte 702,56 bovenwettelijke verlofuren heeft laten uitbetalen. Schoonzorg stelt 1) dat [gedaagde] veel meer verlofuren had dan waar zij volgens haar verlofkaart tot en met oktober 2024 recht op had, 2) dat het in 2023 opgebouwde saldo van 270 bovenwettelijke verlofuren die [gedaagde] zichzelf heeft laten uitkeren geen contractuele grondslag had en 3) dat [gedaagde] voor uitbetaling van bovenwettelijke verlofuren toestemming nodig had van de statutair bestuurder van Schoonzorg, en die niet was gevraagd en/of verkregen.
4.26.
[gedaagde] voert aan dat bovenwettelijke verlofuren standaard worden opgebouwd in- en toegekend door het systeem. Dit was geen handmatig werk en [gedaagde] heeft daar geen enkele invloed op gehad. [gedaagde] wijst op het feit dat bovenwettelijke verlofuren mogen worden uitbetaald, wat ook blijkt uit de CAO Schoonmaak. [gedaagde] stelt niet bekend te zijn met het feit dat ze daar toestemming voor nodig had en dat dit ook nergens uit blijkt.
4.27.
De kantonrechter volgt de stelling van [gedaagde] dat zij geen invloed heeft gehad op de toekenning van bovenwettelijke verlofuren. Voor de conclusie van Schoonzorg dat [gedaagde] zichzelf bovenwettelijke verlofuren heeft toegekend, is onvoldoende gesteld. Uit het rapport van Hoffmann blijkt dat Hoffmann het opvallend vindt dat [gedaagde] in 2023 270 extra uren toegewezen krijgt. Ze noteert dat het onduidelijk is waarom [gedaagde] daar recht op heeft. De conclusie van Schoonzorg dat [gedaagde] zichzelf 270 bovenwettelijke verlofuren heeft laten uitkeren zonder contractuele grondslag is in het licht hiervan niet te volgen. Het had op de weg van Schoonzorg gelegen om de (externe) boekhouding om nadere uitleg te vragen. Nu dit niet is gebeurd, wordt het standpunt van Schoonzorg dat [gedaagde] ten onrechte 270 bovenwettelijke verlofuren heeft ontvangen, verworpen. Op het verweer van [gedaagde] over de onbekendheid met een afspraak dat zij toestemming had moeten vragen voor uitbetaling van bovenwettelijke verlofuren is niet meer door Schoonzorg gereageerd, zodat het standpunt van Schoonzorg dat [gedaagde] toestemming had moeten vragen, wordt verworpen. De enkele mededeling (zonder onderbouwing) door [betrokkene 2] bij Hoffmann, is voor het vaststellen van deze afspraak onvoldoende.
Tussenconclusie
4.28.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en beslist, is onvoldoende gebleken van onverschuldigde betaling door Schoonzorg en zal de vordering tot betaling van € 221.243,01 worden afgewezen.
Verzoek Schoonzorg nadere schriftelijke ronde
4.29.
Schoonzorg heeft de kantonrechter op 11 december 2025 verzocht, in het bijzonder ter zake de vorderingen uit onverschuldigde betaling, een nadere schriftelijke ronde te bepalen om nadere gegevens en stukken in te brengen. [gedaagde] heeft zich hiertegen verzet. De kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen. De kantonrechter merkt daarover nog het volgende op. Alhoewel Schoonzorg in haar pleitaantekeningen heeft opgemerkt dat zij graag nog gelegenheid zou krijgen om gericht op stukken te reageren, heeft zij dit verzoek (bij het sluiten van de behandeling ter zitting) niet nader gemotiveerd. Nu [gedaagde] haar conclusie van antwoord met haar verweren en het grootste gedeelte van de onderbouwing daarvan al op 1 juli 2025 had ingediend, is Schoonzorg ruimschoots in de gelegenheid geweest om voorafgaand aan de mondelinge behandeling van 27 november 2025 aanvullende bewijsstukken in het geding te brengen.
