De werknemer was sinds 1 oktober 2003 in dienst bij de werkgever en werd ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen. De werkgever bood een outplacementbudget van €2.000 aan, conform de geëxpireerde CAO voor het Reprografisch Bedrijf. De werknemer vorderde daarnaast betaling van de transitievergoeding over een dienstverband van 13 jaar.
De werkgever beriep zich op het overgangsrecht uit de Wet werk en zekerheid en het Besluit overgangsrecht transitievergoeding, waardoor de transitievergoeding niet verschuldigd zou zijn indien de werknemer recht heeft op een vergoeding uit een CAO, ook al was de CAO geëxpireerd. De kantonrechter oordeelde dat de CAO door nawerking en stilzwijgende verlenging nog steeds van toepassing was en dat het outplacementbudget als een voorziening in de zin van het overgangsrecht geldt.
De werknemer stelde dat het grote verschil tussen de transitievergoeding en het outplacementbudget onredelijk was en dat het Besluit buiten toepassing moest worden gelaten op grond van redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter verwierp dit beroep, maar erkende dat de situatie tot een uitzonderlijk onredelijke uitkomst leidde.
De werkgever bood daarom een aanvullende bruto vergoeding van €6.000 aan, rekening houdend met eerdere betalingen en vrijstelling van werk. De werknemer wees dit aanbod af, maar de kantonrechter veroordeelde de werkgever toch tot betaling van dit bedrag op grond van de verplichting tot goed werkgeverschap. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten.