ECLI:NL:CRVB:2016:10
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling boete en terugvordering bijstand wegens niet-melden bankrekeningen en stortingen
Betrokkene had bij de aanvraag van bijstand vijf bankrekeningen gemeld, maar een onderzoek bracht aan het licht dat zij naast deze rekeningen nog twee andere bankrekeningen bezat waarop aanzienlijke stortingen en bijschrijvingen plaatsvonden die niet waren gemeld. Het college herzag de bijstand en legde een boete van €23.300 op wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de herziening en terugvordering ongegrond, maar matigde de boete tot €1.990 op basis van verminderde verwijtbaarheid. Zowel betrokkene als het college gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak. Betrokkene stelde dat zij niet wist dat de stortingen relevant waren en dat zij de bedragen gebruikte om schulden af te lossen, terwijl het college de boete te laag vond en sprak van grove schuld.
De Raad oordeelde dat de stortingen en bijschrijvingen terecht als inkomen werden aangemerkt en dat betrokkene de inlichtingenverplichting had geschonden. Er was geen sprake van grove schuld of verminderde verwijtbaarheid, maar van normale verwijtbaarheid. De boete werd daarom vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag, afgerond op €2.900. Gezien de financiële situatie van betrokkene en haar draagkracht werd de boete gematigd tot het reeds betaalde bedrag van €1.990, wat als passend werd beschouwd.
Het hoger beroep van betrokkene en het college werd verworpen. Daarnaast werd het college veroordeeld tot betaling van de proceskosten van betrokkene. De uitspraak bevestigt het belang van volledige en tijdige informatieverstrekking bij bijstandsverlening en de toepassing van een proportionele boete.
Uitkomst: De boete van €1.990 wordt bevestigd en het hoger beroep van betrokkene en het college wordt afgewezen.