Is sprake van onrechtmatig handelen of ongerechtvaardigde verrijking door [gedaagde]?
4.30.
Schoonzorg vordert vergoeding van schade op te maken bij staat. Wat betreft de uitbetaling van loon, variabele beloning, pensioenbijdrage, onkostenvergoedingen, overuren, bovenwettelijke verlofuren en gebruik te dure leaseauto wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is overwogen en beslist. Niet is komen vast te staan dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld of zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt. Het verzoek tot veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van schade op te maken bij staat wordt daarom afgewezen.
Vakantie zonder opname verlofuren
4.31.
Schoonzorg stelt dat [gedaagde] in minimaal drie achtereenvolgende jaren (2022, 2023 en 2024) met vakantie is geweest zonder daarvoor verlofuren op te nemen. [gedaagde] betwist dat hiervan sprake is geweest. Zij voert aan dat zij na overleg met [betrokkene 2] haar uren heeft bijgehouden om tijd-voor-tijd op te kunnen nemen als zij met vakantie ging. Zij heeft haar overuren (die zij bijhield en vervolgens aan de administratie doorgaf) ingezet voor haar vakantie in 2022, 2023 en 2024. Dit verklaart volgens [gedaagde] waarom er in 2023 veel minder overuren zijn geregistreerd, en in 2024 zelfs helemaal geen, terwijl zij niet minder is gaan werken. Schoonzorg heeft deze afspraak niet nader weersproken. De stelling dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld, wordt daarom verworpen.
Kosten zonder verantwoording, excessieve geldopnames en frauduleuze onttrekkingen
4.32.
Schoonzorg stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] zich de vruchten heeft toegeëigend van niet of valselijk verantwoorde winkelaankopen en geldopnames en met die winkelaankopen eindheffingen onder de werkkostenregeling heeft uitgelokt. Hoffmann heeft de banktransacties van Schoonzorg in de periode van 1 januari 2018 tot en met 22 oktober 2024 onderzocht. Schoonzorg verwijst naar de bevindingen uit het rapport van Hoffmann. Zij wijst er onder meer op dat 1) een reeks losse overboekingen naar de bankrekening van [gedaagde] in 2022 en 2023 niet of ontoereikend is verantwoord met onderliggende bescheiden, 2) dat met bankpassen van Schoonzorg winkelaankopen zijn gedaan waarbij het regelmatig ging om winkels in de woonomgeving van [gedaagde] en vaak niet achterhaald kon worden wat er was gekocht, omdat bonnetjes omgevouwen waren gekopieerd, 3) dat met bankpassen van Schoonzorg contant geld is opgenomen, voor een groot deel in de woonomgeving van [gedaagde], dat uit niets is gebleken dat zij die contante bedragen nodig had voor het terugbetalen van door medewerkers voorgeschoten bedragen en dat de geldopnames door [gedaagde] geregeld zijn verantwoord met bonnetjes of facturen voor winkelaankopen met huishoudelijk karakter, zoals kleding, taart, avondeten, bloemen of boodschappen. Bij vele door Hoffman onderzochte winkelaankopen en geldopnames valt geen zakelijk nut voor Schoonzorg te ontwaren. Sinds de komst van [betrokkene 1] zijn die winkelaankopen en geldopnames gestopt, zonder enig negatief gevolg voor de bedrijfsvoering. Schoonzorg wijst verder op verklaringen van twee werknemers ([betrokkene 8] en [betrokkene 5]). Verder wijst Schoonzorg erop dat steekproeven van Hoffman onder banktransacties voor grotere bedragen hebben uitgewezen dat geldopnames vaak valselijk verantwoord zijn met het opgeven van kosten die hetzij rechtstreeks zijn voldaan aan de winkel in kwestie, hetzij aan [gedaagde] zelf zijn vergoed. Al deze feiten samen maken het aannemelijk dat [gedaagde] de winkelaankopen en geldopnames hoofdzakelijk heeft georkestreerd voor onttrekkingen waarmee zij zichzelf structureel en met allerlei kunstgrepen ten koste van Schoonzorg bevoordeelde, aldus Schoonzorg.
4.33.
[gedaagde] verweert zich en stelt dat de contante opnames en kasbetalingen steeds zijn gedaan ten behoeve van de organisatie en op basis van bestaande, informeel vastgelegde procedures. Het betroffen zakelijke uitgaven die voortvloeiden uit haar operationele verantwoordelijkheid voor onder meer inrichting van het pand, personeelsvoorzieningen en representatiekosten. Binnen Schoonzorg was het zodanig ingericht dat ook medewerkers aankopen voor onder meer decoratie, cadeaus, kantoorartikelen en gebruiksvoorwerpen soms zelf voorschoten en vervolgens via de kas werden gecompenseerd. [gedaagde] wijst erop dat de uitgaven die zij deed steeds zichtbaar aanwezig waren binnen het bedrijf. De aangekochte goederen -zoals keukeninrichting, planten, altijd verse bloemen, toiletartikelen, presentjes, gebruiksmaterialen, medicamenten, lekkernijen- zijn daadwerkelijk gebruikt binnen het pand van Schoonzorg. [gedaagde] wijst erop dat zij deze uitgaven deed in het volle zicht van collega’s en met instemming van de voormalig directeur.
4.34.
Zij wijst er verder op dat de periode waarin de meeste kasbetalingen plaatsvonden, samenviel met de verhuizing van Schoonzorg naar een nieuw pand in 2022. Omdat de zakelijke rekening nog niet operationeel was, heeft zij in overleg met de directie en de boekhouding kosten voorgeschoten. Deze bedragen zijn achteraf verrekend of uit de kas betaald. [gedaagde] wijst erop dat de administratie verantwoordelijk was voor de verwerking van de bonnen. Zij weet niet waar en op welke wijze het fout is gegaan, erkent dat dit proces mogelijk als onzorgvuldig en rommelig kan worden beschouwd, maar betwist dat sprake is geweest van opzet of fraude.
4.35.
[gedaagde] wijst tenslotte op de verklaring bij Hoffman van [betrokkene 9] van het externe boekhoudkantoor Phidra:
“Of we signalen hebben ontvangen dat er fraude is gepleegd of geld is verduisterd? Nee, dat hebben we niet. We zijn wel van mening dat de interne beheersing rondom het kasverkeer verbeterd kan worden.”en van [betrokkene 10], de financieel controller binnen Schoonzorg:
“U vat mij samen dat het mij is opgevallen dat niet alle gemaakte kosten op de juiste manier of sommige kosten zelfs helemaal niet werden verantwoord, maar dat ik zelf geen transacties heb gezien waarvan ik zeker weet dat het frauduleus was. Dat klopt.”
4.36.
De kantonrechter overweegt dat op basis van de stellingen van partijen kan worden vastgesteld dat niet alle betalingen aan en winkelaankopen door [gedaagde] (afdoende) zijn verantwoord. Dat dit door toedoen van [gedaagde] was en dat de betalingen en winkelaankopen daarmee zonder rechtsgrond of onrechtmatig zouden zijn, is onvoldoende gebleken. Verder is onvoldoende gebleken dat de winkelaankopen en geldopnames in strijd waren met gangbare en goedgekeurde gewoontes en geldende regels binnen Schoonzorg. Bovenal heeft Schoonzorg onvoldoende aangetoond dat [gedaagde] zichzelf (opzettelijk) ten nadele koste van Schoonzorg heeft bevoordeeld of zich goederen heeft toegeëigend. Uit de aanleiding van het onderzoek door Hoffmann bleek juist dat bij Schoonzorg op kantoor de voorraadkasten uitpuilden van de cadeauartikelen en cadeaubonnen.
4.37.
