Conclusie
1.Inleiding
De buurman is vervolgens onderhavige bodemprocedure tegen de eigenaar van het appartementencomplex gestart. De rechtbank heeft de ‘overbouwer’ veroordeeld om binnen acht maanden na betekening van het vonnis de onrechtmatige inbreuk op het eigendomsrecht van de buurman ongedaan te maken. De rechtbank heeft een stevige prikkel tot nakoming op zijn plaats geacht en een veroordeling tot betaling van een dwangsom van maximaal € 100.000,-- uitgesproken, voor zover de veroordeling tot amotie niet wordt nagekomen.
Dat vonnis is in hoger beroep bekrachtigd. Op de laatste dag waarop de veroordeling tot amotie zonder verschuldigdheid van een dwangsom nog mogelijk was, is het appartementencomplex verkocht en geleverd aan een stichting. Het hof heeft schorsing van het geding op de voet van art. 225 lid Pro 1, onder c, Rv in verband met deze overdracht onder bijzondere titel afgewezen. Het geding wordt dus voortgezet tussen de oorspronkelijke procespartijen. Het hof heeft verder onder meer geoordeeld dat de oppervlakte van de overbouw 6,4 m2 bedraagt (in een gang van ruim 22 m2), dat de buurman in de gegeven omstandigheden geen misbruik in de zin van art. 3:13 BW Pro maakt van zijn bevoegdheid amotie te eisen, dat aan de ‘overbouwer’, gelet op de weging van het belang van de buurman bij amotie en het belang van de ‘overbouwer’ bij handhaving van de huidige situatie, geen beroep toekomt op legalisatie van de overbouw in de zin van art. 5:54 BW Pro en dat de ‘overbouwer’ bovendien (in ieder geval) grove schuld ter zake van de bouw van het appartementencomplex als bedoeld in lid 3 van die bepaling kan worden verweten.
In cassatie worden al deze oordelen van het hof bestreden.
2.Feiten
hof). [1] De verwijzingen in de noten 2-6 hierna zijn door mij toegevoegd.
gang).
voorzieningenrechter) [verweerder] in de gelegenheid gesteld een kadastrale meting te laten uitvoeren. De zaak is in afwachting van de uitkomst van die kadastrale meting aangehouden.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
vonnis) heeft de rechtbank – kort samengevat – de vorderingen van [verweerder] toegewezen, waaronder het ongedaan maken van de overbouwing binnen acht maanden na het wijzen van het vonnis, en de vorderingen van [eiser] afgewezen. [12]
5.2 [verweerder] erkent dat een rechtsopvolging onder bijzondere titel in beginsel een grond oplevert voor een schorsing van het geding, maar hij verzet zich tegen een dergelijk gevolg als in strijd met de regels van goede procesorde. [verweerder] zet vraagtekens bij de kapitaalkracht en kennis en ervaring bij deze pas opgerichte stichting, terwijl bovendien niet duidelijk is of [eiser] als certificaathouder direct of indirect bij de stichting is betrokken en verder elk inzicht ontbreekt welke nadere afspraken [eiser] en de stichting hebben gemaakt over de voorwaarden van de overdracht. Ook is niet duidelijk of Stichting Brick One het onderhavige geding zal overnemen en welke (nadere) stellingen en verweren zij daarbij mogelijk zal voeren, waardoor [verweerder] mogelijk op (extra) kosten zal worden gejaagd.
5.3 Het hof wijst de door [eiser] aangekondigde schorsing van het geding af. Het hof is met [verweerder] van oordeel dat [eiser] te veel onduidelijkheid heeft gelaten rondom de eigendomsoverdracht van het perceel en het daarop inmiddels opgetrokken appartementencomplex, nota bene op de laatste dag waarop de veroordeling tot amotie zonder de verschuldigdheid van een dwangsom nog mogelijk was. [eiser] heeft geen enkel inzicht verschaft over de voorwaarden van die verkoop aan een kort daarvoor opgerichte stichting -waarvan niet duidelijk is of hij daar op enigerlei wijze bij betrokken is- en hij heeft verder nagelaten – en dat is voor de voortgang van dit geding waarin de memorie van antwoord al is genomen niet onbelangrijk – enig inzicht te verschaffen over de bereidheid van de Stichting Brick One om het geding op eigen naam en met overname van de eventuele verplichtingen voortvloeiend uit deze procedure voort te zetten. Van [verweerder] kan niet worden verlangd dat hij, wanneer onduidelijk is of [eiser] en/of de stichting gebruik zullen maken van de mogelijkheid om een partijwisseling te bewerkstelligen, te lang in het ongewisse blijft en hem aldus de titel wordt onthouden waar hij aanspraak op wenst te maken. Daarmee is het processuele belang van [verweerder] op onverwijlde voortzetting van het geding gegeven.”
arrest). [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van het cassatieberoep, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, te vermeerderen met wettelijke rente. [verweerder] heeft zijn standpunt schriftelijk toegelicht. [eiser] heeft afgezien van schriftelijke toelichting en heeft nog gerepliceerd.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
stichting) op 31 december 2020 als rechtsopvolger onder bijzondere titel de eigendom van (onder meer) het desbetreffende perceel met de overbouwing in de gang van [verweerder] heeft verkregen [16] en daarmee materieel belanghebbende partij is geworden. Volgens [verweerder] had, gelet hierop, het cassatieberoep kunnen (en wellicht ook moeten) worden ingesteld door de stichting als rechtsopvolger onder bijzondere titel van [eiser] . [verweerder] refereert zich aan het oordeel van de Hoge Raad op dit punt. [17]
NJ1983/797 (
Peeters/Bogaers e.a.) wijst wel in die richting, maar laat tegelijk toe dat de houder van de eerste titel bij moeilijkheden rond de executie daarvan in kort geding een nieuwe titel tegen de rechtsopvolger haalt.” [19]
Ik merk verder nog op dat, gelet op de deformaliseringsrechtspraak van de Hoge Raad zoals die tot uiting is gebracht in zijn
Montis/Goossens-arrest uit 2013 en daaropvolgende rechtspraak, niet snel meer sprake is van niet-ontvankelijkheid als gevolg van bijvoorbeeld een partijwisseling. [20] Ik citeer uit rov. 5.5.3 van dat arrest uit 2013:
Onderdeel 2: de ‘afwijzing’ van schorsing van het geding
Aan het voorgaande doet volgens het subonderdeel niet af dat [eiser] in de desbetreffende akte het hof heeft verzocht “te verstaan” dat het geding ingevolge art. 225 Rv Pro jo. art. 353 Rv Pro per die datum was geschorst. De strekking van deze akte was volgens het subonderdeel onmiskenbaar dat [eiser] daarmee een beroep deed op art. 225 lid Pro 1, onder c, Rv jo. art. 353 Rv Pro, zodat reeds het indienen van deze akte ingevolge art. 225 lid 2 Rv Pro jo. art. 353 Rv Pro het geding schorste. [21] [eiser] wenste volgens het subonderdeel enkel dat het hof zou constateren (vaststellen) dat door die akte schorsing van het geding had plaatsgevonden. Als het hof de akte van [eiser] niettemin zo heeft uitgelegd dat [eiser] daarmee (enkel) een verzoek aan het hof deed om het geding (constitutief) te schorsen, is dat volgens het subonderdeel tegen de achtergrond van de wettelijke regeling onbegrijpelijk. Gelet op de gestelde strekking van de akte van [eiser] is volgens het subonderdeel bovendien onbegrijpelijk dat [eiser] in zijn akte de schorsing nog slechts zou hebben “aangekondigd”, zoals het hof blijkens de eerste volzin van rov. 5.3 aanneemt.
