Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Beslissing
Gronden
Als u het niet eens bent met mijn voornemen
bruto BPM. Het Kaderbesluit biedt
geengrondslag om voor de bepaling van de
rest-BPMvan een kampeerauto uit te gaan van de catalogusprijs en de handelsinkoopwaarde van een bestelauto. Gelet op het voorgaande heeft eiser miskend dat de goedkeuring uit het Kaderbesluit waarnaar hij verwijst (Besluit van 4 maart 2014, BLKB 2014/127M), niet ziet op de (wijze van) bepaling van de
afschrijving, maar op de vaststelling van het basisbedrag aan BPM als zodanig (de bruto BPM). Voor zover eiser zich in dit verband op het Kaderbesluit beroept, biedt dit hem dat dus geen soelaas.
verminderingvan het hiervoor bedoelde bedrag aan (bruto) BPM rekening wordt gehouden met een (bij benadering) reële waardevermindering van kampeerauto’s, is geen sprake van een discriminerende heffing. De door eiser gestelde strijd met artikel 110 VWEU Pro is ten principale dan ook niet aan de orde, zie ook het bij 8 vermelde arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2017. In al hetgeen eiser in deze procedure in zijn beroepschrift en pleitnota heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen, nu eiser daarbij steeds uit gaat van het naar het oordeel van de rechtbank onjuiste uitgangspunt ten aanzien van de in dit verband relevante grootheid (de bruto BPM). In het verlengde daarvan is de rechtbank het dan ook niet met eiser eens dat de Hoge Raad in het bedoelde arrest een onjuiste uitleg zou hebben gegeven van het Unierecht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen 'verschillende heffingsmodaliteiten' heeft toegepast, zodat strijd met het Unierecht als zodanig niet aan de orde is (net als een eventuele rechtvaardigingsgrond). Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om ter zake prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU, nu er geen twijfel bestaat omtrent de EU-rechtelijke houdbaarheid van de Nederlandse regeling op dit punt.
De conclusie is dat de toepassing van de naheffingsbevoegdheid niet leidt tot heffing van een hogere belasting op geïmporteerde buitenlandse voertuigen dan op gelijksoortige binnenlandse voertuigen drukt. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de uitoefening van deze bevoegdheid het de belastingplichtige onmogelijk of uiterst moeilijk zou maken om zijn aan het Unierecht ontleende rechten te verwezenlijken. Van strijd met artikel 110 VWEU Pro is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.