Uitspraak
derde-partijheeft aan het geding deelgenomen: [betrokkenen], te [plaats], derde-belanghebbenden.
Rechtbank Noord-Nederland
Verzoekster exploiteert een agrarisch bedrijf met mestvergisting en warmtekrachtinstallatie. Verweerder legde een last onder dwangsom op wegens overschrijding van een aanvaardbaar geurhinderniveau, gebaseerd op een geuronderzoek dat aansluiting zocht bij het provinciaal Geurhinderbeleid. Verzoekster betwistte de bevoegdheid tot het opleggen van geurvoorschriften via een dwangsombeschikking en stelde dat bestaande rechten niet werden gerespecteerd.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de norm voor geurhinder terecht is ingevuld met het Geurhinderbeleid en dat bestaande rechten alleen zien op vergunde activiteiten, niet op milieubelasting. De hoogte van de dwangsom werd als proportioneel beoordeeld. Het beroep tegen het bestreden besluit I werd ongegrond verklaard.
Tegen het invorderingsbesluit (bestreden besluit II) stelde verzoekster dat het geuronderzoek onjuist was, met name vanwege een onjuiste berekening van de geuruitstoot van de biologische luchtwasser. De voorzieningenrechter vond dat verweerder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het geuronderzoek correct was, waardoor het invorderingsbesluit geschorst werd tot zes weken na uitspraak op het beroep. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Beroep tegen last onder dwangsom ongegrond, invorderingsbesluit geschorst wegens onvoldoende onderbouwing geuronderzoek.