De zaak betreft een verzoek van de vader om een schriftelijke aanwijzing van de Gecertificeerde Instelling (GI) die de omgang tussen hem en zijn minderjarige kinderen beperkt, geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. De kinderen verblijven bij de moeder en staan onder toezicht van de GI. De ouders zijn in een echtscheidingsprocedure verwikkeld.
De GI had op 11 maart 2016 een schriftelijke aanwijzing gegeven waarin omgang tussen vader en kinderen werd beperkt vanwege het gedrag van de vader, waaronder het bestoken van de moeder met berichten en het betrekken van familieleden. De vader betwist dit gedrag en verzet zich tegen het opstellen van een plan van aanpak zonder overleg met de gezinsvoogd.
De kinderrechter stelt vast dat de GI de schriftelijke aanwijzing heeft gegeven op grond van artikel 1:265f BW, dat alleen geldt bij uithuisplaatsing van kinderen. Omdat de kinderen niet uit huis zijn geplaatst, had de GI een verzoek aan de kinderrechter moeten doen op grond van artikel 1:265g BW, een lex specialis die voorrang heeft. De schriftelijke aanwijzing is daardoor niet op de juiste wettelijke grondslag genomen.
Desondanks ziet de kinderrechter geen aanleiding de aanwijzing te vervallen te verklaren omdat dit het onderliggende geschil niet oplost. De vader wordt opgedragen zich te houden aan de aanwijzing en samen met zijn hulpverlener een plan van aanpak op te stellen dat de veiligheid van de kinderen waarborgt. De beslissing op het verzoek wordt aangehouden tot een zitting op 29 juni 2016.