ECLI:NL:RBNNE:2016:4104

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
8 september 2016
Publicatiedatum
8 september 2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 543
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.146 Wet IB 2001Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz)
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het genietingsmoment van een Bbz-uitkering in de inkomstenbelasting

Eiser ontving in 2013 en begin 2014 een uitkering op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) in de vorm van een renteloze lening. Deze lening werd in 2014 omgezet in een bedrag om niet, wat verweerder als belastbaar inkomen in 2014 heeft opgenomen. Eiser betwistte dit genietingsmoment en stelde dat het inkomen in 2013 genoten was, het jaar waarin de uitkering feitelijk werd ontvangen en nodig was.

De rechtbank stelt vast dat de omzetting van de lening in een bedrag om niet het fiscale genietingsmoment vormt, zoals ook bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015. De aanslag betreft een nihilaanslag en kan in de beroepsprocedure niet worden verlaagd, maar het geschil richt zich op de vaststelling van het verzamelinkomen.

De rechtbank wijst erop dat eventuele onredelijke gevolgen van het toegepaste genietingsmoment, zoals voor toeslagen, niet door de rechter kunnen worden beoordeeld maar een zaak zijn voor de wetgever. Gezien de periodiciteit en de jurisprudentie volgt de rechtbank het standpunt van verweerder en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: De omzetting van de renteloze lening in een bedrag om niet is terecht in 2014 als belastbaar inkomen meegenomen; het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 16/543
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 8 september 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [verweerder] ).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2014 met dagtekening 16 oktober 2015 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.401.
Bij uitspraak op bezwaar van 29 december 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2016. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser heeft ter zitting een pleitnotitie voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

Overwegingen

Feiten
1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.
1.1.
Aan eiser is door de gemeente [naam] bij brief van 22 februari 2013 op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) een uitkering voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan toegekend. De uitkering voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan is met ingang van 1 februari 2013 (in maandelijkse termijnen) verstrekt in de vorm van een renteloze lening.
1.2.
In 2014 heeft de gemeente de, onder 1.1 bedoelde, als renteloze lening verstrekte uitkering van in totaal bruto € 15.977 omgezet naar een ‘bedrag om niet’.
1.3
Eiser heeft over de periode 1 januari 2014 tot en met 31 maart 2014 tevens in de vorm van een renteloze lening een uitkering op grond van het Bbz voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan ontvangen. In 2015 is deze lening omgezet in een ‘bedrag om niet’.
1.4
Verweerder heeft aan eiser onderhavige aanslag opgelegd waarbij het onder 1.2 bedoelde ‘bedrag om niet’ is opgenomen in het inkomen. De aanslag betreft een nihilaanslag.
1.5
Eiser is in bezwaar gekomen tegen het in het inkomen opnemen van het ‘bedrag om niet’. Eiser heeft naast een formeel bezwaarschrift, een door verweerder als bezwaarschrift aangemerkte gecorrigeerde aangifte ingediend.
Geschil en beoordeling
2. In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder de omzetting van de renteloze lening in een ‘bedrag om niet’ terecht tot het belastbaar inkomen uit werk en woning in 2014 heeft gerekend. Eiser beantwoordt de vraag ontkennend en verweerder bevestigend. Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van periodiciteit.
3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het genietingsmoment in 2013 is geweest; het jaar van de daadwerkelijke maandelijkse ontvangsten en van de noodzaak van de voorziening in levensonderhoud. Het is niet redelijk om de inkomsten bij 2014 op te tellen zodat daar een hoog inkomen ontstaat en in 2013 een laag inkomen.
4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitkering in de vorm van een renteloze lening in 2013 geen inkomen vormt omdat terzake daarvan een terugbetalingsverplichting bestaat. Zodra de lening wordt omgezet in een ‘bedrag om niet’ is er sprake van een genietingsmoment. In dit geval in 2014. Verweerder heeft verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3598 en een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 november 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:12718.
5. De rechtbank overweegt dat de onderhavige aanslag een nihilaanslag betreft die in een beroepsprocedure niet kan worden verlaagd, daarmee zou het belang van eiser bij deze procedure ontbreken De rechtbank heeft echter met partijen ter zitting vastgesteld - gelet op de grieven van eiser - dat het beroep zich richt tegen de vaststelling van het verzamelinkomen.
6. In rechtsoverweging 2.6 van het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3598 is opgenomen:

Voor zover de klachten zijn gericht tegen ’s Hofs oordeel dat de in 2.1.3 bedoelde omzetting is aan te merken als een uitkering in de zin van de Wet IB 2001, falen zij. Uit het hiervoor in 2.5 geschetste systeem van de Bbz volgt dat eerst bij de omzetting de definitieve toekenning van de bijstand plaatsvindt onder verrekening van de voorlopig, in de vorm van een lening, uitbetaalde bedragen. Dit betekent dat pas bij die omzetting de uitkering genoten wordt in de zin van artikel 3.146, lid 1, Wet IB 2001.”.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op het hiervoorvermelde arrest terecht het ‘bedrag om niet’, dus op het moment van omzetting, in 2014 (het fiscale genietingsmoment) tot het inkomen heeft gerekend. Aangezien de vereiste periodiciteit niet in geschil is (zie 2.) en de rechtbank geen aanleiding ziet partijen hierin niet te volgen (zie 1.3), faalt de beroepsgrond van eiser.
7. Voor zover eiser heeft gesteld dat het genietingsmoment in 2014 tot onredelijke gevolgen leidt met betrekking tot huur- en zorgtoeslag, kan deze stelling hem in onderhavige procedure over de vaststelling van het verzamelinkomen 2014 niet baten. De rechtbank is namelijk niet bevoegd de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet te beoordelen. De door eiser gestelde nadelige gevolgen zijn door de politiek inmiddels gesignaleerd (zie brieven van de Staatssecretaris van Financiën van 23 maart 2016, nr. DB/2016/91 en 5 juli 2016, nr. DGB/2016/1865) en het is de taak van de wetgever om hiervoor een oplossing te bieden.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Tijnagel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2016.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
fn 35