Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verdachte] ,
Tenlastelegging
Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Vordering officier van justitie
Beoordeling van het bewijs
Opmerking en vraag verbalisanten: Ook in de maanden november en december 2011 hebt u haar een aantal mails gestuurd. Op 23 oktober 2011 schrijft u in een mail dat ze niet te bereiken is op haar mobiel en dat ze ook haar telefoon in haar flat heeft laten afsluiten. Ook hieruit kan duidelijk worden afgeleid dat zij geen prijs stelt op contact met u. Waarom blijft u haar desondanks benaderen?) Ik had, zoals ik in de mail schrijf, nog een aantal vragen aan haar. Ik wist op dat moment niet of ze mijn mails nog wel ontving, met andere woorden of zijn nog gebruik maakte van het mij bekende mailadres. Dit gold ook voor haar vaste telefoonlijn. Die lijn was niet meer actief. Je kunt het inderdaad uitleggen als een signaal van haar kant dat ze geen contact met mij meer wilde en dat zal het ook zijn geweest. Dat ik toch contact zocht was vooral gelegen in het feit dat ik nog vragen aan haar had. [slachtoffer 1] is onderdeel geweest van een situatie. Het is natuurlijk niet zo gek dat je dan vragen hebt en behoefte hebt om daarop terug te komen en antwoord te krijgen. Dat houdt niet op bij het moment dat de ander aangeeft dat ze geen contact meer wil. Mijn behoefte om antwoord te krijgen en zaken op te lossen en toe te lichten was sterker dan het besef dat ik geen contact moest opnemen. Ik ontving een brief van [slachtoffer 1] van 10 februari 2012. Die schreef zij in samenspraak met de politie. Ik heb toen een brief teruggeschreven. In die brief schreef ik dat ik zou stoppen met het contact, maar ik ben niet opgehouden met het zoeken van een oplossing en daarom zocht ik contact. Ik heb het op een kort geding laten aankomen. Nadat ik de stukken heb ontvangen die betrekking hadden op het kort geding heb ik geen contact weer gezocht. Het zal een week of drie voor 6 juli 2012 zijn geweest.
Vraag verbalisanten: We willen graag beginnen over wat gisteren gebeurd is. Je bent gisteren naar de [bedrijfsnaam 2] aan de [adres] in [pleegplaats] gegaan. Hoe laat ben je daarheen gegaan?) Ik ben naar de [bedrijfsnaam 2] gelopen en naar binnen gegaan. Ik ben naar de uitgang van de winkel gelopen. Ik werd ineens van achteren vastgepakt of iets dergelijks. Uit reactie heb ik met mijn rechterarm naar achteren geslagen. Ik maakte deze beweging omdat ik weg wilde. Toen ik achter mij keek, zag ik ineens die kassière op de grond liggen. Ik zag dat ze een bloedneus had.