Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verdachte],
Tenlastelegging
Vordering officier van justitie
- veroordeling voor het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde;
- oplegging van gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden;
- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 5.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag, te vermeerden met de wettelijke rente;
- niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 1] met betrekking tot het overige deel van de vordering;
- niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3];
- hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 12.420,--, ten aanzien van [slachtoffer 3], te vermeerderen met de wettelijke rente;
- bevel tot gevangenneming van verdachte.
Verlenging inverzekeringstelling
Beoordeling van het bewijs
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde
Bewezenverklaring
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Strafbaarheid van verdachte
Strafmotivering
- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;
- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;
- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie;
- de vordering van de officier van justitie;
- het pleidooi van de raadsman.
Benadeelde partijen
[slachtoffer 3]is door de voegingsadviseur een vordering ingediend. Uit deze vordering blijkt niet wat voor schadevergoeding de benadeelde partij wenst, aangezien daartoe geen bedragen zijn ingevuld. Tevens is de vordering niet ondertekend door de benadeelde partij.
Overweging met betrekking tot de vordering bevel tot gevangenneming.
Toepassing van wetsartikelen
DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:
[slachtoffer 1], domicilie kiezende te [adres], toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 9.480,--
[slachtoffer 3]niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.