Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 mei 2016 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Leeuwarden, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
€ 182.000 ieder aan [Z Holding] B.V. Daarnaast eiste de [a-bank] de bij 1.8 bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid door [Z Holding] B.V. voor de terugbetaling van het krediet. Gelet op deze package-deal is volgens eiser sprake van een zakelijke lening. Hierbij wijst eiser erop dat ook de [a-bank] , gezien het verstrekte krediet, vertrouwen had in de bedrijfsvoortzetting. Eiser wijst er verder op dat, in vergelijking met het door de [a-bank] verstrekte krediet tegen een rentepercentage van 4,05% (inclusief opslag van 1,3%), de zakelijke extra opslag voor de feitelijke achterstelling van de lening 1,95% (6% minus 4,05%) is. In relatie tot de objectief gegeven basisrente van 2,75%, is de totale risico- en winstopslag van de lening volgens eiser 2,5 maal groter dan bij het door de [a-bank] gegeven krediet (3,25%-punt tegenover 1,3%-punt). Verder wijst eiser erop dat de omstandigheid dat [Q Holding] B.V. bereid was om ter financiering van de lening gelden aan hem uit te lenen, bijdraagt aan het zakelijke karakter van de lening, nu eiser slechts de minderheid van de aandelen bezit in [Q Holding] B.V. en bovendien de [maatschappij] , als onafhankelijke derde, medeaandeelhouder is van deze holdingvennootschap.
€ 92.534.
€ 496 en een wegingsfactor 1). Verweerder kan niet worden veroordeeld in de door eiser in de bezwaarfase gemaakte kosten, omdat gesteld noch aannemelijk is geworden dat eiser in die fase heeft verzocht om vergoeding van deze kosten.