Eiseres, eigenaar en gebruiker van een woonzorgcentrum, betwistte de aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) omdat zij meent dat het object als woning aangemerkt moet worden volgens artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet. De kern van het geschil was of ten minste 70% van de waarde van het object toe te rekenen is aan delen die dienen tot woning of volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
De rechtbank stelde vast dat het woonzorgcentrum uit een hoofdgebouw bestaat met circa 51% woonoppervlak en diverse gemeenschappelijke ruimten zoals gangen, keuken en recreatiezaal. De rechtbank oordeelde dat deze gemeenschappelijke ruimten niet volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden omdat zij ook door verzorgend personeel worden gebruikt, waardoor zij niet meetellen voor de 70%-norm.
Hierdoor is minder dan 70% van de waarde toe te rekenen aan woondoeleinden en geldt het woonzorgcentrum niet als woning in de zin van artikel 220a van de Gemeentewet. De aanslagen OZB eigenaar en gebruiker zijn daarom terecht vastgesteld volgens het niet-woningtarief. De beroepen van eiseres werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.