[…]
Het uw gerechtshof moge behagen om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoer bij voorraad:
Primair:Het verzet van [verweerder] tegen de door [eiser] gedane aanzegging tot schorsing van de procedure gegrond te verklaren en te bepalen dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt wordt voortgezet tussen [verweerder] en [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident.” [33] [onderstreept en vetgedrukt in origineel, A-G]
Uit het arrest blijkt ook niet dat het hof de akte van 26 januari 2021 van [eiser] anders heeft uitgelegd dan dat [eiser] wenste dat het hof (enkel) zou constateren (vaststellen) dat door die akte schorsing van het geding had plaatsgevonden. In de eerste volzin van rov. 5.3, waarin het hof overweegt dat het “de door [eiser] aangekondigde schorsing van het geding af[wijst]”, geeft het hof geen andere strekking aan die akte, maar brengt het tot uitdrukking dat sprake is van een schorsingsincident, waardoor het hof, gelet op het verzet van [verweerder] tegen de schorsing, niet zonder meer kan vaststellen dat het geding ingevolge art. 225 lid Pro 1, onder c, Rv jo. art. 353 Rv Pro per 26 januari 2021 is geschorst. Het oordeel van het hof is in zoverre ook niet onbegrijpelijk. Voor zover het subonderdeel is gebaseerd op een andere lezing van het arrest, mist het feitelijke grondslag.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Dit wordt volgens het subonderdeel niet anders door wat het hof na de tweede volzin van rov. 5.3 overweegt, omdat dat niet verklaart waarom – in weerwil van de door [eiser] overgelegde duidelijke informatie uit het kadaster – twijfel zou bestaan aan die eigendomsoverdracht als zodanig. [eiser] heeft hierop volgens het subonderdeel, wat de door het hof genoemde voorwaarden betreft, ook gewezen in zijn akte uitlaten producties van 9 maart 2021. [37] Het subonderdeel wijst er verder nog op dat [verweerder] de overdracht van de eigendom van het perceel en het appartementencomplex niet heeft betwist. Volgens het subonderdeel ging ook [verweerder] ervan uit dat het perceel/het pand inderdaad was verkocht en dat de stichting de nieuwe eigenaar was geworden. [38] Als het hof niettemin heeft gemeend dat de overdracht niet vaststond, is het hof volgens het subonderdeel met dat oordeel derhalve ook buiten de rechtsstrijd van partijen getreden, althans heeft het de afwijzing van de schorsing gebaseerd op een feitelijke grond die [verweerder] niet aan zijn verweer tegen de schorsing ten grondslag had gelegd.
Wat [verweerder] echter, door te wijzen op tal van onduidelijkheden over onder meer de timing van de verkoop aan de stichting, de aard van de stichting, de persoon van haar bestuurder en de mogelijke betrokkenheid van [eiser] bij de stichting, [39] in twijfel heeft getrokken, is of de betrekkingen waarin [eiser] het geding voerde wel daadwerkelijk zijn opgehouden, in de zin dat de zeggenschap over het procesbeleid daadwerkelijk op de stichting is overgegaan. [40] Uit de akte uitlaten producties van [eiser] , waarin hij reageert op beide aktes van [verweerder] van 8 februari 2021, blijkt m.i. ook dat [eiser] heeft begrepen dat [verweerder] de ‘oprechtheid’ van de transactie met de stichting in twijfel heeft getrokken. [eiser] stelt daarin immers onder meer dat “niet enkel dit pand is overgedragen teneinde een schorsingsgrond voor deze procedure te ‘creëren’”, hij stelt voorts dat hij “de suggestie die uitgaat van het ‘schuiven’ van onroerend goed verre van zich werpt” en hij wijst er verder op dat “[a]ls [verweerder] zou hinten op misbruik van het procesrecht of anderszins van kwade opzet die de ingeroepen schorsing strijdig zou maken met de regels van goede procesorde, […] het [dan] op zijn weg [ligt] om daarvan met een deugdelijke onderbouwing te komen. Dat laat hij na […].” [41] Ik merk op dat [eiser] zich in dit verband, kort gezegd voor de vraag in hoeverre de stichting aan hem gelieerd is, niet achter de regels van bewijslastverdeling kan verschuilen. [verweerder] kan hierover immers niet meer stellen dan hij weet en redelijkerwijs kan weten op basis van publiek toegankelijke informatie waarop hij zich ook heeft beroepen, zoals een uittreksel uit het handelsregister van de stichting, de al genoemde Objectlijst van het kadaster met betrekking tot de stichting en een artikel over [eiser] van 8 februari 2021 op een regionale nieuwssite. [42] Vervolgens is het, mede gelet op de waarheidsplicht van art. 21 Rv Pro, [43] aan [eiser] om aan te geven hoe de vork in de steel zit met betrekking tot (zijn betrokkenheid bij) de stichting. [eiser] heeft daar ook gelegenheid toe gehad in zijn al genoemde akte uitlaten producties van 9 maart 2021 (zie ook onder 3.11 hiervoor). [eiser] heeft die gelegenheid echter niet aangegrepen om de door [verweerder] gestelde onduidelijkheden weg te nemen. De enige inhoudelijke toelichting die hij geeft, is dat “ [eiser] het Pand, gelijktijdig met een meeromvattend deel van zijn vastgoedportefeuille aan [de stichting] heeft overgedragen.” [44] Het antwoord op de vraag of [eiser] direct of indirect betrokken is bij de stichting wordt in deze akte uitdrukkelijk in het midden gelaten, terwijl dit wel een relevant aspect is voor de beslissing van het hof over toe- of afwijzing van de schorsing. Dat de stichting “in elk geval geen aandelen [houdt] van enige vennootschap waarbij [eiser] betrokken is”, [45] neemt uiteraard ook niet weg dat [eiser] wel direct of indirect betrokken kan zijn bij de stichting.
