ECLI:NL:RBNNE:2017:2373
Rechtbank Noord-Nederland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na vrijspraak verkoop medicijnen
De officier van justitie vorderde dat de rechtbank een bedrag van €43.119,68 zou vaststellen als wederrechtelijk verkregen voordeel en dat dit bedrag aan de staat zou worden betaald. Deze vordering was gebaseerd op de handel in medicijnen door de veroordeelde en een medeverdachte.
De rechtbank heeft de veroordeelde veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van diverse verboden middelen, maar vrijgesproken van het medeplegen van het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van deze middelen. Volgens vaste rechtspraak kunnen feiten waarvoor vrijspraak is gegeven niet worden gebruikt als grondslag voor een ontnemingsmaatregel.
Daarom oordeelt de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de verkoop van de medicijnen. De vordering tot ontneming wordt dan ook afgewezen.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland op 27 juni 2017 en betreft een strafzaak met parketnummer 18/750082-16.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens vrijspraak van de verkoop van medicijnen.