De verklaringen van de twee medewerkers kunnen de conclusie van Schoonzorg naar het oordeel van de kantonrechter niet dragen. [betrokkene 8] verklaart dat hij erbij was als [gedaagde] boodschappen deed, dat het soms voor Schoonzorg en soms voor thuis was, dat hij heeft gezien dat boodschappen waarvan [gedaagde] had gezegd dat ze voor kantoor waren, de volgende dag slechts voor een deel in de auto voor naar kantoor stonden. [betrokkene 5] verklaart dat op kantoor bezorgde pakketten met [gedaagde] mee naar huis gingen, dat zij een keer in één doos had gekeken en dat het privékleding betrof. Ze noemt leveranciers, zegt dat ze facturen heeft gezien en dat die dozen vaak naar huis gingen. Verder verklaart [betrokkene 5] dat [gedaagde] door medewerkers opgenomen contanten liet afstaan en bij zichzelf thuis in een kluis legde. Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende duidelijk om welke goederen het gaat, of het daadwerkelijk door Schoonzorg betaalde goederen betrof en of [gedaagde] die goederen niet alleen mee naar huis heeft genomen (bijvoorbeeld voor vervoer naar een andere locatie) of dat ze die daadwerkelijk heeft toegeëigend. Wat betreft de laatste verklaring van [betrokkene 5] is onduidelijk hoe zij aan de informatie komt. Van onrechtmatig handelen door [gedaagde] is onvoldoende gebleken.
4.38.
Ook de uitkomst van de steekproeven maakt niet (ook niet tezamen met voornoemde verklaringen) dat kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van (opzettelijke) frauduleuze onttrekkingen door [gedaagde]. Onduidelijk is hoeveel bedragen er door Hoffman zijn bekeken voordat de vier in het rapport genoemde transacties werden ontdekt. Dat sprake is van geweest van moedwillig handelen en een patroon in plaats van een incidentele vergissing door [gedaagde] en misschien zelfs van de boekhouding, is onvoldoende gebleken. Bovendien blijkt uit het rapport van Hoffmann (en de bijlages) niet hoe en op grond van welke gegevens Hoffman de dubbeltellingen in de verantwoording van boekingen heeft vastgesteld.
Uitvoeren opdrachten eenmanszaak tijdens werktijd
4.39.
Schoonzorg stelt dat [gedaagde] zonder toestemming werkzaamheden heeft uitgevoerd voor haar eigen bedrijf. Uit de verlofkaarten blijkt dat zij in 2021 en 2024 geen verlof heeft opgenomen in verband met deze opdrachten. Zij heeft de opdrachten ongegeneerd ook deels door medewerkers laten uitvoeren tijdens hun werktijd zonder dat [gedaagde] daarvoor enige vergoeding aan Schoonzorg heeft voldaan. Ze bracht vervoerskosten in rekening aan haar opdrachtgevers, terwijl al haar autokosten steeds volledig door Schoonzorg werden gedragen. Het nadeel van Schoonzorg van het door [gedaagde] (laten) uitvoeren van opdrachten tijdens werktijd is gelijk aan de optelsom van alle loonbedragen voor de uren die [gedaagde] en de betrokken medewerkers ten onrechte niet hebben besteed aan werkzaamheden ten behoeve van Schoonzorg.
4.40.
[gedaagde] betwist niet dat zij ook wel eens tijdens werktijd bij Schoonzorg opdrachten heeft uitgevoerd. Hierover zijn bij aanvang van het dienstverband met de bestuurder van Schoonzorg afspraken gemaakt. [gedaagde] had instemming om incidenteel vanuit haar eenmanszaak les te geven. Veelal verrichte [gedaagde] deze werkzaamheden buiten de standaard werktijden bij Schoonzorg, maar zo nu en dan kwam het voor dat het ook tijdens werktijd gebeurde. [gedaagde] haalde dan de gemiste uren in de avond of in de weekenden in en schreef die niet als overuren, zodat dit elkaar compenseerde. Hiervan was [betrokkene 2] op de hoogte, aldus [gedaagde].