Ik lees rov. 5.3, waarin het hof kort gezegd met [verweerder] van oordeel is dat [eiser] te veel onduidelijkheid heeft gelaten rondom de eigendomsoverdracht naar de stichting, aldus dat het hof het oog heeft op die door [verweerder] gestelde onduidelijkheden waarover [eiser] in zijn daaropvolgende akte geen althans onvoldoende opheldering heeft gegeven. Het hof is daarmee dus ook niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden en heeft de afwijzing van de schorsing evenmin gebaseerd op een feitelijke grond die [verweerder] niet aan zijn verweer tegen de schorsing ten grondslag heeft gelegd.
Hierop stuit het subonderdeel af.
(productie 1)blijkt is:
‘Administratiekantoor welke als doel heeft het op eigen naam ten titel van beheer verkrijgen en administreren van vermogensbestanddelen, tegen toekenning van certificaten’”.
[vetgedrukt en cursivering in origineel, A-G]
Het subonderdeel richt zich in het bijzonder tegen het door het hof in het onderhavige geval verlangde inzicht in de vraag of de rechtsopvolger onder bijzondere titel (hier: de stichting) het geding op eigen naam wil voortzetten. Aan het subonderdeel kan worden toegegeven dat in beginsel bij een beroep op schorsing geen inzicht in deze omstandigheid kan worden verlangd. Het oordeel van het hof komt er echter op neer dat het er, gelet op de door [verweerder] aangevoerde omstandigheden, alle schijn van heeft dat [eiser] direct of indirect is betrokken bij de stichting, althans dat hij na daartoe nog in de gelegenheid te zijn gesteld, daarover onvoldoende duidelijkheid heeft geschapen. In de aldus gegeven bijzondere omstandigheden van het geval mocht het hof daarom m.i. wel verlangen dat [eiser] (in ieder geval in zijn akte van 9 maart 2021, waarin hij zijn betrokkenheid bij de stichting nadrukkelijk in het midden heeft gelaten, zie ook onder 4.10 hiervoor) inzicht zou hebben verschaft over de bereidheid van de stichting om het geding op eigen naam en met overname van eventuele verplichtingen voortvloeiend uit deze procedure voort te zetten. Het oordeel van het hof geeft in zoverre geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook alleszins begrijpelijk.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het subonderdeel voegt daar nog aan toe dat in dit geval voor schorsing van het geding volstaat dat (i) sprake is van eigendomsoverdracht en daarmee van rechtsopvolging onder bijzondere titel en (ii) dat een tot schorsing strekkende akte wordt genomen, zonder dat een nadere toelichting is vereist, en dat art. 225 Rv Pro beoogt om (onder meer) de rechtsopvolger enige tijd te bieden voor onderzoek en/of beraad. Aan deze regeling is volgens het subonderdeel inherent dat de wederpartij van de partij die de schorsing inroept enige tijd in het ongewisse blijft, althans kan blijven, omdat niet (meteen) duidelijk is of een partijwisseling zal plaatsvinden. Die onduidelijkheid zal doorgaans bestaan totdat de oorspronkelijke gerechtigde (hier: [eiser] ) en/of zijn rechtsopvolger (hier: de stichting), na het onderzoek en het beraad waarvoor art. 225 Rv Pro gelegenheid beoogt te bieden, het geding hervat(ten) door een daartoe strekkende akte of verklaring bij exploot. Daarnaast kan die wederpartij (hier: [verweerder] ) zelf het geding hervatten door, voor zover hier van belang, bij exploot te verklaren dat het geding wordt hervat. [58] In beide gevallen zal of zullen de partij(en) aan wiens zijde de schorsingsgrond was opgekomen zich er na de hervatting over moeten uitlaten wie van hen het geding zal (of zullen) voortzetten. Gelet op de mogelijkheid van hervatting door de wederpartij zelf heeft deze het volgens het subonderdeel in belangrijke mate zelf in de hand hoe lang hij in het ongewisse blijft en in hoeverre de procedure en daarmee het eventueel verkrijgen van de door hem gewenste titel door een schorsing vertraging oploopt. In het licht van deze wettelijke regeling kunnen, anders dan het hof heeft geoordeeld, de omstandigheden dat (nog) onduidelijk is of (hier) [eiser] en/of de stichting een partijwisseling zullen bewerkstelligen, zodat [verweerder] daaromtrent (vooralsnog) in het ongewisse blijft, en dat [verweerder] de titel die hij wenst nog enige tijd wordt onthouden, volgens het subonderdeel niet meebrengen dat de schorsing wordt afgewezen. Het oordeel van het hof getuigt daarom volgens het subonderdeel van een onjuiste rechtsopvatting. In ieder geval is volgens het subonderdeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk waarom deze – aan de schorsingsregeling inherente – omstandigheden in dit geval afwijzing van de schorsing zouden rechtvaardigen. In het bijzonder is volgens het subonderdeel niet in te zien waarom niet van [verweerder] kon worden verlangd dat hij, na een schorsing van het geding, [eiser] en/of de stichting had opgeroepen op de door de wet voorgeschreven wijze, te weten bij exploot (art. 227 lid Pro 1, onder b, Rv). [eiser] en/of de stichting had(den) zich dan vervolgens, na de door art. 225 Rv Pro beoogde termijn voor onderzoek en beraad, kunnen uitlaten over het vervolgen van het geding. In het verlengde van een en ander is volgens het subonderdeel ook niet begrijpelijk dat [verweerder] , zoals de slotzin van rov. 5.3 inhoudt, een processueel belang zou hebben bij onverwijlde voortzetting van het geding, althans niet een zodanig belang dat (mede) dit in de weg zou staan aan schorsing.
