Conclusie
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
[de moeder],
1.Feiten en procesverloop
2.Prejudiciële vragen 1-4; inleiding
wijzigt rechterlijke beslissing omgangsrechtvoor duur ots;
stelt vast of wijzigt zorgregeling of omgangsregeling;
art. 1:263 BW Prodat de gecertificeerde instelling ter uitvoering van haar taak
schriftelijke aanwijzingenkan geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige (lid 1), welke aanwijzingen – die een beperking van het ouderlijk gezag opleveren [6] – dienen te worden opgevolgd door de met het gezag belaste ouder(s) en de minderjarige (lid 2). Op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder kan de kinderrechter een aanwijzing geheel of gedeeltelijk
vervallen verklaren (art. 1:264, eerste lid, BW); hij kan de aanwijzing niet wijzigen of vervangen door een andere. Tegen de beslissing van de kinderrechter staat geen hoger beroep open, maar slechts cassatie in het belang der wet (art. 807, aanhef en onder a, en slot, Rv).
art. 1:265f, eerste lid, BWdat de gecertificeerde instelling, voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige, de
contactentussen een met het gezag belaste ouder en het kind voor de duur van de uithuisplaatsing kan
beperken. De bepaling geldt als een bijzondere bepaling ten opzichte van art. 1:263 BW Pro: de met het gezag belaste ouder en de minderjarige van twaalf jaren of ouder kunnen zich op dezelfde wijze als bij een aanwijzing ingevolge art. 1:264 BW Pro tot de kinderrechter wenden, met dien verstande (a) dat de kinderrechter niet alleen de aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen kan verklaren, maar ook
zelfeen zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt (art. 1:265f, tweede lid, BW) [7] , en (b) dat van de beslissingen van de kinderrechter
hoger beroepopenstaat (art. 807, aanhef en onder a, en slot, Rv).
vaststellen of wijzigen, voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Op verzoek van een met het gezag belaste ouder, een omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaar of ouder en de gecertificeerde instelling kan de kinderrechter de in het eerste lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (art. 1:265g, tweede lid, BW). Zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd, geldt de op grond van het eerste lid vastgestelde regeling als een regeling als bedoeld in art. 253a, tweede lid, onder a, BW, dan wel art. 377a, tweede lid, BW.
geensprake van uithuisplaatsing. Uw Raad oordeelde dat:
Artikel 263a BW (oud)
wijzigenvoor zover dat noodzakelijk was met het oog op het doel van de ondertoezichtstelling.
Artikel 265f
265g
3.Vraag 1 – ECLI:NL:HR:2014:1019 en de artikelen 1:265f en 1:265g BW
hoofdverblijfplaatsbij de vader hadden, terwijl (ii)
geensprake was van bij (die) rechterlijke beschikking vastgestelde
zorgregeling. BJZ had een aanwijzing gegeven op grond waarvan de met de moeder opgebouwde bezoekregeling werd beperkt. De moeder verzocht om vervallenverklaring (art. 1:259 BW Pro (oud)).
vaststellingvan een zorg- of omgangsregeling uitgebreide –
art. 1:265g BWvan die wet. Wortmann merkt daarover in haar noot het volgende op:
geencontact beperkende aanwijzing op grond van art. 1:265f BW kan worden gegeven met betrekking tot de andere met het gezag belaste ouder bij wie de minderjarige niet zijn hoofdverblijf heeft en dat de gecertificeerde instelling in een dergelijk geval op grond van art. 1:265g BW de kinderrechter moet verzoeken een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vast te stellen of te wijzigen. In geen van beide uitspraken wordt gerefereerd aan de beschikking van 25 april 2014. Wel betrekt de rechtbank Noord-Nederland in haar uitspraak de omstandigheid dat bij Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen per 1 januari 2015 art. 1:265g BW is ingevoerd. Volgens deze rechtbank is art. 1:265g BW een lex specialis ten opzichte van de algemene regeling van de aanwijzing en gaat het daarom vóór het geven van een schriftelijke aanwijzing. De rechtbank overweegt daartoe dat art. 1:265g BW met meer waarborgen is omgeven nu het de gecertificeerde instelling is die de stap naar de kinderrechter moet nemen en het niet de belanghebbende is die als reactie op de aanwijzing een procedure moet entameren. Deze werkwijze komt de rechtsbescherming van beide ouders en het kind nog meer ten goede, aldus de rechtbank. Deze redenering sluit aan bij de (hiervoor onder 3.5 weergegeven) opvatting van Wortmann in haar NJ-noot onder voormelde beschikking van Uw Raad.
vast te stellen of te wijzigenvoor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Dit is een verruiming ten opzichte van de situatie zoals deze gold ten tijde van de uitspraak van Uw Raad van 25 april 2014, toen BJZ slechts de mogelijkheid had om de kinderrechter te verzoeken om een bestaande rechterlijke beslissing tot vaststelling van een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht – die in het aan Uw Raad voorgelegde geval ontbrak – te wijzigen.
lex specialisten opzichte van de algemene regeling van de schriftelijke aanwijzing moet worden beschouwd. [53] Dit brengt mee dat in een geval waarin de minderjarige zijn hoofdverblijf heeft bij een van zijn met het gezag belaste ouders (en er dus geen sprake is van een uithuisplaatsing) de gecertificeerde instelling (enkel) op grond van art. 1:265g, eerste lid, BW de kinderrechter kan verzoeken, voor de duur van de ondertoezichtstelling, een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen (of te wijzigen), voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Er kan door de gecertificeerde instelling niet op de voet van art. 1:265f BW een contact beperkende aanwijzing worden gegeven met betrekking tot de andere met het gezag belaste ouder bij wie de minderjarige niet zijn hoofdverblijf heeft. [54] In zoverre zijn de overwegingen van Uw Raad in de beschikking van 25 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1019) met betrekking tot art. 1:263a BW (oud) mijn inziens niet onverkort van toepassing op art. 1:265f BW.
de eerste prejudiciële vraagontkennend moet worden beantwoord.
