Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verdachte] ,
Tenlastelegging
Beoordeling van het bewijs
.Aangeefster heeft bij de politie verklaard dat zij van verdachte naakt op straat moest gaan lopen met in haar hand een bord van piepschuim waarop verdachte het woord ‘hoer’ had geschreven. Daarnaast heeft zij verklaard dat ze tot bovengenoemde handelingen werd gedwongen omdat verdachte dreigde haar anders in elkaar te slaan. Dat aangeefster niet uit eigen beweging tot het ten laste gelegde is overgaan, wordt ondersteund door de door getuige [getuige 1] afgelegde verklaringen inhoudende dat zij op 16 juli 2014 in een flatgebouw aan de [straatnaam] te Hoogeveen een naakte vrouw zag met een bordje in haar handen waarop het woord ‘hoer’ was geschreven en dat ze aan de houding van de vrouw zag dat zij overstuur en bang was. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij zag dat een man de deur open hield en met zijn hand een gebaar maakte naar de vrouw dat zij moest komen. Ook de ter plaatse gekomen agenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben gezien dat aangeefster stond te trillen en bij ieder woord van verdachte achteruit deinsde. De rechtbank is van oordeel dat daarmee voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat aangeefster door verdachte is gedwongen tot het doen of dulden van het ten laste gelegde. De rechtbank schuift derhalve de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij aangeefster niet heeft gedwongen, als onaannemelijk terzijde. Hierbij weegt de rechtbank ook mee dat verdachte zowel bij de politie als ter zitting heeft verklaard dat hij aangeefster enkel gekleed in een string op straat had laten lopen omdat ze vreemd was gegaan en dat hij uit wraak handelde.
Bewezenverklaring
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Strafbaarheid van verdachte
Strafmotivering
Benadeelde partij
Toepassing van wetsartikelen
Uitspraak
De rechtbank
een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
benadeelde partij [slachtoffer]toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een
bedrag van € 2.500,00 (zegge: tweeduizendvijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2014.
verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]
te betalen een bedrag van € 2.500,00 (zegge tweeduizendvijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2014, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.