Ten aanzien van de slotzin van rov. 5.3 wijst het subonderdeel nog op het volgende. Ten eerste is volgens het subonderdeel de omstandigheid dat [verweerder] een processueel belang zou hebben bij onverwijlde voortzetting van het geding niet relevant, althans niet (in overwegende mate) bepalend, voor het antwoord op de vraag of een rechtsgeldige schorsing heeft plaatsgevonden dan wel dat een schorsing moet worden ‘toegewezen’ of ‘afgewezen’. Door deze omstandigheid toch aan zijn ‘afwijzing’ van de schorsing ten grondslag te leggen, heeft het hof volgens het subonderdeel dan ook de verkeerde maatstaf gehanteerd, althans blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Althans is volgens het subonderdeel in het licht van de gedingstukken niet in te zien dat een belang van [verweerder] bij onverwijlde voortzetting zo zwaar zou wegen dat het aan schorsing in de weg staat. [verweerder] heeft volgens het subonderdeel niet gesteld dat hij belang heeft bij onverwijlde voortzetting van het geding en/of bij een spoedige verkrijging van een titel, laat staan een bijzonder belang. Gelet op het ontbreken van een dergelijke stelling van [verweerder] is het hof, door zijn oordeel toch op dit belang van [verweerder] te baseren, ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, althans heeft het de afwijzing van de schorsing gebaseerd op een feitelijke grond die [verweerder] niet aan zijn verweer tegen de schorsing ten grondslag had gelegd, aldus nog steeds het subonderdeel.
Het hof doet aan het slot van rov. 5.3 niets meer dan constateren dat schorsing van de procedure zou leiden tot vertraging in het geding en oordelen dat die vertraging in de gegeven omstandigheden (die het hof daarvoor in rov. 5.3 heeft uitgewerkt) niet gerechtvaardigd is. [59] Voor zover het subonderdeel meer leest in de bestreden rechtsoverweging, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Ik zie ook niet in waarom het hof met dit oordeel voorbij zou hebben gezien aan de wettelijke schorsingsregeling, in het bijzonder aan art. 227 lid Pro 1, aanhef en onder b, Rv. Aldaar wordt geregeld dat in de gevallen bedoeld in art. 225 lid 1 Rv Pro het geding wordt hervat in de stand waarin dit zich bij de schorsing bevond doordat een der partijen, met instemming van de andere partij, een daartoe strekkende akte ter rolle neemt, dan wel bij exploot verklaart dat het geding wordt hervat. Het subonderdeel wijst erop dat [verweerder] voorwaardelijk een beroep heeft gedaan op deze hervattingsmogelijkheid:
[….]
Het uw gerechtshof moge behagen om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[…]
indien en voor zover uw gerechtshof het geding als geschorst zou en het verzet als ongegrond zou beschouwen – :Te verstaan dat [verweerder] bevoegd is om ex artikel 227 Rv Pro te verklaren dat het geding wordt hervat en hem toe tet staan om met inachtneming van de wettelijke voorschriften Stichting Brick One op te roepen tegen een nader door uw gerechtshof te bepalen roldatum, onder veroordeling van [eiser] in de kosten van dit incident.” [60] [vetgedrukt en onderstreept in origineel, A-G]
Voor zover het subonderdeel zich nog op het standpunt stelt dat [verweerder] niet zou hebben gesteld dat hij belang heeft bij onverwijlde voortzetting van het geding en/of bij een spoedige verkrijging van een titel, mist het subonderdeel eveneens feitelijke grondslag. [verweerder] heeft immers bij zijn verzet tegen schorsing van het geding een beroep gedaan op de regels van een goede procesorde, waaronder ook het voorkomen van onredelijke vertraging (vgl. ook art. 20 Rv Pro) kan worden begrepen:
onredelijkevertraging. [63] Het subonderdeel ontbeert in zoverre ook feitelijke grondslag.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het subonderdeel stelt verder dat voor zover het voorgaande uitzondering lijdt indien de partij die schorsing inroept bewust een schorsingsgrond ‘creëert’, door (uitsluitend) met het oog op een door hem gewenste schorsing te bewerkstelligen aan de voorwaarden voor schorsing wordt voldaan, geldt dat (enkel) uit wat het hof in rov. 5.3 overweegt niet kan volgen dat een dergelijke situatie zich hier heeft voorgedaan. Bovendien gaat het hof dan volgens het onderdeel ten onrechte zonder motivering voorbij aan de dan essentiële stelling van [eiser] dat de overdracht van, kort gezegd, het perceel gelijktijdig plaatsvond met een meeromvattend deel van [eiser] ’s vastgoedportefeuille aan de stichting. Volgens het subonderdeel toont dit aan dat niet enkel het desbetreffende pand is overgedragen teneinde een schorsingsgrond te creëren. [65] Het subonderdeel stelt ten slotte dat ook als de goede procesorde een schorsing van het geding vanwege een wettelijke schorsingsgrond wél ook onder andere omstandigheden dan het bewust ‘creëren’ van een schorsingsgrond kan verhinderen, de afwijzing van de schorsing onvoldoende is gemotiveerd. Volgens het subonderdeel, onder verwijzing naar de subonderdelen 2.3 en 2.4, vergt art. 225 Rv Pro niet dat de partij die de schorsing inroept zich (dan al) uitlaat over, kort gezegd, de door het hof genoemde punten. Volgens het subonderdeel beoogt art. 225 Rv Pro partijen juist een termijn te bieden voor onderzoek en beraad over de wijze waarop het geding zal worden voortgezet en heeft [verweerder] niet gesteld dat hij belang heeft bij onverwijlde voortzetting en/of bij een spoedige verkrijging van een titel. In het licht van deze omstandigheden vergt volgens het subonderdeel nadere motivering waarom het in dit geval (toch) in strijd zou zijn met een goede procesorde dat [eiser] niet (al in zijn tot schorsing strekkende akte) de door het hof verlangde duidelijkheid heeft verschaft.