“Kan een gecertificeerde instelling op grond van art. 1:265f BW zelfstandig een eerdere rechterlijke beschikking inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of omgang wijzigen, en zo ja, onder welke omstandigheden?”) kennelijk betrekking op het volgende. De rechtbank stelt vast dat uit de wetsgeschiedenis [57] blijkt dat een aanwijzing van de gecertificeerde instelling betreffende de omgang van een ouder met zijn kind een eerdere rechterlijke omgangsbeschikking niet opzij kan zetten, omdat de gecertificeerde instelling geen aanwijzing kan geven die in strijd is met een rechterlijke uitspraak.
eersteplaats onduidelijkheid over de vraag of een gecertificeerde instelling (niettemin) zelfstandig een eerdere rechterlijke beschikking inzake de omgang opzij kan zetten in de situatie dat
nade rechterlijke beslissing in het kader van een ondertoezichtstelling sprake is van
uithuisplaatsingvan een minderjarige en er aldus sprake is van een
nieuwe omstandigheid. De rechtbank noemt het in de praktijk geregeld voorkomende geval dat twee ouders met gezag niet meer samenwonen, de minderjarige bij één van hen woont en ten behoeve van de niet verzorgende ouder een door een rechter vastgestelde omgangsregeling geldt, waarna de minderjarige vervolgens uit huis wordt geplaatst (al dan niet bij de andere ouder). Daarnaast wordt genoemd de situatie dat er al sprake is van een machtiging tot uithuisplaatsing (bijvoorbeeld in een voorziening voor pleegzorg), de rechter een omgangsregeling vaststelt en er vervolgens plaatsing in een geheel andere setting volgt (op grond van een nieuwe machtiging). Rechters verschillen volgens de rechtbank van oordeel over de vraag of een gecertificeerde instelling in deze situaties bevoegd is zelfstandig, door middel van een schriftelijke aanwijzing, de eerder door de rechter vastgestelde omgangsregeling te wijzigen. Bij wijze van voorbeelden vermeldt de rechtbank een drietal rechtbankuitspraken (rov. 4.4-4.5).
tweedewordt door de rechtbank de vraag aan de orde gesteld of een gecertificeerde instelling (niettemin) bevoegd is een schriftelijke aanwijzing te geven over de omgang – en daarmee een rechterlijke uitspraak te wijzigen – bij wijze van
tijdelijkemaatregel, te weten in afwachting van een wijzigingsprocedure op de voet van art. 1:265g BW (rov. 4.8, slot).
nietopzij kan zetten.
de derde prejudiciële vraagontkennend moet worden beantwoord.
tijdelijkeregeling lijkt, samenhangende met de
uithuisplaatsing(rov. 4.7).
de vierde prejudiciële vraagaldus moet worden beantwoord dat een op grond van art. 1:265f, tweede lid, BW vastgestelde regeling geldt als een regeling op grond van art. 1:265g BW, waarvan alleen aan de rechter wijziging kan worden verzocht.
6.Vraag 2 – verhouding artikelen 1:265g en 1:265f BW bij uithuisplaatsing
tweede prejudiciële vraagkan als volgt worden beantwoord. Op grond van art. 1:265f, eerste lid, BW kan de gecertificeerde instelling, voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige, de contacten tussen de met het gezag belaste ouder [68] en het kind voor de duur van de uithuisplaatsing beperken,
tenzijer reeds een zorgregeling – waaronder een regeling als bedoeld in art. 1:265f BW, tweede lid, BW – door de rechter is vastgesteld. In dat geval kan de gecertificeerde instelling (enkel) de kinderrechter verzoeken voor de duur van de ondertoezichtstelling deze regeling te wijzigen, voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is (art. 1:265g BW, eerste lid, BW). [69]
7.Vraag 5 – de schorsingsbevoegdheid van art. 1:264, eerste lid, BW
vijfde prejudiciële vraagaldus kan worden beantwoord dat in het algemeen de rechter niet dient te beslissen omtrent een verzoek tot schorsing als bedoeld in de laatste zin van art. 1:264, eerste lid, BW zonder alle belanghebbenden te hebben gehoord. De rechter kan echter met het oog op de ernst van de aan het verzoek tot schorsing van de schriftelijke aanwijzing ten grondslag gelegde feiten of de spoedeisendheid van de verzochte schorsing van de schriftelijke aanwijzing, tot schorsing overgaan zonder de betrokken belanghebbenden vooraf te horen, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen onder 7.6.2, laatste volzin.