De Dierenartsenpraktijk en voormalig werknemer [gedaagde], dierenarts, sloten op 29 december 2010 een beëindigingsovereenkomst waarbij de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2011 werd beëindigd en een beëindigingsvergoeding werd betaald. De werknemer startte vanaf 1 april 2011 een eigen praktijk in Dedemsvaart, wat leidde tot een conflict over concurrentie en de vraag of sprake was van dwaling bij het sluiten van de overeenkomst.
De Dierenartsenpraktijk stelde dat zij bij het sluiten van de overeenkomst was misleid door de werknemer die haar plannen om een eigen praktijk te starten niet had gemeld, waardoor zij de vergoeding onverschuldigd betaalde. De werknemer betwistte dit en stelde dat de Dierenartsenpraktijk bekend was met haar intenties en dat er geen concurrentiebeding was overeengekomen.
De kantonrechter oordeelde dat het beroep op dwaling faalt omdat de Dierenartsenpraktijk bekend was met het ontbreken van een concurrentiebeding en de mogelijkheid dat de werknemer zich in de regio zou vestigen. Tevens was de Dierenartsenpraktijk juridisch bijgestaan. Over de onrechtmatigheid van de concurrentie stelde de kantonrechter dat het starten van een eigen praktijk op zich niet onrechtmatig is, maar dat bewijs moet worden geleverd over het gebruik van vertrouwelijke informatie en stelselmatige klantenwerving.
De zaak werd aangehouden voor bewijslevering over het onrechtmatig handelen, waarbij getuigen kunnen worden gehoord. De overige vorderingen werden afgewezen.