4.41.
De kantonrechter overweegt dat [betrokkene 2] bij Hoffmann heeft verklaard dat hij bekend was met de nevenwerkzaamheden van [gedaagde] en dat dat was goedgekeurd. De overige stellingen van [gedaagde] heeft Schoonzorg niet (meer) weersproken waardoor niet is komen vast te staan dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld en de vordering tot vergoeding van schade door het tijdens werktijd uitvoeren van werkzaamheden zal worden afgewezen.
4.42.
[gedaagde] heeft niet weersproken dat zij medewerkers van Schoonzorg tijdens werktijd in verband met de opdrachten voor haar eenmanszaak werkzaamheden heeft laten verrichten. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] hierover overleg had gevoerd en/of instemming had. Nu het werkzaamheden voor haar eigen bedrijf betroffen, terwijl de medewerkers door Schoonzorg werden betaald om werkzaamheden voor Schoonzorg te verrichten, heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld en zichzelf daarmee verrijkt. De vraag of [gedaagde] vervoerskosten vanuit haar eenmanszaak in rekening heeft gebracht aan haar opdrachtgevers, zoals ter discussie is tussen partijen, kan onbeantwoord blijven. Ook als dat niet zo is geweest, heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld. De vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat voor dit deel van de vordering zal worden toegewezen.
Werkzaamheden Schoonzorg-medewerkers voor [gedaagde] in privé
4.43.
Schoonzorg stelt dat medewerkers hebben verklaard dat zij zowel tijdens als buiten werktijd herhaaldelijk werkzaamheden hebben moeten verrichten voor [gedaagde] in privé en personen in de kring van [gedaagde]. Medewerker [betrokkene 11] heeft verklaard dat hij en andere medewerkers van het mobiele team, tijdens werktijd, bij [gedaagde] in de tuin moesten werken en zeker vijf keer een volledige verhuizing hebben moeten verzorgen (vaak inclusief inrichting, schilderwerk en montage van meubels): drie keer voor [gedaagde] zelf, een keer voor een vriendin van haar en een keer voor een oom van haar. Rayonleider [betrokkene 8] heeft verklaard dat hij sinds 2022 vrijwel dagelijks als privéchauffeur voor [gedaagde] heeft moeten optreden, deels tijdens werktijd en deels erbuiten. De verklaringen van [betrokkene 11] en [betrokkene 8] vinden steun in een verklaring van specialist bedrijfsbureau [betrokkene 5] en e-mails van [gedaagde] zelf, aldus Schoonzorg.
4.44.
Verder hebben dezelfde drie medewerkers verklaard dat [gedaagde] haar zoon [betrokkene 13] aan een arbeidsovereenkomst heeft geholpen, dat op grond van die arbeidsovereenkomst in de jaren 2022-2024 in totaal € 31.637,24 bruto aan hem is voldaan, terwijl hij nauwelijks werkzaamheden verrichtte.
4.45.
Het nadeel voor Schoonzorg voor het laten verrichten van werkzaamheden door medewerkers voor privéklussen van [gedaagde] is gelijk aan de optelsom van al het loon voor de uren die [gedaagde] en de betrokken medewerkers ten onrechte niet hebben besteed aan werkzaamheden ten behoeve van Schoonzorg zonder dat [gedaagde] daarvoor enige vergoeding aan Schoonzorg heeft voldaan. Met nader onderzoek zal moeten worden gereconstrueerd hoeveel uren daarbij voor Schoonzorg verloren zijn gegaan. Voor de arbeidsovereenkomst met de zoon van [gedaagde] schat Schoonzorg de schade op basis van de verklaring van [betrokkene 5] op grofweg € 30.000,00.
4.46.