Fiar c.s./Thuiskopie-arrest van de Hoge Raad. [66] Specifiek met betrekking tot schorsing ex art. 225 Rv Pro blijkt dit voorts uit de feitenrechtspraak waarop [verweerder] zich in zijn (eerste) akte van 8 februari 2021, onder 11 (zie onder 4.18 hiervoor) ook heeft beroepen. Ik citeer rov. 3.4 uit het desbetreffende arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 januari 2021: [67]
Wat betreft de door het subonderdeel als “essentieel” aangemerkte stelling dat [eiser] op dezelfde datum niet alleen het desbetreffende pand maar ook veertien andere objecten heeft verkocht en geleverd aan de stichting, volsta ik met de constatering dat [verweerder] deze omstandigheid juist ten grondslag heeft gelegd aan zijn beroep op strijd met de regels van de goede procesorde:
productie 2).” [68] [vetgedrukt in origineel, A-G]
Ook voor het overige is het oordeel van het hof niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. De klacht aan het slot van het subonderdeel ziet eraan voorbij dat [eiser] ook in zijn akte van 9 maart 2021 nog gelegenheid heeft gehad de door het hof verlangde duidelijkheid te verschaffen. Het hof heeft niet verlangd dat hij die duidelijkheid reeds in zijn akte van 26 januari 2021 verschafte (zie ook onder 4.10 hiervoor).
Hierop stuit het subonderdeel af.
Bovendien, zo stelt het subonderdeel, is het hof, als het niet van de juistheid van deze stellingen is uitgegaan, ten onrechte zonder motivering voorbijgegaan aan het aanbod van [eiser] om ter zake bewijs te leveren. [eiser] heeft in dit verband aangeboden om onder meer zijn rechtsvoorganger met betrekking tot het perceel, [betrokkene 1] , te doen horen. [71] Het hof is volgens het subonderdeel verder voorbijgegaan aan de stelling van [eiser] dat hij bereid is en blijft om [verweerder] ruimhartig voor het verlies van zijn oppervlakte schadeloos te stellen. [eiser] heeft volgens het subonderdeel aangevoerd dat hij [verweerder] eerder, nadat toch sprake bleek te zijn van overbouw, al € 25.000,-- heeft aangeboden, dat [verweerder] op zich bereid was om genoegen te nemen met schadeloosstelling, maar dat hij het geboden bedrag te laag vond en € 70.000,-- eiste, welk bedrag echter volgens [eiser] disproportioneel was, omdat het neerkwam op ruim € 10.000,-- per vierkante meter. Dit laatste is volgens het subonderdeel een factor drie hoger dan de vierkantemeterprijs voor grond met een woonbestemming in het centrum van Groningen . [72] Dit aanbod en deze bereidheid tot schadevergoeding zijn volgens het subonderdeel relevant bij de belangenafweging in het kader van art. 3:13 lid 2 BW Pro. Door dit aanbod en deze bereidheid niet (kenbaar) in zijn oordeel te betrekken, heeft het hof die relevantie miskend, althans zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, aldus het subonderdeel.
36. [verweerder] heeft zelf aan de [a-straat] gewoond en er zijn onderneming gehad; van 1962 tot 2001 maakte hij dagelijks gebruik van de gang. Dat geldt ook voor Klamer Woninginrichting en al helemaal voor Banketbakkerij [betrokkene 1] , die gevestigd was aan de [a-straat] 13. Met name laatstgenoemde (die ook eigenaar is geweest van het perceel van [eiser] ) gebruikte de gang voor bevoorrading etc. [betrokkene 1] kan niet alleen over de afmetingen van de gang, maar ook over het gebruik daarvan verklaren.
37. Zelfs al zou er op dit moment minder frequent gebruik gemaakt worden van de gang, dat betekent niet dat [verweerder] er geen belang bij zou hebben dat dit wel mogelijk blijft. Immers, de panden aan de [a-straat] worden bedrijfsmatig gebruikt en voor de betreffende ondernemers kan aan- en afvoer via de gang van belang zijn. Dat bepaalt [eiser] niet.” [74]
Wat betreft de hoogte van een schadeloosstelling voor [verweerder] ter zake van de overbouw hebben partijen in eerste aanleg en hoger beroep het volgende naar voren gebracht.
In de conclusie van antwoord van [eiser] lees ik hierover het volgende:
[…]
68. Dat alles klemt te meer nu [eiser] bereid is geweest om de kwestie op te lossen tegen betaling van een substantieel geldbedrag gelet op de omvang van de overbouw en ook [verweerder] kennelijk bereid is om genoegen te nemen met een schadevergoeding – zij het dat [verweerder] een uiterst disproportioneel bedrag eist.” [76]
103. Zelfs een ruimhartige compensatie – waartoe [eiser] overigens bereid is en blijft – zal bij lange na niet dat bedrag kunnen benaderen. Het gaat immers om een oppervlakte van – zelfs als de rechtbank gevolgd zou worden – nog geen 7 m2: dan zou dus meer dan € 10.000,- per vierkante meter betaald worden voor een stuk brandgang. Een dergelijke compensatie gaat iedere redelijkheid te boven. Zelfs de helft van dat bedrag zou nog leiden tot een meterprijs die fors (ongeveer een factor 3) hoger is dan de vierkante meterprijs voor grond met een woonbestemming in het centrum van de stad [plaats] .” [77]
43. Zoals [verweerder] bij conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie in eerste aanleg al heeft aangegeven heeft [eiser] , door 6,4 m2 van het eigendom van [verweerder] met meerdere verdiepingen te bebouwen zo’n 30m2 verhuurbaar woonoppervlak gecre[ë]erd. Dat levert hem maandelijks ongeveer 30 x € 23 (gemiddelde huurprijs in Groningen per kamer/maand volgens Kamernet) = € 690 op. Dat is € 8.280 per jaar en – uitgaande van een 30 jaar exploitatie een bedrag van € 248.400. Wanneer daarop de bouwkosten en overige (jaarlijkse) onderhouds- en andere kosten in mindering worden gebracht, dan zou [eiser] uiteindelijk hoe dan ook substantieel aan de overbouw verdienen.” [78]
kanopleveren. [81] Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof het beroep van [eiser] op misbruik van bevoegdheid (uitsluitend) in de sleutel van het onevenredigheidscriterium van art. 3:13 lid 2 BW Pro heeft begrepen. [82]
