De werknemer, werkzaam als algemeen medewerker melkveehouderij, werd op 30 augustus 2016 door de werkgever op staande voet ontslagen wegens een vermeende dringende reden. De werknemer betwistte het ontslag en stelde dat zij recht had op loondoorbetaling ondanks haar ziekmelding op die datum, welke door het UWV werd bevestigd.
De werkgever voerde aan dat het ontslag onverwijld was meegedeeld en dat de werknemer niet tijdig vernietiging van het ontslag had verzocht, waardoor zij niet-ontvankelijk zou zijn in haar loonaanspraak. De kantonrechter oordeelde dat de werkgever de bewijslast droeg voor het ontslag op staande voet en dat onvoldoende was komen vast te staan dat het ontslag aan de werknemer was medegedeeld.
De kantonrechter nam mee dat er geen schriftelijke mededeling was, dat getuigenverklaringen onvoldoende waren en dat gedragingen van de werkgever niet strookten met een ontslag op staande voet. Hierdoor werd het verweer van niet-ontvankelijkheid verworpen.
De werknemer behield haar aanspraak op loondoorbetaling over de periode van 30 augustus tot en met 31 december 2016, de einddatum van het contract. De kantonrechter beperkte de wettelijke verhoging tot 25% en veroordeelde de werkgever tot betaling van het achterstallige loon, wettelijke rente en proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.