Eiseres huurt sinds 2012 een woning van WoonFriesland en woont daar met haar twee dochters, die kwetsbaar zijn vanwege onder meer een lichte verstandelijke beperking en ADHD. Na werkzaamheden aan de woning betaalde eiseres tijdelijk 40% minder huur, wat leidde tot ontbinding van de huurovereenkomst en een vonnis tot ontruiming.
De Raad voor de Kinderbescherming concludeerde dat geen kinderbeschermingsmaatregel nodig is. WoonFriesland sommeerde eiseres de woning te ontruimen, waarna eiseres een kort geding startte om de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis te schorsen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de belangen van de kinderen zwaar wegen en dat ontruiming ingrijpende gevolgen zal hebben, waaronder het verlies van veiligheid en continuïteit van hulpverlening en schoolcontacten. Daarom wordt de ontruiming geschorst zolang eiseres de lopende huur tijdig betaalt.
WoonFriesland behoudt het recht om betaling van de achterstallige huur via andere rechtsmiddelen te vorderen. De proceskosten worden aan WoonFriesland opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.