Betrokkenen vroegen in februari 2012 een vervoersvoorziening aan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), namelijk gebruik van de Regiotaxi. Het college van burgemeester en wethouders van Katwijk wees deze aanvraag af omdat betrokkenen hun vervoersbehoefte zelf konden financieren en organiseren. Na bezwaar en beroep vernietigde de rechtbank dit besluit en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen.
In hoger beroep stelde appellant dat bij de beoordeling van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie ook de inzet van eigen financiële middelen betrokken mag worden, mits alle omstandigheden worden meegewogen. De Raad oordeelde dat artikel 4, eerste lid, van de Wmo niet toestaat dat gemeenten een inkomens- of vermogensgrens hanteren om voorzieningen te weigeren. Het draagkrachtprincipe zoals neergelegd in artikel 4, tweede lid, en de eigenbijdrageregeling mogen niet leiden tot een individueel inkomensbeleid dat de wetgever niet heeft gewenst.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het college van burgemeester en wethouders voorzieningen moet treffen ter compensatie van beperkingen in zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, zonder daarbij het inkomen of vermogen van de aanvrager als grondslag te gebruiken voor weigering. Het college moet wel rekening houden met de capaciteit van de aanvrager om zelf in maatregelen te voorzien uit oogpunt van kosten, maar dit mag niet leiden tot het geheel of gedeeltelijk onthouden van een voorziening op basis van inkomen of vermogen.
Het nieuwe besluit van 11 maart 2013, waarin vervoer per Regiotaxi werd toegekend, werd als uitvoering van de aangevallen uitspraak aangemerkt en bleef in stand. De Raad benadrukte dat gemeenten aanvragers goed moeten informeren over de financiële consequenties van toewijzing, met inachtneming van de eigen bijdrage en andere voorzieningen. Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.