Eiseres, moeder van kinderen die in 2010 via twee gastouderbureaus werden opgevangen, werd geconfronteerd met een terugvordering van €6523 aan kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst had het bezwaar van eiseres tegen deze terugvordering kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het besluit tot terugvordering is genomen in strijd met de hoorplicht zoals neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat eiseres haar bezwaar had willen toelichten en nadere stukken had overgelegd.
De rechtbank onderzocht vervolgens of de rechtsgevolgen van het besluit in stand konden blijven. Op grond van de Wet kinderopvang en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen moest eiseres aantonen dat zij daadwerkelijk kosten had gemaakt en een eigen bijdrage had betaald voor de kinderopvang via het gastouderbureau. Eiseres slaagde hier niet in, mede omdat zij geen jaaropgave en betalingsbewijzen van het gastouderbureau kon overleggen en erkende geen eigen bijdrage te hebben betaald.
De rechtbank verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat de vergelijkbare gevallen niet identiek waren en benadrukte dat eiseres zelf verantwoordelijk was voor een deugdelijke administratie. De rechtbank besloot het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen wegens schending van de hoorplicht, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht aan eiseres.