Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juli 2018 in de zaak tussen
Procesverloop
€ 2.050,16 bruto per maand bedraagt.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Noord-Nederland
Eiser, die sinds 1997 een WAO-uitkering ontvangt en na gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid opnieuw arbeidsongeschikt werd verklaard, betwist de berekening van zijn herziene dagloon per 4 maart 2017. Verweerder stelde het dagloon vast volgens artikel 40, eerste lid, van de WAO, waarbij de bestaande WAO-uitkering niet als loon werd meegeteld. Eiser voert aan dat deze systematiek leidt tot een onredelijke en discriminerende achteruitgang in zijn uitkering.
De rechtbank oordeelt dat verweerder het dagloon correct heeft berekend en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen ondubbelzinnige toezegging is gedaan. Het beroep op artikel 14 EVRM Pro wordt niet ontvankelijk verklaard omdat geen beroep is gedaan op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
Ten aanzien van het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR Pro stelt de rechtbank vast dat er geen sprake is van gelijke gevallen omdat de situatie van werkenden die voor het eerst arbeidsongeschikt raken verschilt van die van WAO-gerechtigden die opnieuw arbeidsongeschikt worden. De wetgever heeft een ruime beoordelingsvrijheid en heeft bewust gekozen om de bestaande WAO-uitkering niet mee te tellen bij de herziening van het dagloon. Dit onderscheid is objectief gerechtvaardigd en proportioneel.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat het bestreden besluit rechtmatig is. Er is geen aanleiding om artikel 40, eerste lid, tweede volzin, van de WAO buiten toepassing te laten wegens strijd met het discriminatieverbod. De proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de herziening van het dagloon op grond van de WAO wordt ongegrond verklaard.