In deze kortgedingprocedure vordert eiser [A] dat gedaagde [B] wordt veroordeeld tot staking van bouwactiviteiten aan balkons die onrechtmatig op zijn perceel worden gebouwd en tot herstel van de oorspronkelijke situatie van een gang naast het perceel Westerbinnensingel 12.
De rechtbank stelt vast dat de gang die eigendom is van [A] door de bouwactiviteiten van [B] aanzienlijk is versmald, wat een substantiële inbreuk op het eigendomsrecht van [A] vormt. Een kadastrale meting bevestigt dat de gang aan de voorzijde van 148 cm breed is teruggebracht tot 95 cm. [B] betwist dit deels met een beroep op verjaring, maar dit wordt niet aannemelijk geacht.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen toe die zien op het staken van de bouw boven de grond van [A] en het herstel van de gang binnen drie maanden. De vordering tot verwijdering van een funderingspaal wordt afgewezen vanwege onvoldoende bewijs en het ontbreken van waarschuwing vooraf. Ook wordt een dwangsom opgelegd voor het niet nakomen van de veroordelingen. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.