Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe om hun verzoek tot handhaving van geurvoorschrift 8.2.2 en intrekking van de omgevingsvergunning af te wijzen. De vergunninghouder exploiteert een inrichting voor het verwerken van dierlijke bijproducten en is meerdere malen in overtreding bevonden van geurvoorschriften, waarvoor dwangsommen zijn opgelegd en geïnd.
De rechtbank stelt vast dat verweerder reeds handhaaft op de overtredingen en dat het verzoek om handhaving daarom terecht is afgewezen. Daarnaast is het verzoek tot intrekking van de vergunning afgewezen omdat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de milieugevolgen van de inrichting ontoelaatbaar zijn. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat het beroep niet-ontvankelijk zou moeten zijn, maar oordeelt dat het bestreden besluit wel rechtsgevolg heeft.
De rechtbank concludeert dat de dwangsombeschikkingen en handhaving adequaat zijn en dat de intrekking van de vergunning niet gerechtvaardigd is. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.