wanneerhet bedrag van € 25.000,-- aan [verweerder] zou zijn aangeboden en wanneer [verweerder] het tegenbod van € 70.000,-- zou hebben gedaan. [83] Het is in de onderhavige zaak niet aan de rechter om de hoogte van schadeloosstelling van [verweerder] ter zake van de onrechtmatige inbreuk op zijn eigendomsrecht vast te stellen. Aan [eiser] komt immers geen beroep op art. 5:54 BW Pro toe (zie ook de bespreking van onderdeel 4 hierna). Op grond van art. 5:54 BW Pro is het uitgangspunt, in verband met art. 1 Eerste Pro Protocol bij het EVRM, volledige schadeloosstelling [84] en gelden bij het vaststellen van de hoogte van de schadeloosstelling ook art. 6:95 e.v. BW. [85] Deze uitgangspunten voor het vaststellen van de hoogte van een schadeloosstelling gelden in schikkingsonderhandelingen tussen partijen niet (zonder meer). Het komt niet onlogisch of onredelijk voor dat [verweerder] in schikkingsonderhandelingen bij de hoogte van het bedrag dat voor hem aanvaardbaar is om zijn vordering tot amotie te laten varen, niet alleen rekening zal houden met de grondprijs en verminderde gebruiksmogelijkheden van zijn gang, maar ook met onder meer de omstandigheid dat [eiser] door de amotie, zoals het hof het uitdrukt, “naar verwachting een flinke financiële veer zal moeten laten, enerzijds door de kosten van de gedeeltelijke afbraak van het appartementencomplex anderzijds door mogelijke derving van huurinkomsten tijdens en door deze afbraak.” [86] In dat licht bezien (en ook mede tegen de achtergrond van een dwangsom van maximaal € 100.000,-- bij niet-nakomen van de veroordeling tot amotie) is het kennelijk door [verweerder] verlangde bedrag van € 70.000,-- m.i. niet zonder meer disproportioneel. [verweerder] hoeft de inbreuk op zijn eigendomsrecht in beginsel niet te dulden en aan [eiser] komt als gezegd geen beroep toe op legalisering van de overbouw tegen schadeloosstelling van [verweerder] als bedoeld in art. 5:54 BW Pro. De hoogte van de compensatie die [eiser] aan [verweerder] heeft aangeboden was kennelijk gebaseerd op de grondprijs per vierkante meter en de disproportionaliteit van het door [verweerder] verlangde bedrag relateert [eiser] ook aan de grondprijs per vierkante meter. Dat is weliswaar een relevante omstandigheid in het kader van schadeloosstelling als bedoeld in art. 5:54 BW Pro. [87] Dat een dergelijke compensatie door [verweerder] niet is geaccepteerd om af te zien van zijn vordering tot amotie, maakt echter niet dat hij misbruik maakt van zijn bevoegdheid om amotie te vorderen.
Dat in het onderhavige geval het belang van [verweerder] bij amotie minder groot is dan het (financiële) belang van [eiser] bij handhaven van de huidige situatie onderkent het hof ook door te spreken van een “niet te verwaarlozen belang” van [verweerder] tegenover een “flinke financiële veer” die [eiser] naar verwachting zal moeten laten in geval van amotie. Daarmee is echter nog niet zonder meer gegeven dat sprake is van misbruik van bevoegdheid op grond van het onevenredigheidscriterium, zoals ook blijkt uit het vervolg van rov. 5.6.2 waarin het hof tot het oordeel komt dat het belang van [verweerder] niettemin dient te prevaleren. [88] Het hof rekent [eiser] daar aan dat hij ondanks de waarschuwing(en) van [verweerder] is doorgegaan met bouwen en dat hij in die zin geen ‘schone handen’ heeft:
He who comes to equity must come with clean hands.” [89] [cursivering in origineel, A-G]
Hierop stuit het subonderdeel af.
[….]
volkomen onzin’ van de hand gewezen en heeft laten doorbouwen.”
point of no return’ is bereikt. Volgens het subonderdeel kon het gebouw immers niet zomaar een halve meter worden opgeschoven, omdat de fundering daarop niet is ontworpen of ingericht. Evenmin kon volgens het subonderdeel naast de al aangebrachte funderingspalen een nieuwe rij palen worden aangebracht om de ‘verschuiving’ met enkele tientallen centimeters alsnog mogelijk te maken. De enige manier waarop na het aanbrengen van de fundering de overbouw verholpen had kunnen worden, was daarom volgens het subonderdeel het algeheel verwijderen van de al aangebrachte funderingspalen. Dit gebeurt door het uitboren ervan, wat een zeer tijds- en arbeidsintensief proces is, het vervolgens verdichten van de grond die in de plaats komt van de paal en het daarna opnieuw slaan van de nieuwe funderingspalen. Voor die in tijd en geld ingrijpende werkzaamheden zouden bovendien diverse publiekrechtelijke toestemmingen vereist zijn, met de daarbij behorende onderbouwingen zoals bodemdichtheidsrapporten, aangepaste constructieberekeningen en het ontwerp van een nieuw ‘palenplan’ voor de fundering, wat ook weer een substantiële investering in tijd en geld zou vergen. [96] Het subonderdeel stelt dat dit betoog van [eiser] erop neerkwam dat reeds het ongedaan maken van de bouwwerkzaamheden die al waren verricht vóórdat [verweerder] (voor het eerst) zijn bezwaren kenbaar maakte, voor [eiser] tot substantiële en/of onevenredige schade zou hebben geleid. In het licht hiervan had het hof volgens het subonderdeel nader moeten motiveren waarom [eiser] , zoals het hof aan het slot van rov. 5.6.2 oordeelt, zijn financiële schade toch in belangrijke mate, zo al niet geheel, aan zichzelf te wijten zou hebben omdat hij ondanks de bezwaren van [verweerder] is doorgegaan met bouwen. [97]
point of no return’ is onvoldoende onderbouwd. Het onder 4.27 hiervoor als tweede pijler aangeduide oordeel van het hof houdt dus eveneens stand.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Deze afmetingen zijn niet conform de verleende vergunning, maar voldoen echter wel aan de eisen van het Bouwbesluit (artikel 2.107 lid 8), reden dat wij in deze geen actie ondernemen.
Wanneer er sprake is van bouwen op andermans goed is dit zoals eerder besproken een privaatrechtelijke aangelegenheid, waar wij als gemeente geen bevoegdheid in hebben om op te treden.” [102]
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het subonderdeel bevat verder nog een voortbouwklacht, die inhoudt dat het oordeel van het hof in rov. 5.7.3, eerste volzin, dat is gebaseerd op rov. 5.6.2, niet in stand kan blijven als een of meer van de tegen laatstgenoemde rechtsoverweging gerichte klachten van subonderdelen 3.1 t/m 3.4 slagen.
