ECLI:NL:RBNNE:2013:CA0791
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechter-commissaris verklaart raadsvrouw niet-ontvankelijk in verzoek onderzoekshandelingen na aanvang zitting
De raadsvrouw van verdachte heeft op 4 februari 2013 een verzoek ingediend op grond van artikel 182 Sv Pro tot het verrichten van diverse onderzoekshandelingen, waaronder DNA-onderzoek en een confrontatie tussen getuigen. Vier van de vijf verzoeken zijn later ingetrokken, maar het verzoek tot onderzoek naar een DNA-profiel op de rechterbil van het slachtoffer bleef gehandhaafd.
De rechter-commissaris heeft het verzoek niet direct behandeld, omdat eerst bezwaarschriften ex art. 30 lid 4 Sv Pro en art. 34 lid 3 Sv Pro moesten worden beoordeeld. Deze bezwaren werden door de rechter-commissaris niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang. De dagvaarding van verdachte is op 29 maart 2013 betekend, waarna op 12 april 2013 de strafzaak is aangehouden door de meervoudige strafkamer.
Na de betekening van de dagvaarding en de aanvang van de zitting is de bevoegdheid tot het verrichten van onderzoekshandelingen exclusief aan de zittingsrechter toegekomen. De rechter-commissaris kan daarom geen gevolg meer geven aan het verzoek van de raadsvrouw. De rechter-commissaris verklaart de raadsvrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot het doen verrichten van onderzoekshandelingen.
De beslissing is genomen op 16 mei 2013 door rechter-commissaris A.L.J.M.A. Janssens te Assen.
Uitkomst: De rechter-commissaris verklaart de raadsvrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot onderzoekshandelingen omdat de bevoegdheid na aanvang van de strafzaak bij de zittingsrechter ligt.