ECLI:NL:RBNNE:2017:624

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 februari 2017
Publicatiedatum
23 februari 2017
Zaaknummer
18/212629-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 78b SrArt. 138 SvArt. 257a SvArt. 511b Sv
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Politierechter verklaart openbaar ministerie niet-ontvankelijk in ontnemingsvordering na strafbeschikking

Het openbaar ministerie diende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in nadat aan de betrokkene een strafbeschikking was opgelegd. De politierechter moest beoordelen of het OM ontvankelijk was in deze vordering, aangezien de betrokkene niet door een rechter was veroordeeld maar een strafbeschikking had ontvangen.

De politierechter oordeelde dat volgens artikel 36e Wetboek van Strafrecht ontneming alleen mogelijk is na een afzonderlijke rechterlijke veroordeling. Een strafbeschikking, uitgevaardigd door het OM, wordt niet gelijkgesteld aan een veroordeling door een rechter. Daarnaast biedt artikel 257a Wetboek van Strafvordering de mogelijkheid om ontnemingsbedragen in een strafbeschikking op te nemen, wat in deze zaak niet was gebeurd.

De rechter concludeerde dat de wetgever niet heeft beoogd dat ontnemingsvorderingen kunnen worden ingediend zonder rechterlijke veroordeling. Ook de term 'uitspraak in eerste aanleg' in artikel 511b Sv verwijst naar een rechterlijke beslissing en niet naar een strafbeschikking. Daarom werd het OM niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering.

Deze uitspraak verduidelijkt de procedurele vereisten voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en benadrukt het belang van een rechterlijke veroordeling als voorwaarde voor het instellen van een ontnemingsvordering.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens het ontbreken van een rechterlijke veroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/212629-16 (vordering ontneming)
beslissing van de politierechter d.d. 23 februari 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen

[bestrafte]

geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .
Deze beslissing is gewezen naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 februari 2017.
De bestrafte is verschenen.
Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. van 't Oever-Grootkarzijn.

Procedure

De vordering strekt tot vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geacht en tot het opleggen van de verplichting aan de veroordeelde tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel van een bedrag van voorlopig € 5.959,20.
De politierechter heeft kennis genomen van de vordering, van het strafdossier met bovenvermeld parketnummer en van de overige op de strafzaak betrekking hebbende stukken.
Op 9 februari 2017 is de vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter openbare terechtzitting behandeld.
De bestrafte en de officier van justitie zijn op de vordering gehoord.

Beoordeling ontvankelijkheid openbaar ministerie

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft - in tweede instantie - geconcludeerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Het oordeel van de politierechter
Op 21 november 2016 is tegen bestrafte een strafbeschikking uitgevaardigd ex artikel 257a Wetboek van Strafvordering (Sv). Daarbij is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 257a derde lid Sv biedt om aanwijzingen te stellen omtrent de voldoening aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Vervolgens is onderhavige vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ingediend.
De politierechter ziet zich voor de vraag gesteld of de officier gerechtigd was tot het indienen van voornoemde vordering tot ontneming, nu bestrafte niet is veroordeeld door een rechter.
Artikel 36e eerste lid Wetboek van Strafrecht (Sr) luidt:
Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Ook het derde lid spreekt van ‘een afzonderlijke rechterlijke beslissing’ en van ‘degene die is veroordeeld’.
Naar het oordeel van de politierechter heeft de wetgever met deze wettekst beoogd als voorwaarde voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te stellen, dat degene die het voordeel genoten heeft is veroordeeld door een rechter. Men kan immers niet bij strafbeschikking worden ‘veroordeeld’, terwijl ook het gebruik van de term ‘afzonderlijke rechterlijke beslissing’ suggereert dat er minimaal nog een andere ‘rechterlijke beslissing’ moet zijn.
De wetsgeschiedenis omtrent artikel 36e Sr geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.
Daar komt bij dat het systeem van de wet het mogelijk maakt om voordeelsontneming te betrekken bij de invulling van een strafbeschikking – een mogelijkheid die in het onderhavige geval niet is benut. Volgens artikel 257a derde lid Sv kunnen immers aanwijzingen worden gegeven omtrent de voldoening aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Indien alsnog wordt gedagvaard, bijvoorbeeld omdat aanwijzingen niet worden opgevolgd, kan er tevens alsnog een ontnemingsvordering aanhangig wordt gemaakt. Het ligt gelet hierop niet voor de hand dat de wetgever heeft beoogd het mogelijk te maken strafzaak en ontnemingszaak bij voorbaat via twee routes (strafbeschikking en rechterlijke beslissing) te laten lopen.
De omstandigheid dat in artikel 78b Sr is bepaald dat onder ‘veroordeling’ (let wel, niet: ‘veroordelen’ dan wel ‘veroordeeld zijn’) ook moet worden begrepen een strafbeschikking doet hieraan naar het oordeel van de politierechter niet af.
Dit geldt te meer nu aan de definitiebepaling van artikel 78b Sr de zinsnede is toegevoegd ‘voor zover niet uit enige bepaling het tegendeel volgt’.
In artikel 511b Sv is namelijk bepaald dat de officier van justitie een ontnemingsvordering aanhangig dient te maken zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee jaren na de ‘uitspraak in eerste aanleg’. De politierechter is van oordeel dat met ‘uitspraak in eerste aanleg’ niet gelijk kan worden gesteld de strafbeschikking, uitgevaardigd door de officier van justitie. Volgens artikel 138 Sv Pro moet immers onder uitspraak worden verstaan ‘de op de terechtzitting gegeven beslissing’.
Daarom volgt naar het oordeel van de politierechter uit artikel 511b Sv ‘het tegendeel’ dat wordt bedoeld in 78b Sr: Voor toepassing van artikel 36e Sr mag het ‘veroordeeld zijn’ niet worden gelijkgesteld met het uitgevaardigd hebben gekregen van een strafbeschikking.
Nu in onderhavige zaak vaststaat dat de bestrafte niet is veroordeeld door een strafrechter, bestaat er geen wettelijke grond tot het indienen van een vordering als bedoeld in artikel 36e Sr.
Het openbaar ministerie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

Toepassing van wetsartikelen

De politierechter heeft gelet op de artikelen 36e en 78b Sr en de artikelen 138, 257a en 511b Sv.

DE UITSPRAAK VAN DE POLITIERECHTER LUIDT:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk.
Dit vonnis is gewezen door mr.drs. J.V. Nolta, politierechter, bijgestaan door J. Adema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 februari 2017.