Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Arnhem, verweerder
Procesverloop
Beslissing
Gronden
eenbron van inkomen, maar dat hij niet hoeft aan te geven van
welkebron van inkomen sprake is. Verweerder heeft gesteld dat hij alleen de omvang van het belastbaar inkomen uit werk en woning hoeft te schatten en dat daarbij niet van belang is waar dat inkomen vandaan komt. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat, ook indien er sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, verweerder dient aan te geven uit
welkebron de inkomsten afkomstig zouden zijn, opdat eiseres de gelegenheid krijgt om aan te tonen dat zij uit dien hoofde geen of een lager inkomen dan het in de aanslag begrepen bedrag heeft genoten (vgl. Hoge Raad 27 december 1956, ECLI:NL:HR:1956:AY1523). Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de geldende wet- en regelgeving of uit vaste jurisprudentie ook niet dat omkering en verzwaring van de bewijslast de rangorderegeling van artikel 2.14 van de Wet IB 2001 opzij zet. De rechtbank zal daarom nu als eerste de vraag beantwoorden of er sprake is van winst uit onderneming.
Kamerstukken II1998/99, 26 727, nr. 3, pagina 92). Ook voor derden is het kenbaar dat eiseres vennoot is van de vof, aangezien eiseres als vennoot is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel. Eiseres wordt daarom rechtstreeks verbonden voor de verbintenissen van de vof. Van contra-indicaties is niet gebleken. Gezien het hiervoor overwogene is de rechtbank dan ook van oordeel dat eiseres kwalificeert als ondernemer in de zin van artikel 3.4 van de Wet IB 2001 en dat eiseres derhalve winst uit onderneming uit de vof geniet. Dat eiseres dat zelf niet zo ervaart, en dat zij vooral vanwege praktische overwegingen (vergunningen) vennoot is geworden, maakt dat niet anders. Zij is nu eenmaal vennoot in een vof: de door de vof behaalde winst moet verdeeld worden onder de vennoten en die winst wordt belast in de inkomstenbelasting.