ECLI:NL:RBNNE:2017:624
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Politierechter verklaart openbaar ministerie niet-ontvankelijk in ontnemingsvordering na strafbeschikking
Het openbaar ministerie diende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in nadat aan de betrokkene een strafbeschikking was opgelegd. De politierechter moest beoordelen of het OM ontvankelijk was in deze vordering, aangezien de betrokkene niet door een rechter was veroordeeld maar een strafbeschikking had ontvangen.
De politierechter oordeelde dat volgens artikel 36e Wetboek van Strafrecht ontneming alleen mogelijk is na een afzonderlijke rechterlijke veroordeling. Een strafbeschikking, uitgevaardigd door het OM, wordt niet gelijkgesteld aan een veroordeling door een rechter. Daarnaast biedt artikel 257a Wetboek van Strafvordering de mogelijkheid om ontnemingsbedragen in een strafbeschikking op te nemen, wat in deze zaak niet was gebeurd.
De rechter concludeerde dat de wetgever niet heeft beoogd dat ontnemingsvorderingen kunnen worden ingediend zonder rechterlijke veroordeling. Ook de term 'uitspraak in eerste aanleg' in artikel 511b Sv verwijst naar een rechterlijke beslissing en niet naar een strafbeschikking. Daarom werd het OM niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering.
Deze uitspraak verduidelijkt de procedurele vereisten voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en benadrukt het belang van een rechterlijke veroordeling als voorwaarde voor het instellen van een ontnemingsvordering.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens het ontbreken van een rechterlijke veroordeling.