[gedaagde] verweert zich tegen de vordering met betrekking tot haar zoon. Verder erkent zij dat één collega drie keer in het weekend wel eens heeft geholpen, Eén andere collega hielp weleens doordeweeks. Dit was volgens [gedaagde] de kracht van de organisatie; namelijk dat collega’s elkaar hielpen ook in privétijd en met privéklusjes. Zo voelde het als één grote familie. [gedaagde] heeft voor deze vriendendiensten nooit een geldbedrag doorberekend, aldus [gedaagde].
4.47.
De kantonrechter overweegt dat wat betreft de vordering tot vergoeding van schade voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst met de zoon van [gedaagde] onvoldoende is gesteld waarom [gedaagde] ongerechtvaardigd zou zijn verrijkt dan wel gehouden zou zijn tot het vergoeden van schade, als de stellingen van Schoonzorg zouden komen vast te staan. Het betreft immers een arbeidsovereenkomst met de zoon en de loonbetalingen zijn aan de zoon en niet aan [gedaagde] uitgekeerd. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
4.48.
De kantonrechter overweegt dat Schoonzorg voldoende heeft aangetoond dat [gedaagde] medewerkers ook tijdens werktijd voor Schoonzorg werkzaamheden heeft laten uitvoeren voor haar privé. Dit blijkt uit de verklaring van [betrokkene 11] (“
We deden dit werk voor haar privé in diensturen van Schoonzorg.”), een e-mail van [gedaagde] aan [betrokkene 11] van 19 maart 2019 (waarin [gedaagde] hem vraagt om het huis van haar broer en dat van [betrokkene 4] in [plaats 2] schoon te maken, als het deze week niet lukt dan de vrijdag erna) en de e-mail van [gedaagde] van 27 juni 2024 (waarin [gedaagde] [betrokkene 11] en [betrokkene 8] en haar zoon een lijst aan werkzaamheden in de tuin opdraagt). Nu de medewerkers van Schoonzorg door Schoonzorg werden betaald om voor Schoonzorg werkzaamheden te verrichten, heeft [gedaagde] hiermee onrechtmatig gehandeld. Het verweer van [gedaagde] dat dit juist de kracht van de organisatie was en het gevoel van één grote familie gaf, gaat niet op. Voor privéwerk hoort privé betaald te worden en niet door de werkgever. [gedaagde] heeft zich wat dit onderdeel van de vordering betreft ongerechtvaardigd verrijkt. Zij was niet bevoegd om deze werkzaamheden op te dragen en mocht dit als leidinggevende niet van (ondergeschikte) medewerkers verlangen. Ook dit deel van de vordering zal daarom worden toegewezen.
Beslagkosten
4.49.
Schoonzorg vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering zal worden afgewezen. Naar het oordeel van de kantonrechter is het beslag onnodig gelegd. De door Schoonzorg gevorderde en geschatte bedragen (tot een bedrag van € 760.772,95) worden afgewezen. Weliswaar zullen twee vorderingen tot vergoeding van schade op te maken bij staat worden toegewezen, maar omdat aannemelijk is dat dit een vergoeding betreft van een beperkt aantal uren, is het beslag onnodig gelegd.
Proceskosten
4.50.
Omdat Schoonzorg grotendeels in het ongelijk wordt gesteld moet zij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.900,00
(2 punten × € 950,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.035,00
4.51.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vordering van Schoonzorg tot betaling door [gedaagde] van € 221.243,01 af,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding aan Schoonzorg van de schade, nader op te maken bij staat, die Schoonzorg heeft geleden, doordat [gedaagde]:
  • medewerkers van Schoonzorg tijdens werktijd -ten behoeve van opdrachten voor haar eenmanszaak- werkzaamheden heeft laten verrichten,
  • medewerkers van Schoonzorg tijdens hun werktijd voor haarzelf in privé werkzaamheden heeft laten verrichten,
5.3.
veroordeelt Schoonzorg in de proceskosten van € 2.035,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Schoonzorg niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt Schoonzorg tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.