Uitspraak
200702693/1). Om tot intrekking van een eenmaal verleende en in de regel onherroepelijke vergunning over te kunnen gaan, moeten de door die vergunning toegestane milieugevolgen dermate ernstig zijn, dat zij niet slechts als ongewenst, maar zonder meer als ontoelaatbaar kunnen worden aangemerkt.
201103950/1/T1/A4heeft de Afdeling vergelijkbare beroepsgronden besproken, en geconcludeerd dat deze geen grond geven voor het oordeel dat de Wet geurhinder en veehouderij met deze bepalingen in strijd is.
200707261/1heeft de Afdeling geoordeeld dat geen emissiegrenswaarde hoeft te worden gesteld wanneer is voorgeschreven dat technische maatregelen die tot een gelijkwaardige bescherming van het milieu leiden, moeten worden getroffen. In de voor de inrichting geldende, bij besluit van 26 mei 1998 verleende, vergunning zijn dergelijke maatregelen voorgeschreven, zodat het college in zoverre in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om aanvullende geurgrenswaarden aan de vergunning te verbinden.