Eiser kreeg een boete opgelegd wegens het niet melden van de inwoning van zijn nicht, wat een schending van de inlichtingenplicht onder de Participatiewet vormde. Verweerder had de boete eerder ambtshalve gehalveerd, maar eiser betwistte de hoogte en de grondslag van de boete.
De rechtbank oordeelde dat het niet melden van de wijziging in de woonsituatie aan verweerder verwijtbaar was, ondanks dat de nicht bij de gemeente was ingeschreven. De eerdere boete van € 15.710 was formeel onaantastbaar omdat daartegen geen bezwaar was gemaakt, maar op basis van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) was matiging tot 50% van het benadelingsbedrag passend.
Daarnaast nam de rechtbank de financiële draagkracht van eiser mee, die beperkte middelen en een huurachterstand had. Op grond hiervan werd de boete verder gematigd tot € 837,24, het bedrag dat eiser binnen twaalf maanden zou kunnen voldoen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.