Het hof is dus, gelet op het voorgaande, in rov. 5.7.3 niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van art. 5:54 lid 1 BW Pro. Ik merk nog op dat zelfs als het hof bij de toepassing van art. 5:54 lid 1 BW Pro zou zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, dat niet tot cassatie kan leiden, omdat het beroep van [eiser] op art. 5:54 BW Pro ook afstuit op (in ieder geval) grove schuld van hem ter zake van de overbouw als bedoeld in het derde lid van die bepaling (waarover het volgende subonderdeel).
De voortbouwklacht deelt in het lot van de subonderdelen 3.1 t/m 3.4. Dat behoeft geen nadere toelichting.
Hierop strandt het subonderdeel.
onbevoegdover de grens bouwen.” [118] [cursivering in origineel, A-G]
Tegen deze achtergrond bezien, treft het subonderdeel geen doel. Het subonderdeel gaat uit van een verkeerde lezing van het arrest en faalt daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag voor zover het in ’s hofs overweging “kunnen weten” leest dat het hof de vereiste subjectieve wetenschap ter zake van de overbouw heeft miskend. Subjectieve wetenschap is vereist om kwade trouw aan te kunnen nemen. Het hof heeft met “kunnen weten” echter niet het oog op kwade trouw (“wist”), maar op grove schuld van [eiser] in de betekenis zoals hiervoor is toegelicht, dat het althans aan grove schuld van [eiser] is te wijten dat hij niet van het overbouwen wist; dat hij, mede gelet op de waarschuwingen van [verweerder] , beter kon weten. Het oordeel van het hof geeft in zoverre geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting ter zake van de vereiste wetenschap voor het kunnen aannemen van grove schuld van [eiser] . Hierop strandt het eerste deel van het subonderdeel.
verdernader onderzoek” [mijn onderstreping, A-G] heeft laten doen naar de stelling van [verweerder] zo dat hij in de gegeven omstandigheden, waarin niet direct duidelijk was of sprake was van een grensoverschrijding, niet kon volstaan met navraag doen bij zijn aannemer en/of architect, maar zelf in een vroeg stadium méér had moeten (laten) doen om te achterhalen of daadwerkelijk sprake was van overbouw dan hij daadwerkelijk heeft gedaan. Het oordeel getuigt in zoverre niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, verweven als het is met waardering van feitelijke aard, evenmin onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Ik merk nog op dat het oordeel van het hof in zoverre ook aansluit bij de feitenrechtspraak waarin aan een professionele partij hoge(re) eisen aan de onderzoeksplicht worden gesteld. [127] Hierop stuit het tweede deel van het subonderdeel af.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het subonderdeel stelt in de eerste plaats dat voor zover het hof er in rov. 5.7.3 van uitgaat dat [verweerder] [eiser] heeft gewaarschuwd vóórdat de fundering en de daarop gelegde betonvloer gereed waren, dit onbegrijpelijk is. Het subonderdeel beroept zich in dit verband op rov. 4.7 en de stellingen van [eiser] . [129] Het subonderdeel stelt in de tweede plaats dat het hof er in het laatste deel van rov. 5.7.3 kennelijk van uitgaat dat aan het beroep van [eiser] op art. 5:54 lid 1 BW Pro in de weg staat dat [eiser] ten aanzien van de verdere afbouw van het appartementencomplex niet te goeder trouw was. Volgens het subonderdeel miskent het hof dat voor een beroep op art. 5:54 lid 1 BW Pro niet is vereist dat de eigenaar van het gebouw ten aanzien van de overbouw te goeder trouw is. Voor toepassing van art. 5:54 lid 3 BW Pro dient de eigenaar ter zake van de (over)bouw kwade trouw of grove schuld te kunnen worden verweten. Volgens het subonderdeel miskent het hof dat kwade trouw en/of grove schuld niet hetzelfde is als niet te goeder trouw. [130] Het subonderdeel stelt in de derde plaats dat het hof aan het slot van rov. 5.7.3 miskent dat voor beoordeling of toepassing van art. 5:54 lid 1 BW Pro is uitgesloten als bedoeld in art. 5:54 lid 3 BW Pro niet relevant is of de schade die voortkomt uit eigen handelen van de eigenaar van het gebouw nádat deze aanvankelijk te goeder trouw heeft overgebouwd kan gelden als een belang dat moet worden meegewogen in het kader van art. 5:54 lid 1 BW Pro. Aan die belangenafweging wordt immers pas toegekomen als op grond van art. 5:54 lid 3 BW Pro is bepaald dat toepassing van art. 5:54 lid 1 BW Pro niet is uitgesloten.
Het subonderdeel stelt in de vierde en laatste plaats dat, indien het hof aan het slot van rov. 5.7.3 bedoelt dat de omstandigheid dat [eiser] , nadat [verweerder] aan de bel had getrokken, het gebouw verder heeft afgebouwd en dat de schade die afbraak van het appartementencomplex zou meebrengen, niet zou mogen worden meegewogen bij de belangenafweging van art. 5:54 lid 1 BW Pro, zodat die belangenafweging (mede) daarom in het nadeel van [eiser] uitvalt, dit oordeel onvoldoende is gemotiveerd. Volgens het subonderdeel heeft het hof dan in dit oordeel ten onrechte niet kenbaar betrokken het betoog van [eiser] dat, kort gezegd, reeds het afbreken/terugdraaien van de fundering en de betonvloer tot substantiële schade zou hebben geleid, zodat hij al om die reden een zeer aanzienlijk belang had bij handhaving van de daardoor ontstane situatie. [131]
In rov. 4.7 van het arrest verwijst het hof naar die brief van 22 juli 2016. [132] Naast de stellingen van [eiser] waar het subonderdeel naar verwijst, noem ik nog de memorie van antwoord van [verweerder] , onder 44:
point of no return’ na de initiële overbouw:
[…]
141. Voor wat betreft de afweging van de belangen van [eiser] bij handhaving van de toestand versus het belang van [verweerder] bij amotie, verwijst [eiser] kortheidshalve naar de toelichting op grief 4: hij is en blijft van oordeel dat hij door wegneming/amotie van het overgebouwde deel van zijn gebouw onevenredig veel zwaarder wordt benadeeld dan [verweerder] bij handhaving daarvan. Als gezegd doet aan die afweging van belangen niet af dat [eiser] is doorgegaan met bouwen c.q. het gebouw heeft afgebouwd. Ook als hij dat niet had gedaan, had hij na het eerdergenoemde point of no return van het aanbrengen van de funderingspalen een zeer aanzienlijk belang bij handhaving van de daardoor ontstane status quo.” [136]
point of no return’-betoog kwam al ter sprake bij de bespreking van subonderdeel 3.3. Het subonderdeel ziet voorbij aan hetgeen [verweerder] in zijn memorie van antwoord (en ook reeds in eerste aanleg) tegen dit betoog van [eiser] heeft ingebracht (zie onder 4.29 hiervoor).
