Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Noord-Nederland
Verzoekster, geboren in 1944, ontving sinds 2010 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2007 (Wmo 2007) een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke hulp van 6 uur per week. Met de invoering van de Wmo 2015 werd deze hulp beschouwd als een algemene voorziening, waardoor het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen besloot de maatwerkvoorziening niet te verlengen na 9 december 2015.
Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat verzoekster niet langer aangewezen was op een maatwerkvoorziening. Tevens was onvoldoende onderzocht of de algemene voorziening de beperkingen van verzoekster voldoende compenseerde, mede gelet op het compensatiebeginsel van de Wmo 2015.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de financiële consequenties van het besluit onvoldoende waren onderzocht, terwijl verzoekster niet in aanmerking kwam voor compensatieregelingen vanwege inkomenscriteria. Gelet op de belangenafweging woog het belang van verzoekster bij voortzetting van de hulp zwaarder dan het belang van het college bij onmiddellijke uitvoering van het besluit.
Daarom werd het bestreden besluit geschorst tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar, waarbij verzoekster recht behield op 6 uur huishoudelijke hulp per week in de vorm van een pgb. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het besluit om de persoonsgebonden budget huishoudelijke hulp te beëindigen is geschorst tot zes weken na beslissing op bezwaar, en verzoekster behoudt recht op 6 uur hulp per week.