In deze civiele procedure staat centraal of het testament van de overleden vader geldig is, nu twee kinderen betogen dat hij vanwege vasculaire dementie niet in staat was zijn wil te bepalen. De rechtbank benoemde een deskundige die onderzocht of er sprake was van een geestelijke stoornis die een redelijke waardering van belangen bij het testament opmaken belemmerde.
De deskundige concludeerde dat de vader leed aan een in ernst toenemende geestelijke stoornis, veroorzaakt door Alzheimer en niet vasculaire dementie, die een redelijke waardering van belangen belemmerde. De eisers stemden hiermee in, de verweerder betwistte dit.
De rechtbank overwoog dat de conclusie van de deskundige niet uitsluit dat de vader op de momenten van testamentopmaak nog wel in staat was tot redelijke waardering, mede omdat notarissen dit ook aannamen. Daarom wees de rechtbank de vorderingen tot nietigverklaring af.
De kosten van het deskundigenonderzoek werden gelijkelijk verdeeld en de overige proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.