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het subonderdeel stelt verder dat in het licht van de kadastrale kaart en de foto van het hek bovendien niet (zonder meer) begrijpelijk is dat [eiser] zich bij zijn kritiek op de uitkomst van de kadastrale inmeting zou bedienen van stellingen en conclusies die niet of nauwelijks (meer) feitelijk toetsbaar zijn en dat [eiser] geen andere stukken van overtuiging zou hebben overgelegd die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat getwijfeld zou moeten worden aan de juistheid van de kadastrale inmeting. Het subonderdeel wijst erop, onder verwijzing naar rov. 4.6 en 4.7 van het vonnis, dat volgens de kadastrale inmeting de kadastrale grens van het perceel van [eiser] (zelfs) op 148 cm [138] van de gevel van het pand aan de [b-straat] 10 zou liggen. Het subonderdeel stelt dat als de feitelijke breedte van de gang echter 140 cm was vanaf die gevel en de kadastrale grens bovendien nog een stukje van het pand van [eiser] af lag, niet zonder meer in te zien is dat de kadastrale grens toch op 148 cm van de gevel van het pand op nr. 10 zou liggen. [139]
4.7. Het voorgaande betekent dat ervan uit moet worden gegaan dat de onderhavige juridische grens bijna gelijk is aan de door het Kadaster vastgestelde kadastrale grens, in die zin dat deze 8 cm verder in zuidelijke richting is gelegen, en dat [eiser] het appartementencomplex gedeeltelijk op de gang heeft gebouwd, namelijk 140 cm - 95 cm = 45 cm aan de voorzijde en 140 cm - 105 cm = 35 cm aan de achterzijde. Dit is een forse overschrijding van ongeveer 0.4m x 16m = 6,4m2. [eiser] heeft daardoor onrechtmatig jegens [verweerder] gehandeld. Uitgangspunt is dat [eiser] die onrechtmatige situatie dient op te heffen door de overbouw te verwijderen. […]”
Ik merk verder op dat de enige door het subonderdeel genoemde vindplaatsen die betrekking hebben op de grieven 1 t/m 3 de memorie van grieven van [eiser] , onder 45-47 betreffen, waar ik het volgende lees:
46. Dat betekent noodzakelijkerwijs dat de knik c.q. schuine lijn waardoor het perceel [sectie] [006] breder wordt ter plaatse van de Gang, inhoudt dat de Gang – naar kadastrale afmetingen! – wel smaller moet zijn dan 1,48 meter.
47. De kadastrale breedte van de Gang, en daarmee het door de ‘knik’ te overbruggen verschil in breedtes, kan worden afgeleid uit de kadastrale kaart door simpelweg te meten: dan blijkt de gang 2,5 mm breed te zijn en gelet op de schaal van 1:500 vertegenwoordigt dat een
kadastralebreedte van 1,25 meter. Het te overbruggen verschil door de knik is daarmee dus 23 centimeter.
productie 8. Voor zover uw hof tot eenzelfde constatering als de rechtbank zou komen, biedt [eiser] uitdrukkelijk aan om een origineel/gewaarmerkt exemplaar ter griffie van het hof te deponeren, zodat er geen kwaliteitsverlies optreedt door het kopiëren en scannen van de kaart en haar oorspronkelijke afmetingen – overeenkomstig de door het Kadaster zelf geproduceerde PDF-document – behouden blijven. In dit verband wil [eiser] wel nog uitdrukkelijk opmerken dat de stellingen van [eiser] ter zake de metingen op basis van de kadastrale kaart nimmer door [verweerder] zijn weersproken: in zoverre ontgaat het [eiser] dat en hoe de rechtbank tot haar met deze grief bestreden oordeel heeft kunnen komen. In elk geval geldt dat voor de gevolgtrekking “
ook blijkens de kaart uit 2015 moet de gang derhalve breder zijn geweest dan 125 cm”, die de rechtbank verbindt aan de kennelijke verkleining van de overgelegde kaart.”
Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend’.
een onzichtbare lijn welke 1.48 meter ten noorden van en evenwijdig aan de noordgevel van hsnr 10 is gelegen’. De zogenaamde ‘knik’ is achter de achtergevel gelegen (zo ook de ijzeren buis). Overigens is de zogenaamde ‘knik’ […] op geen enkel veldwerk terug te vinden; alleen op het uittreksel waar[aan] qua maatvoering geen rechten kunnen worden ontleend.
20. Aan deze zogenaamde ‘knik’ kan […] voor wat betreft de breedte van de gang geen enkele conclusie verbonden worden, laat staan de conclusie die [eiser] daaraan verbindt, namelijk dat de gang maar 125 cm breed zou zijn geweest. Dat baseert hij enkel en alleen op (zijn uitleg) van het kadastrale uittreksel en ten overvloede: [eiser] heeft op geen enkele manier kunnen onderbouwen waarom het relaas van bevindingen niet juist zou zijn.”
[cursivering in origineel, A-G]
Voor het overige is het oordeel van het hof evenmin onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Er kan m.i., gelet op rov. 5.5.1, geen twijfel over bestaan dat het hof in rov. 5.5.2 met de overweging dat “ [eiser] zich bij zijn kritiek bedient van stellingen en conclusies, die niet of nauwelijks (meer) feitelijk toetsbaar zijn en die bovendien kennelijk op geen enkel moment zijn gedeeld met het kadaster” mede het oog heeft op de door [eiser] in het kader van grief 2 in het geding gebrachte (oudere) foto’s, waarover [verweerder] in zijn memorie van antwoord heeft opgemerkt:
26. Het door [eiser] geschetste ‘lijnperspectief’ en het ‘convergeren van de gevels’ wat hij ten grondslag legt aan zijn conclusie dat de gang aan de voorzijde ‘maar’ 135 cm breed was en aan de achterzijde nog veel smaller (90 cm) is onjuist. Naar [verweerder] meent blijkt uit de foto’s die door partijen zijn overgelegd (zie ook zijn akte d.d. 6 maart 2020 in eerste aanleg) juist dat er geen sprake is van een smallere gang aan de achterzijde. Geenszins!”
Hierop stuit het subonderdeel af.